De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het gezin op de tocht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het gezin op de tocht

Verschuivingen en de consequenties daarvan

12 minuten leestijd

In het jaar 1900 kwamen in ons land 900 echtscheidingen voor. In 1974 20.000, dat wil zeggen 22 maal zoveel. Nederland is met het aantal echtscheidingen per jaar na Engeland het tweede land in Europa. Sinds 1971, toen met toestemming van beide partijen snelle echtscheiding mogelijk werd, is het aantal echtscheidingen van jaar tot jaar snel toegenomen. Momenteel bedraagt het aantal echtscheidingen 25.000 per jaar. Eén vierde deel van het aantal huwelijken, dat thans gesloten wordt, wordt binnen vijfjaar weer ontbonden.
In Nederland leven zo momenteel méér dan 200.000 gescheiden mensen. En naar schatting leven er zo in ons land meer dan 300.000 kinderen van gescheiden ouders. Steeds meer kinderen en jongeren groeien derhalve op in situaties, waarin ze voor het merendeel bepaald niet de waarde van het gezin hebben leren kennen.


Daarbij doet zich dan nog weer eens het verschijnsel voor dat steeds meer mensen gaan samenleven zonder te trouwen, al volgt er in bepaalde gevallen nog wel een huwelijk op. Dus ook steeds meer kinderen groeien op die ongehuwde ouders hebben, ouders die zich in ieder geval niet door een belofte van levenslange trouw aan elkaar hebben verbonden.
Ook in christelijke kring nemen deze verschijnselen toe, onrustbarend toe zelfs en het samenleven zonder huwelijk, zonder dat dus ook het Woord van God aan het begin van de echtverbintenis ambtelijk wordt meegegeven, vindt in toenemende mate de sanctie ook van voorgangers en leidinggevenden in christelijke kring.
Vorige week plaatste het dagblad Trouw gelijkelijk naast (onder) elkaar twee interviews, één met een gehuwd paar en één met een paar, dat net getrouwd was maar reeds enkele jaren had samengewoond. Op deze manier wordt dunkt me de gedachte gevoed, dat het er allemaal niet zoveel toe doet. Een christelijke krant doet er beter aan ook in dit opzicht leiding te geven in plaats van de zaak blauwblauw te laten. Men kan om het verschijnsel als zodanig niet heen. Maar gemakkelijk voedt men zo de gewenning en via de gewenning de acceptatie en via de acceptatie een nieuwe, buitenbijbelse moraal die achter al deze dingen steekt.

De Bijbel?
Maar waar is dan de bijbelse motivatie voor het huwelijk, zo klinkt steeds luider de vraag.
Ik kan niet beter doen dan enkele stukken te citeren uit een korte kernachtige brochure van ds. A. M. Lindeboom uit Hooghalen, getiteld 'Hokken' (1). De schrijver zegt: 'het gaat hier niet alleen om teksten.' En dan vervolgt hij:

'Om te beginnen zou ik dan willen uitspreken, dat de bekende, uitdagende vraag 'waar staat dat in de bijbel?' niet altijd een bewijs van kracht maar soms juist een bewijs van zwakheid is. Er zijn in de christelijke kerk herhaaldelijk opvattingen gegroeid en gewoonten gevormd, die niet tot een Schriftbewijs van één of twee teksten te herleiden zijn, maar waarvan we toch de stellige overtuiging hebben dat ze wel naar Gods Wil zijn. We dopen kleine kinderen. Maar er is niet één tekst, die luidt: Gij zult uw kinderen laten dopen. Bij ons nemen ook de vrouwen aan het Avondmaal deel. Maar de opdracht om avondmaal te vieren, gaf Jezus slechts aan twaalf mannen. Ons voorgeslacht heeft de schoolstrijd gevoerd, terwijl er toch nergens in de bijbel staat dat we christelijke scholen moeten oprichten. En zo zou er nog veel meer te noemen zijn, dat niet rechtstreeks in de bijbel staat, maar dat we toch als een goddelijke opdracht ervaren.'

Maar Lindeboom zegt ook dat er toch teksten genoeg zijn. Ik beperk me tot wat hij over het Nieuwe Testament zegt:

