De vaderen zijn niet meer (1)
Enkele weken geleden plaatsten we in ons blad een artikel getiteld 'Drie Milieus', dit naar aanleiding van een wetenschappelijke studie van drs. G. C. de Haas, verbonden aan het pedagogisch-didaktisch instituut voor de leraarsopleiding van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Deze studie toont aan hoezeer de Haas thuis is in de vragen en problemen van de jeugd in de meest brede zin van het woord.Was deze wetenschappelijke studie zonder christelijke of godsdienstige a-priori's geschreven, anders is dat met een meer populair geschreven boekje van zijn hand, getiteld 'De vaders zijn niet meer.' (Uitgave Ten Have, Baarn, 114 pagina's, ƒ 14,50). Ook hierin blijkt de schrijver echter een deskundige op het terrein van het jeugdvraagstuk. Dit boekje was voor ds. C. den Boer aanleiding voor het schrijven van vier artikelen. In het eerste artikel geeft hij globaal de inhoud weer. In de volgende artikelen laat hij zien dat het boekje van De Haas enerzijds ontdekkend is maar anderzijds ook onthullend, prikkelend tot tegenspraak.De Redactie
Onder deze titel is onlangs een boek verschenen bij de uitgever Ten Have (Baarn) van de hand van drs. Gerard C. de Haas, docent jeugdkunde bij de afdeling 'leerlingbegeleiding' van het Pedagogisch-Didactisch Instituut voor leraarsopleiding (Rijksuniversiteit Utrecht). Het boek bevat een uitwerking van artikelen, die door de schrijver in 1977 zijn gepubliceerd in Hervormd Nederland. De vaderen zijn niet meer. Een veelzeggende titel, waarin onder woorden is gebracht, dat de tijd, waarin 'vader het voor het zeggen had' voorbij is. Het eenzijdig vaderlijke autoritaire gezag is én in het gezin én in de maatschappij weggevallen. In de plaats daarvan is de moederfiguur gekomen, die een dichtbij, sterk gevoelsmatig gezag vertegenwoordigt. Vooral in de zestiger jaren is het, naar het oordeel van de schrijver, tot een fikse breuk gekomen met het vaderlijke gezag. Dat waren de jaren van de geruchtmakende nozems. Het eerste hoofdstukje van het boek van De Haas gaat over Elvis Presley, een markante nozem. Ja, die jeugd van de zestiger jaren, de vetkuiven met hun bakkebaarden en strakke broek, het Ieren jasje en de knallende bromfiets, en niet te vergeten ook hun grote mond, die alle traditie en gezag scheen te tarten. Gek, maar de wereld raakt in betovering. En daarna in sterker mate nog door de Beatles met hun provocerende liedjes. Het wordt een wereldsucces. Zij worden straks zelfs de geestelijke leiders van het opgroeiend geslacht. Aan de voeten van de Incfiase wijsheidsleraar Maharishi Yogi Ieren ze zichzelf onder kontrole te krijgen en zich te verheffen boven de aardse bindingen aan hun jeugd, hun ouders, hun milieu, hun roem. Hun boodschap wordt er één van een allesomvattende liefde en vrede. En Brian Epstein, die dat niet ziet zitten, één van de grote voormannen van de Beatles maakt er een eind aan. Zijn leven eindigt met zelfmoord.
Nozems – Beatles – Punk-rock
De Haas laat het alles in zijn boek nog eens de revue passeren. Hij voert ons vervolgens de achterbuurten van de Engelse steden binnen en laat ons de harde wereld van de Punk-rock zien: jongeren met veiligheidsspelden door hun oorlel, soms zelfs door de wangen en hun agressieve muziek: 'De wereld is een grote rotzooi en je moet je maar zien te redden. De hoge heren trekken toch altijd aan het langste eind, maar je moet je niet op je kop laten zitten…'
En hoe reageert de Nederlandse jeugd op dit alles? Een aantal steekproeven op ruim veertig scholen van het voortgezet onderwijs in Nederland (1976), waarbij veertienhonderd leerlingen betrokken zijn, laat in elk geval de grote voorliefde van vele jongeren voor de popmuziek zien. Vooral de beeldbuis speelt in de vrijetijdsbesteding van de jongeren een grote rol. De sigaret en alkohol, hoe verschillend het gebruik daarvan ook is, zijn behoorlijk in trek. En wat de literatuur betreft, zijn het vooral de stripboeken, daarna de detectives, bij meisjes de weekendromans, waarnaar gegrepen wordt.
