Belijdenis der Hugenoten (2)
De Confessio Gallicana
Zoals wij beloofd hebben zullen wij een vertaling bieden van de bovengenoemde Belijdenis. Overigens zonder de pretentie dat er door bevoegden niet een betere vertaling te bieden zou zijn. Het vertalen van een Belijdenis is altijd een hachelijke zaak en wij zijn ons dat bewust.
Een volledige verklaring van elk artikel moet men niet verwachten, dat zou teveel ruimte in beslag nemen. Wij willen volstaan met te wijzen op enkele karaktertrekken van hetgeen in deze Belijdenis voorkomt.
Het geloof in God
Artikel 1 luidt als volgt: Wij geloven en belijden dat er een enig God is, die een enig, eenvoudig, geestelijk, eeuwig, onzichtbaar, onveranderlijk, oneindig, onbegrijpelijk, onuitsprekelijk Wezen is, die de Almachtige is, die volkomen wijs, volkomen goed, volkomen rechtvaardig en volkomen barmhartig is.
Wie hier Art. 1 van de NGB naast legt, ontdekt terstond de overeenkomst. Er moge een paar kleine verschillen zijn, die hebben weinig betekenis.
Het is typisch Calvijns om met de belijdenis aangaande Gód te beginnen. De Hugenoten en later de Nederlanders hebben dit van Calvijn overgenomen.
Zij hebben hiermee willen laten uitkomen het algemeen christelijke van hun geloof. Wij zijn geen sectariërs! De Reformatie was een beweging vanuit en in de Kerk. Zij stelde zich niet buiten de Kerk en noch minder buiten het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof.
Er zit in deze belijdenis aangaande God ook iets van een lofprijzing. Eén der wortels van het christelijke belijden is gelegen in de Liturgie. Het christelijk belijden is tot eer van God. Men spreekt – met eerbied en ontzag – zijn Naam uit en prijst zijn deugden.
Men looft Hem als de Enige. De Heere uw God is een enig God, dat was al de belijdenis van de Oudtestamentische Gemeente, en de Nieuwtestamentische heeft dat overgenomen. Men belijdt de eenvoudigheid (simplicitas) Gods. God is niet gedeeld, in Hem zijn geen tegenstrijdigheden.
Men belijdt dat God een geestelijk wezen is. Niet te zien met de ogen en niet te tasten met de handen.
Men belijdt dat Hij eeuwig, onveranderlijk, onbegrijpelijk, enz is. Veel zou hierover te zeggen zijn, wij moeten het nalaten.
Maar laten wij gevoelen de schoonheid van deze belijdenis. In het christelijk belijden, zeker in het belijden van het geloof in God, mag iets van verrukking zijn. Een hartelijk geloven en belijden van God zou onzerzijds het beste antwoord zijn dat ooit gegeven kan worden op de vele aanvallen die op het geloof in het bestaan van God gedaan worden.
De openbaring Gods
Art. 2 luidt: Als zodanig openbaart zich deze God aan de mensen. Ten eerste door zijn werken. Zowel door de schepping als door de onderhouding en regering van alle dingen. Ten andere nog veel klaarder door zijn Woord, dat allereerst is geopenbaard door Godsspraken (orakels) en dat daarna schriftelijk is vastgelegd in boeken, die wij de Heilige Schrift noemen.
In een paar punten willen wij samenvatten wat ons in dit artikel getroffen heeft. In de eerste plaats, dat ook hier, evenals in de NGB, gesproken wordt over een tweeërlei openbaring Gods. Er is een openbaring Gods in de werken zijner handen en er is een openbaring Gods in zijn Woord.
De in de NGB zo mooie uitdrukking dat de schepping voor onze ogen als een 'schoon boek' is, ontbreekt in de CG, maar zakelijk wordt ook hier hetzelfde beleden. Men zou kunnen zeggen: de CG spreekt wat soberder, wat meer ingehouden over wat men noemt de 'algemene openbaring Gods' dan de NGB.
Daar is wat voor te zeggen. Gods algemene openbaring zal nooit de hoofdaandacht mogen hebben. De openbaring Gods in zijn Woord is veel belangrijker.
En toch hebben de Gereformeerde vaderen, in navolging van Calvijn, er goed aan gedaan, haar niet geheel te verzwijgen.
Opdat wij de natuur als schepping, en de geschiedenis als regering Gods zouden zien. Waar men van een algemene openbaring Gods niet meer wil weten, zet men de deur open voor de secularisatie. Dat kan de theologie van Barth ons leren. Het algemene en het bijzondere vervagen dan. Het algemene wordt bijzonder en het bijzondere wordt algemeen.
Onze Gereformeerde Belijdenissen onderscheiden beide. Zo krijgt God de eer van de werken zijner handen, en wordt toch het heil gezocht in zijn Woord. Deze dingen hebben meer betekenis dan menigeen op het eerste gezicht zal vermoeden. Het behouden of verliezen van de Gereformeerde religie staat ermee op het spel.