'In het Nieuwe Testament valt al dadelijk op dat Maria, voordat ze Jezus ter wereld bracht, uitdrukkelijk maagd wordt genoemd (Matth. 1 : 23). Bekend is ook haar vraag aan de engel: Hoe zal dat geschieden, daar ik geen omgang met een man heb? Waaruit maar één conclusie mogelijk is: Jozef en Maria hokten niet (Luk. 1 : 34). Eveneens moet hier gewezen worden op wat Jezus sprak tot de Samaritaanse vrouw: Gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet. Zij hokte dus, en dat klinkt hier als een verwijt. Bijzonder treffend is in dit opzicht ook de gelijkenis van de vijf wijze en vijf dwaze maagden uit Matth. 25. Ik vind het niet erg, wanneer een dominee het in een preek hierover heeft over de wijze en dwaze meisjes, als we maar niet over het hoofd zien dat alle tien – ook de dwaze! – maagden waren. Ze hadden geen van allen gehakt! Wanneer verder Paulus aan de gemeente te Korinthe schrijft dat zijn ideaal is 'haar als een reine maagd voor Christus te stellen', is dat zonder enige twijfel een verwijzing naar de normale gang van zaken, zoals die er bij een huwelijk is en ook moet zijn: de jonge vrouw die trouwt, treedt het huwelijk binnen als maagd (2 Kor. 11 : 2). Van belang is ook wat we lezen in Hebr. 13 : 4: Het huwelijk zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want hoereerders en echtbrekers zal God oordelen. De hervormde hoogleraar Van Oyen tekent in zijn commentaar hierbij aan: 'Het huwelijk zij bij gehuwden zowel als ongehuwden een zaak, die men in ere te houden heeft. Alle geslachtelijke afdwalingen in en buiten het huwelijk staan gelijkelijk onder de toorn Gods.' En dat ook het hokken een geslachtelijke afdwaling is, die aan het huwelijk de eer en de kroon ontneemt, zal wel door niemand worden ontkend. Maar is iemand die in dit verband voorzichtig wijst op de toorn Gods, dan geheel buiten de orde?'

Terecht concludeert Lindeboom, dat het huwelijk een heilige instelling van God is. Als christenen de heiligheid van het huwelijk niet hoog houden zal ook hier het oordeel beginnen bij het huis Gods. Dat betekent niet, dat de kerk de nood, die er in dit opzicht in onze samenleving is, niet volstrekt serieus moet nemen en pastoraal ook rekenen moet met 'de hardigheid des harten.' Maar de verschuivingen in de moraal op dit punt werken mee aan de ontkerstening van de samenleving.
Het gezin is immers altijd nog de pijler van de samenleving.

Consequenties
Ongetwijfeld heeft het verschijnsel van de abortus provocatus óók te maken met het toenemend samenleven buiten het huwelijk, al is dat lang niet de enige factor. Maar de dingen grijpen in onze tijd wel op een geweldige wijze in elkaar. Het (christelijke) gezin, met de kinderen als erfdeel des Heeren, zal – als het bijbels functioneert – méér een dam opwerpen tegen de gruwel van de abortus provocatus dan allerlei vrije vormen van samenleven, tot en met de losvaste verbindingen.
Het is daarbij intussen markant, dat de sleutel voor de wetgeving in deze kwestie thans ligt bij het CDA. Het CDA wordt er momenteel overigens al door verdeeld. Ik las dezer dagen, dat een Limburgs kapelaan zei: 'Ik heb eens een bord gezien met de tekst: abortus wordt de dood van het CDA.' Dat kan wel eens waar worden. Lubbers kan bij het neuzen tellen van zijn achterban wel eens lelijk uitkomen.'
Liever hoop ik echter, dat straks gezegd kan worden, dat het CDA het christelijk beginsel van bescherming van het leven met de bescherming van het gezin en het zicht op de kinderzégen heeft levend, gehouden. Als we aanzien wat voor ogen is is er reden tot grote zorg. Anderzijds wordt inderdaad duidelijk hoe nog velen over deze ingrijpende zaak in grote nood zijn.
Hopelijk blijkt dan ook nu de kracht van het christelijk volksdeel. Het gaat in feite om het gezin en de kinderzegen.


Intussen zal het beste wapen in deze het gebed zijn. Maar dan niet alleen toegespitst op de abortus provocatus. Maar ook en juist op de crisis, die het gezin in deze tijd doormaakt. In de voorbede in de gemeente van zondag tot zondag mag deze zaak niet ontbreken (2).

Ouderschap
Dit alles brengt me nog op een andere, een gans andere kwestie. Twee sociologen, t.w. drs. J. Veenman en dr. L. G. Jansma van de Erasmusuniversiteit te Rotterdam, hebben in een rapport over de polioepidemie in 1978 de stelling geponeerd, dat een tijdelijke ontzetting uit de ouderlijke macht méér mogelijkheden biedt om in de toekomst te voorkomen, dat mensen het slachtoffer worden van polio dan het verplicht stellen van vaccinatie hiertegen.
Dat is een krasse en forse stelling.
Het is op z'n minst merkwaardig, dat in onze tijd ten aanzien van abortus provocatus wordt bepleit, dat de vrouw het recht hiertoe in eigen hand moet hebben, zonder betutteling door de overheid en dat hier nu bepleit wordt ingrijpen van overheidswege in het ouderschap. Men kan het natuurlijk ook omkeren. Als van andere (onze) zijde bepleit wordt de verantwoordelijkheid van de overheid inzake de bescherming van menselijk leven moet de overheid hier, ten aanzien van de vaccinatie dus, dan ook niet regelend optreden om het leven te beschermen?
Me dunkt dat deze kwesties echter nogal verschillend liggen. Het rechtstreeks doden van leven, wat de overheid in alle gevallen strafbaar stelt, is bepaald iets anders dan het niet voorkómen – voorzover dat in onze menselijke mogelijkheden ligt – van ziekte of de dood. Zouden we een situatie krijgen, waarin de overheid verplicht is in gevallen, waarin ernstige ziekte of de dood mogelijk is b.v. door bewuste of onbewuste nalatigheid, bij voorbaat handelend op te treden dan kan men zich afvragen waar de grens ligt. Dan denk ik nog niet eens aan het opzettelijk in gevaar brengen van het leven door druggebruik; of bij TT races of andere moordende sporten. Maar dan kan men zich afvragen hoeveel kinderen een zodanig onverantwoorde opvoeding krijgen, met zoveel nalatigheden waardoor het leven schade ondervindt, dat wel eens ingegrepen zou moeten worden. Wanneer het echter niet gaat om expliciete, uitdrukkelijke levensbedreiging maar om impliciete, indirecte levensbedreiging kan men moeilijk aan de overheid een directe taak toekennen. Men zou wel weten waar men beginnen maar niet waar men eindigen moest.