Het balen van de jaren 70
En dan komt in het boek van De Haas wat hij noemt 'het grote balen van de zeventiger jaren'. We lezen: 'Terwijl in de zestiger jaren de jonge generatie vol optimisme en zelfs overmoedig de maatschappij provoceerde tot verandering en vernieuwing, laat zij het in de zeventiger jaren afweten.' Het zijn de jaren van verveling, twijfel en soms wanhoop. De hartgrondige breuk met het beschutte gezinsleven en het vaderlijk gezag bij b.v. de Damslapers blijkt zich niet geruisloos te voltrekken. En de ideale rriaatschappij, waarin machines en computers al het werk doen en de mensen volkomen vrij zijn, laat op zich wachten. De grote werkeloosheid versombert het toekomstbeeld van massa's jongeren, die het voortgezet onderwijs volgen. In de strijd met het ouderlijk gezag lijkt de jeugd van de zeventiger jaren niet één twee drie als overwinnaar uit de bus te kunnen komen. Er treden grote spanningen op. Men baalt ervan.
Het probleem ligt bij de mannen
In elk geval de vaders zijn gevallen. Het is met hun gezag zo goed als gedaan. Onze tijd is er één van een vaderloze cultuur. 70-80% van de. ouderlijke bevoegdheden worden thans door de moeder uitgeoefend. De vaders zijn overbezet met hun functie in de maatschappij en als ze thuis zijn, verbergen ze zich afwezig achter de krant of zitten zwijgend voor de t.v. Moeder moet alles alleen bedisselen. De vaders zijn gevallen. En hun zonen, de toekomstige vaders staan er als beteuterde jongens bij. Het zijn vooral de meisjes, die in de woelige zestiger jaren uit de kluiten gewassen zijn. Zij groeiden de jongens boven het hoofd. Zij emancipeerden eersteklas. Zij roken nu net zoveel als de jongens, gaan even vaak 's avonds uit en komen laat thuis, al of niet aangeschoten. Zij zijn dankzij de sexuele revolutie met zijn anticonceptionele middelen niet meer de eerste lijdende partij. Zij zijn leidende partij geworden, veel vroeger rijp.
Vooral in Limburg komt het voor, dat meisjes van 14, 15 jaar al een complete uitzet met kleurentelevisie en een stereo-installatie bij elkaar hebben gespaard en daarbij nog ƒ 1000,– achter de hand hebben voor een fotoreportage van het a.s. huwelijk en dat zonder dat ze nog een (vaste) verkering hebben. Door het feminisme zijn de vrouwen gaan nadenken over zichzelf. De mannen zijn nog niet zover. Nogmaals de toekomstige moeders overvleugelen de zonen van de gevallen vaders grandioos. De tijd van een eeuwenlange beschaving, waarin de vrouw of als hoer of als kuise jonkvrouw werd gezien en behandeld, is voorbij. Het eigenlijke probleem ligt dan ook bij de mannen. Wat is hun rol eigenlijk nog in de maatschappij en in het gezin? Zij kunnen hun ei niet meer kwijt. En al verdienen ze soms met aandoenlijke hondetrouw het geld voor vrouw en kroost, zij worden als vader en echtgenoot in het huiselijk leven bepaald niet meer gerespecteerd als vroeger. En zo beginnen huwelijken te kraken en te breken, juist tussen 35 en 40 jaar, als de vrouw innerlijk volwassen is geworden en de man er nog net niet aan toe is.
