Prediking en geestelijk leven (7)
Pastorale overwegingen
Nog twee vragen over de rechtvaardiging
Nu we toch in deze rubriek die allergrootste weldaad van de rechtvaardiging overdenken – het woord rechtvaardiging is bijbels gezien beter dan het woord rechtvaardigmaking, want het gaat om een juridische daad van God, een richterlijke uitspraak, en niet om een ethische daad, waarom ook het woord rechtvaardigverklaring zeer gepast is – komen nog twee vragen ter beantwoording aan de orde. De eerste is 'ik heb wel eens gehoord, dat de rechtvaardiging door het geloof met Pasen heel veel te maken heeft, maar ik weet het verband niet.' En: wat is nu de betekenis van het laatste oordeel in verband met de rechtvaardiging van de goddeloze en moet dat ook gepreekt worden?
Pasen en de rechtvaardiging
Heel terecht vraagt het eerste naar het verband tussen de bewuste kennis van de vergeving der zonde en Pasen. Immers, we zouden nooit onderwerpelijk, bevindelijk, de rechtvaardiging door het geloof kunnen doorleven, als niet voorwerpelijk voor God de rechtvaardiging was tot stand gebracht. Nimmer zouden we behouden kunnen worden als God niet was verheerlijkt in al Zijn deugden. En dat nu is op Pasen geschied en gebleken. Christus is opgestaan. De Vader spreekt als het ware Zijn Goddelijk Amen uit op het 'Het is volbracht' van de Zoon, op Goede Vrijdag. Want de Heere Jezus stond niet minder als Borg op, dan dat Hij als Borg ook stierf aan het kruis. En als Christus verrijst, staat Zijn gemeente in en met Hem op. Daar is de Zaligmaker van alle rechtsvervolging ontslagen, niets meer is op Hem te vorderen. Hij is gerechtvaardigd, voor eeuwig en gekroond met eer en heerlijkheid; en Zijn Kerk in Hem. Alleen van daar uit, van de verrezen Borg uit, kan de Heilige Geest nu onderwerpelijk plaats gaan maken voor de vrijspraak van schuld en straf bij goddelozen en zondaren. Onlosmakelijk ligt het met elkander verbonden, verstrengeld 'gestorven om onze zonden, opgewekt tot onze rechtvaardigmaking'. Het is ongerijmd, maar… ware Christus in de dood gebleven, dan zouden wel alle deugden Gods zijn verheerlijkt, maar de bate ervan bleef buiten ons.
Christus heeft door Zijn kruis en opstanding voor Zijn gemeente de levendmakende Geest verworven om voor al Zijn weldaden plaats te maken.
Voor de rechterstoel van Christus
Toen we gedoopt zijn, is voor ons gebeden dat 'we ten laatste dage voor de rechterstoel van Christus, Zijne Zoon, zonder verschrikking verschijnen mogen'. Leeft dat gebed ook in ons hart? Is het destijds niet slechts vóór ons gebeden, maar wordt het ook nu nog dóór ons gebeden? Niet alleen om nog gered te mogen worden van de toekomende toorn, maar ook wanneer genade in ons leven is verheerlijkt, wanneer we mogen weten van 'de vreemde vrijspraak?' En dan zijn we bij de tweede vraag, 'wat de rechtvaardiging van de goddeloze van doen heeft met de wederkomst van de Heere Jezus', als Hij dan zal oordelen de levenden en de doden? Laten we dan mogen verstaan, dat, als we voor ons eigen hart en leven de rechtvaardiging mogen doorleven, dit een geheel persoonlijk gebeuren is, een zaak tussen de Drieënige God en onze ziel. Maar bij het laatste oordeel vindt de vrijspraak van schuld en straf van Gods kinderen publiekelijk plaats. Welk een dag zal dat zijn, als de Koning openlijk voor Zijn volk zal uitkomen, als het welbehagen Gods voor ieders oog zal blijken, en als het werk van de Heilige Geest waarlijk voltooid zal wezen. Welk een dag voor al Gods kinderen, wie ze ook zijn en wat ook van de stukken in de orde des heils is doorleefd, als ze daar voor aller oog zullen gerechtvaardigd blinken en als een reine maagd aan de Vader door de Zoon in de Geest zullen worden voorgesteld. Welk een dag, als de reine prediking dan zal bekrachtigd zijn en de leraars zullen bhnken als het uitspansel. Welk een dag voor allen, die zullen blijken buiten te staan voor eeuwig, omdat ze puur werelds hebben geleefd of licht of zwaar godsdienstig, zonder ware geloofskennis van de enige Zaligmaker, Die verkondigd is. En zouden wij daarvan in de prediking niet spreken? Handelen we niet met elkander als voor de troon en voor het gericht Gods? Is elke rechte bediening van Woord en sacrament ook niet een beroep op de Heere, de rechtvaardige Rechter? Juist met het oog op en in het licht van die dag krijgt de prediking zulk een gewicht, zulk een aandrang, zulk een appèl ook op allen, die onder het Woord zijn, om toch de zonde vaarwel te zeggen en te zoeken het leven bij Hem, in Wien het alleen is. En welk een bemoediging voor allen, die de Heere vrezen, om niet te versagen, om te volharden, om hun roeping en verkiezing vast te maken, om de onderlinge bijeenkomst niet na te laten en dat te meer, omdat de Dag nadert. Ook dit stuk, 'dat Jezus Christus zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden' zal niet verwaarloosd mogen worden, én niet, omdat we verantwoordelijk zijn voor zovele zielen, ter waarschuwing, én niet, omdat de Kerk de troost van de leer der laatste dingen niet mag onthouden worden.
Daarmede wil ik de gestelde vragen over de rechtvaardiging in verband met de prediking en het geestelijk leven afsluiten.
W. Chr. Hovius, K. a. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's