In het geval van niet-vaccineren gaat het bovendien bepaald niet om onverántwoord ouderschap. Juist omdat die ouders, die het betreft, zich beroepen op hogere normen en zij in dat licht hun ouderschap willen doen functioneren heeft de overheid zeker niet het recht om hier in te grijpen.
We hebben er in ons blad nooit onduidelijkheid over laten bestaan hoe wij over vaccinatie denken. De gronden, waarop men vaccinatie afwijst, zijn onzes inziens bepaald niet deugdelijk. En diegenen, die in de ambtelijke voorlichting deze gronden in tact laten en daarmee vaak over de gewetens heersen, laden zélf wel een grote verantwoordelijkheid op zich. In dat opzicht menen we intussen te moeten constateren, dat er zelfs van een verharding sprake is in de kern van 70.000 personen in de Gereformeerde Gezindte, die vaccinatie op grond van gewetensbezwaren afwijzen (laten we overigens de 35.000 aanhangers van Soefibeweging etc, die ook vaccinatie afwijzen, niet vergeten). Maar de overheid heeft niet het recht om over de gewetens van mensen heen te gaan. Een voorstel om ouders uit de ouderlijke macht te ontzetten miskent het ouderschap en de functie daarvan bij het licht van de Schrift. Daarom acht ik de suggestie als door de Rotterdamse sociologen is gedaan volstrekt verwerpelijk.
Dat neemt intussen niet weg, dat de overheid alles wat mogelijk is in het werk zal moeten stellen om deskundige voorlichting te geven als het gaat om volksgezondheid. Dat geldt als het gaat om vaccinatie. Dat geldt als het gaat om drugsbestrijding. Dat geldt als het gaat om schadelijke gevolgen van stoffen die we gebruiken. En zo zou er veel meer te noemen zijn. Maar gewétensdwang is uit den boze.


Het gaat bij alles, zowel in het persoonlijke vlak als op het vlak van de overheid om de norm, die gehanteerd wordt. Gaat men uit van de autonome mens dan komt men er enerzijds gemakkelijk toe abortus provocatus toe te staan als de vrouw dit wenst en komt men er ook toe het kind aan het ouderlijk gezag te onttrekken waar dit ouderlijk gezag, hoe dan pok, wil buigen voor het Woord (en waar ligt dan de grens?). Gaat men echter uit van Gods recht op het leven als de hoogste norm dan zal men enerzijds ertoe kunnen komen de overheid een functie te geven in de bescherming van het ongeboren leven, terwijl men anderzijds niet kan toestaan, dat de overheid ingrijpt in het ouderschap daar waar dat wil buigen voor de Schrift, ook al kan er sprake zijn van een verkeerd verstaan van de Schrift. Maar wie zal, als het gaat om vaccinatie, hier absolute regels durven stellen?

v. d. G.

1. Verkrijgbaar bij drukkerij Fokkens, It Súd, Surhuizum, door storting van ƒ 1,35 (25-50 exemplaren ƒ 1,25) op gironummer 1159464.
2. Van vele kanten komt het verzoek aan het adres van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond om een gebedssamenkomst uit te schrijven of een schriftelijk adres aan de regering op te stellen. Op de laatstgehouden vergadering van het hoofdbestuur is gesteld dat, gezien het feit dat de EO reeds een samenkomst in de Joriskerk te Amersfoort heeft aangekondigd, met als sprekers o.a. prof. dr. W. H. Velema en dr. W. Aalders, nog een dergelijke samenkomst niet nodig is en verder dat het goed zou zijn om de zondag voorafgaande aan de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer in alle gemeenten een speciale gebedszondag te houden.

Wij zullen in deze kolommen de ontwikkelingen van stap tot stap blijven volgen. Ook over de nu gevoerde kaartenaktie zullen we binnenkort nader schrijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het gezin op de tocht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's