De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijdenis der Hugenoten (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijdenis der Hugenoten (3)

De Confessio Gallicana

8 minuten leestijd

Het Schriftgeloof
Art. 3: Heel deze Heilige Schrift is vervat in de canonieke boeken van het Oude en het Nieuwe Testament (nu volgt een opsomming van alle bijbelboeken).
Art. 4: Wij erkennen deze boeken als canoniek en als een betrouwbare regel voor ons geloof; niet zozeer vanwege de overeenkomst en overeenstemming der kerk, als wel door het getuigenis en de inwendige overreding van de Heilige Geest, die ons geeft dat wij ze onderscheiden van andere kerkelijke boeken, op welke men (ook al zijn zij nuttig) geen artikel des geloofs kan gronden.
Art. 5: Wij geloven dat het Woord van God dat in deze boeken is vervat uit God Zelf is voortgekomen. Het ontvangt haar gezag niet van mensen maar alleen van Hem. En daar het een norm voor alle waarheid is, bevattend alles wat voor de dienst van God en ons heil nodig is, is het de mensen, ja zelfs de engelen niet geoorloofd er iets aan toe te voegen, er iets van af te doen of er aan te veranderen. Daaruit volgt dat noch oudheid, noch gewoonte, noch menigte, noch menselijke wijsheid, noch menselijke uitspraken of bepalingen, noch edicten, noch decreten, noch concilies, noch visioenen, noch mirakels tegenover deze Heilige Schrift mogen gesteld worden, maar dat integendeel alle dingen naar haar beproefd, geregeld en hervormd moeten worden. Naar deze regel aanvaarden wij de drie (oude) Symbolen: De Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea en de Geloofsbelijdenis van Athanasius; dus omdat zij in overeenstemming zijn met Gods Woord.

Het getuigenis des Geestes
Bij bovenstaande artikelen willen wij drie kanttekeningen plaatsen. De eerste betreft het in art. 4 genoemde getuigenis des Heiligen Geestes.
Dat de Heilige Schrift het Woord Gods is wordt door de Heilige Geest innerlijk in onze harten betuigd. Vooral door Calvijn is deze gedachte ontwikkeld en men vindt ze dan ook hier in de CG, en later in de NGB.
Hoewel het niet onbelangrijk is dat de Kérk zegt, dat de Schrift het Woord Gods is, is dat toch niet de voornaamste en eerste grond van ons Schriftgeloof.
Men lette op de formulering in art. 4, er staat: niet zozeer… als wel. Daarmee is het eerste, dus dat wij de Schrift aanvaarden op gezag van de Kerk, niet geheel uitgesloten. Voor het christelijk geloof is de Kerk en haar gezag waarlijk niet niets. Maar de Kerk en haar gezag zijn ook niet alles. Het gezag van God Zelf gaat er ver bovenuit.
En dat gezag maakt Hij door de Heilige Geest waar in onze harten. Er is het zelfgetuigenis van de Schrift maar er is ook de bevestiging en bekrachtiging daarvan door de Heilige Geest in ons hart.
Daarom is het aanvaarden van het gezag van de Schrift tenslotte een zaak van het hart. En dus niet van het intellect. Niet op het terrein van het redelijk denken, maar op het terrein van het geloven valt de beslissing of wij de Schrift aanvaarden als het Woord van God of niet.
Het niet aanvaarden van het gezag van de Schrift heeft alles te maken met ons hele innerlijke en uiterlijke leven. Waar de Heilige Geest niet werkt, kan men niet verwachten dat er een waar Schriftgeloof is. En waar Hij wél werkt, daar is altijd het geloof in Zijn Woord, hoezeer het ook kan worden aangevochten en hoezeer het ook weleens kan wankelen.
Vooral jonge mensen die studeren, en onder hen in het bijzonder degenen die theologie studeren, kunnen het moeilijk hebben met het 'Schriftprobleem'. De Schriftcritiek is op onze universiteiten de gewoonste zaak ter wereld. Zij loopt over van hypothesen, wat men zelf toegeeft, en toch bouwt men er op als ware zij vaststaande waarheden. Reeds als student moet men dat doorzien, dan laat men zich minder gemakkelijk er door vangen. Naar mijn gevoelen zijn de hoogleraren die de naam van orthodox hebben en toch opereren met de Schriftcritiek voor onze studenten de gevaarlijkste. Vooral via hun onderwijs sijpelt er zo gemakkelijk wat van een Schriftcritische houding door het dak van de kerk heen, ook daar waar men in naam de Belijdenis nog wil handhaven.
Laat men weer eens opnieuw naar die Belijdenis luisteren! En zich er aan toetsen. En zich afvragen: Heb ik wel de Geest? En werkt die wel krachtig in mij? Waar de Geest is, is zekerheid, ook zekerheid omtrent de Schrift.