Klaarder licht
In de tweede plaats, de CG spreekt over een klaarder openbaring van God in zijn Woord. Al branden in de schepping lampen, het Woord is de ware en eigenlijke lamp voor onze voet. Des Heeren Wet nochtans verspreidt volmaakter glans, dewijl zij het hart bekeert…
In de NGB staat behalve het woord 'klaarder' ook nog het woord 'volkomener'. In zijn Woord geeft God zich te kennen in al zijn volheid en heerlijkheid. Wie op zondagmorgen inplaats van naar de kerk te gaan gaat wandelen, voorgevend dat hij daar God kan vinden en dienen, verkiest kaarslicht boven zonlicht, en zal de rechte weg nooit vinden.
Het zijn maar enkele en dus niet alle eigenschappen van God die de schepping ons leert, de Schrift leert ons al zijn eigenschappen. Zij openbaart ons Christus, de Zoon des Vaders. In de CG wordt dat niet met zoveel woorden gezegd, in de NGB wel; immers daarin staat dat God Zich in zijn Woord openbaart 'zoveel als ons van node is in dit leven, tot zijn eer en de zaligheid der Zijnen'. Dat dit ook in de CG bedoeld is, staat vast.
Schriftelijke vastlegging
In de derde plaats, de CG spreekt van een vastlegging van het Woord Gods in boeken die wij de Heilige Schrift noemen. Dit is een aspekt dat in de NGB ontbreekt en onze aandacht toch wel waard is.
Gods Woord en Heilige Schrift vallen niet geheel samen. Al kan men zeggen: de Heilige Schrift is Gods Woord, men kan het niet omkeren en zeggen: Gods Woord is de Heilige Schrift. 'Gods Woord' is een ruimer begrip dan 'Heilige Schrift'. Er was al een Woord Gods vóór er een Heilige Schrift was.
Er waren de 'Godsspraken' – oracles staat er in de Franse tekst – aan de aartsvaders, aan Abraham, Izaäk en Jacob. Pas met Mozes begon de schriftelijke vastlegging; aan hem is het begin van wat wij de Heilige Schrift noemen te danken.
Het is natuurlijk niet zonder reden dat de Franse Gereformeerden op deze wijze zich in hun Confessie hebben uitgedrukt. Zij hebben deze passage in hun Confessie niet rechtstreeks aan Calvijn ontleend.
Het ontwerp dat Calvijn hun heeft toegezonden en dat zij bij de samenstelling van hun belijdenis hebben benut, spreekt wel van een openbaring Gods in de Wet, in de Profeten en tenslotte in het Evangelie, maar niet van de voortgang van een ongeschreven naar een geschreven Woord Gods. Hiermee willen wij niet beweren dat niet ook Calvijn van deze voortgang geweten heeft, maar het feit ligt er dat de Franse Gereformeerden geheel uit zichzelf dit hebben opgenomen in hun Belijdenis.
En waarom? Ons dunkt om daarmee tot uitdrukking te brengen: 1) dat de openbaring Gods in Zijn Woord van zeer oude datum is; zij was er al vóór er een Heilige Schrift was, 2) dat deze Schrift gelezen moet worden als het Woord Gods; immers, men vindt in die Schrift de schriftelijke vastlegging daarvan en 3) dat het Woord Gods, dat in deze wereld immer aangevochten wordt, zulk een schriftelijke vastlegging heeft nodig gehad.
Vooral dat laatste punt lijkt ons het sprekendste. Had het Woord Gods niet de gestalte aangenomen van de Schrift, het zou te kwetsbaar zijn. Dit Woord is niet aan mensen toe te vertrouwen. Zij zijn geneigd het Woord Gods naar eigen believen te vervormen, te veranderen, te verminken. Terwille van de betrouwbaarheid van zijn Woord heeft het God behaagd het schriftelijk te laten vastleggen. Die schriftelijke vastlegging is weliswaar het werk van mensen geweest, maar niet alleen maar van mensen. De Geest heeft de Schrift geïnspireerd. Wij hebben in de Schrift het betrouwbare Woord Gods.
Tegenover alle dwaalleer waar de Franse Gereformeerden mee te maken hadden; wisten zij zich gesteund door het betrouwbare Woord Gods, neergelegd in de Schrift. Zij stonden tegenover een overmacht. De Hugenotenkerk was maar klein, zij was een martelarenkerk. Verscheidene mannen die gestaan hebben aan de wieg van deze Belijdenis hebben spoedig daarna de dood gevonden, na door hun roomse vijanden gevangen te zijn genomen.
In de wervelstorm van die tijd stonden deze christenen vast op de rots van het Woord. Die rots was hun gegeven in de Schrift.
Dat is naar ons gevoelen de diepste oorzaak waarom zij op zulk een kenmerkende wijze gesproken hebben over het Woord Gods, dat 'schriftelijk is vastgelegd in boeken, die wij de Heilige Schrift noemen'.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's