Geen visioenen of mirakels
Wie art. 5 van de CG legt naast art. 7 van de NGB vindt vele overeenkomsten. Voor een groot deel zijn beide artikelen zelfs gelijk. Maar er zijn ook een paar kleine verschillen, en die zijn voor ons doel met deze reeks het interessantst. Tot die kleine verschillen behoort dat er in de CG staat dat geen visioenen en geen mirakels tegenover de Schrift gesteld mogen worden.
Visioenen en mirakels worden hier op een lijn gesteld met: concilies, decreten, edicten, menselijke bepalingen, oudheid, gewoonte, enz.
Het Woord staat boven alles. Op dat Woord moet men zich in de kerk kunnen beroepen. Een beroep op het Woord Gods mag niet doodgeslagen worden met een of andere kerkelijke uitspraak, niet met het beroep op een beslissing van een concilie of synode, niet met het argument: dit is de mening van de massa, of: deze mening is de oudste.
Maar ook louter subjectieve ervaringen als die van een visioen of die van een wonder hebben tegenover het Woord Gods geen geldigheid. Ik kan me niet terugtrekken op wat ik innerlijk doorleefd heb; ik kan mijn bevinding niet tegenover het Woord Gods stellen. Gods Woord is norm, óók voor mijn bevindingen, óók voor mijn visioenen, als ik die ooit gehad zou hebben, óók voor mijn ervaringen van wonderbaarlijke uitreddingen.
De CG grenst het geloof in de Schrift als het Woord Gods en het aanvaarden van het gezag van dat Woord af naar twee kanten. Naar de kant van het 'objectivisme': een massief beroep op de kerk, haar concilies, haar decreten, haar uitspraken; en naar de kant van het 'subjectivisme'; het zich beroepen op innerlijke ervaringen als visioenen het ervaren van wonderen, mirakels.

Beide kwamen in die dagen voor, en nóg wel, in de ene kerk van Rome; waar men almaar riep: De kerk, de kerk! En waar tegelijk ook, niet voor het minst in de kloosters, binnen het kader van deze kerk het reinste subjectivisme bloeide; waar iedere mystieke monnik of non eigen religieuze ervaringen koesterde. Terwijl men aan het Woord niet toekwam.
Maar ook buiten de kerk van Rome was er het subjectivisme. Bij geestdrijvers en fanatiekelingen. Ook tegen hen keert zich de Gereformeerde Belijdenis. Zij deed dat toen, en zij doet het heden nog.

Schrift en Belijdenis
Het mag toch wel heel opvallend heten dat uitgerekend hier, in de artikelen van de CG die spreken over het gezag van de Schrift, aan het eind gesteld wordt dat men aanvaardt de drie Oude Belijdenissen der vaderen.
Blijkbaar hebben Calvijn en zijn leerlingen geen tegenstelling gezien tussen het een en het ander, tussen het geloven in de Schrift als het Woord Gods én het aanvaarden van kerkelijke belijdenissen.
Schrift en Belijdenis behoeven waarlijk geen tegenstelling te zijn. Het beroep op de Schrift duldt naast zich het beroep op een kerkelijke, Belijdenis.
Wij moeten dat handhaven tegenover alle mogelijke vrije groepen, die het tegendeel beweren; en ook tegenover hen in de kerken zelf die wel van de Schrift willen horen maar niet van de Belijdenis der vaderen.
Soms gebruikt, of beter gezegd: misbruikt men hetgeen in de Belijdenis zelf gezegd wordt, nl. dat de Schrift staat boven al wat de Kerk leert, om zich daarmee de vrijheid te veroorloven om zich critisch op te stellen tegenover de Belijdenis. Dat dat inderdaad een misbruik maken van de Belijdenis is, toont de Belijdenis zelf aan, te weten door zich te conformeren met de oudchristelijke Belijdenissen.
Belijdenissen die naar de Schrift zijn, dienen in de Kerk aanvaard te worden en daar dient men zich aan te houden. Een Kerk kan niet zonder Belijdenis. Elke Kerk, welke het ook is, heeft ook een Belijdenis. Al is het maar in de vorm van een Verklaring of van een aanvaarden van de leer en prediking van haar grondlegger. Met vrije groepen is het ook zo. Zij misleiden zichzelf als zij menen en zeggen dat zij geen belijdenis hebben.
Belijdenissen móeten er ook zijn. Al was het alleen maar terwille van de eenheid van de Kerk.
En men moet als lid van de kerk en zeker als dienaar van de Kerk zich er ook aan houden. Beter gezegd: het moet een vanzelfsheid en een vreugde zijn zich er a#n te houden. Niet onwillig en ongaarne hebben de vaderen in hun Gereformeerde Belijdenissen zich geconformeerd aan de oude Belijdenissen der christenheid. Er is hun veel aan gelegen geweest dat zij konden aantonen en waar maken, dat hun geloof geen nieuw geloof was maar het oude, vertrouwde, beproefde geloof der christelijke kerk.
Dit staat waarlijk niet in de weg de belijdenis dat de Schrift boven alles staat, neen, eerder omgekeerd: de aanvaarding van de Belijdenis der kerk stelt het geloof in het Woord Gods veilig. Waar men de Belijdenis der kerk Iaat vallen, laat men, na korter of langer tijd, ook het geloof in de Schrift als het Woord Gods vallen. De geschiedenis heeft dat uitgewezen.

K. Exalto

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Belijdenis der Hugenoten (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's