De kerk met twee linkse handen
En hoe staat de kerk nu tegenover al deze veranderingen? Haakt ze in op wat er zich afspeelt onder de moderne jeugd? Helaas, ze is volgens De Haas verburgerlijkt en aan haar tradities gebonden. Zij staat met twee linkerhanden te kijken naar moderne buitenkerkelijke religieuze bewegingen onder de jongeren. En dat die jongeren echt nog wel ergens in geloven, staat in de kerk bij voorbaat in de verdachte hoek. Ja, maar is die route, die vele religieus bewuste jongeren vandaag volgen, ook al staat ze haaks op de verburgerlijkte theologie en kerk, werkelijk wel een route, die zoveel verschilt van die van het Evangelie? Kijk naar Franciscus van Assisi (ongeveer 1200), de vaderlandloze, buitenmaatschappelijke zwerver, die in een levenslange pelgrimage op zoek was naar God. Het oude India en de oud-Griekse wereld kende ook zulke zwervers. Fanciscus – de heilige clown. En was Jezus veel anders? Een rondzwervende koningsclown, met wie Romeinse soldaten hun spel speelden, maar die als de grote zwerver in het licht en de liefde met zijn armoedebeweging de gevestigde samenleving doorkruiste. De musical 'Godspell', één van de meest authentieke voortbrengselen van de moderne religieuze tegencultuur is dan ook in de roos geschoten: Jezus, die met zijn discipelen als een troepje rondzwervende clowns voortdurend de rust en de orde in de maatschappij verstoren. Denk ook aan de prachtige liefdesballade van de moderne Maria Magdalena in de musical 'Jesus Christ Superstar'. Welnu staat dat alles zover van wat moderne (religieuze) jongeren bezielt: het zich gelukkig voelen temidden van het afval van de beschaving, het verheerlijken van het bestaan in vuilnis en drek? Dit is niet zozeer als wel teken van nihilisme, anarchie en decadentie, zoals velen denken, alswel een teken van een bemoedigend herstel van de fundamenten van de cultuur en van het christendom. Helaas… de verburgerlijkte kerk wil daar niet van weten, aldus drs. De Haas. Kijk b.v. maar naar het nieuwe liedboek, een maaksel van een zeer litterair en esthetisch ingestelde kleine groep van mensen, hooggeschoolde musicologen en fanatieke archivarissen, maar zonder antenne voor wat de jonge generatie bezielt. In dat liedboek geen pop-melodieën en -teksten, geen gospelsongs. Geen wonder, dat de 'half-sectarische' EO met een flinke scheut pop en folk, Johan de Heer en 'vaste rots van mijn behoud' de jeugd veel meer aanspreekt. Zij worden meegesleept door Gert en Hermien. De Haas noemt het liedboek van de kerken de merkwaardige zondeval van de kerken in de zestiger jaren. Hoe komt het, dat Ben Hoekendijk met zijn 'One-way day' de jongeren wel aanspreekt? Is het niet, omdat zij daar het gevoel hebben door de bindingen met hun ouders en milieu heen te kunnen breken om zelfstandig ja te zeggen tegen God?…
Het boek van De Haas wordt hoe langer hoe meer een felle aanklacht tegen de kerk. Waar is die kerk gebleven in de vjjftiger jaren, toen er een massale oecumenische beweging onder de jongeren ontstond: de kerken één, anders doen wij niet meer mee? Waar is de kerk gebleven in de zestiger jaren, toen de leus van inspraak, democratisering en aanvaarding van de alternatieve levensstijl opgeld deed? Zij deed niet mee! Waar is de kerk gebleven in de zeventiger jaren, toen in plaats van deze leus de vraag opkwam: Wie ben ik, wat is mijn identiteit en toen religiositeit met sprongen omhoog ging? De kerk liet de jongeren met hun geloofsvragen schieten. Laat de kerk eindelijk eens wat gaan doen: één-worden, inspraak verlenen, antwoorden geven…!
Het proletariaat van de heilige geest
Zit het er in? De Haas heeft niet veel hoop. Immers de verhouding tussen de jeugd en de kerk is in de afgelopen eeuwen al zo grondig verstoord geweest door de apartheidspolitiek van de verburgerlijkte kerk en theologie jegens de jeugd. De kerk is uitsluitend kerk van de middengroep (burgerij) geweest. En die heeft altijd haar machtspositie in sociaal en economisch opzicht tegenover de adel enerzijds en het proletariaat anderzijds moeten verdedigen. En ze heeft dat gedaan met een stoere en pure leer, waarin het alleen over Christus ging. Karl Barth b.v. heeft door zijn exclusieve uitgangspunt van de openbaring van het gans andere alles, wat er aan heilige geest (n.b. met een kleine letter) in (jonge)mensenharten kan leven, van de tafel geveegd, terwijl juist het christendom van het proletariaat het vaak bij de heilige geest heeft gezocht (pneumatologisch was).
Van verzet tegen en verzoening met 't gezag
Nog een hoofdstukje in het boek van De Haas over de aardse en de hemelse vader van Maarten Luther, de man die, naar het oordeel van de schrijver, heen brak door het onaantastbare gezag (zijn eigen vader, de paus. God) om zo tot een echte ontwikkeling van zijn persoonlijkheid en tot een volwassen geloof te komen. En dan komt in het boek van De Haas tenslotte de toepassing naar het adres van de pastores toe. Laten zij toch vooral present zijn in die periode van het mensenleven, tussen onmondigheid en mondigheid, waarin de mens zich diep bezighoudt met fundamentele vragen naar geloof en ideologie. Laten zij hun startpunt kiezen in de gezagsproblemen van de jonge mensen, hen helpen zich los te maken van het dwingende uitwendige gezag, zodat het eigen innerlijke gezag een kans van ontkiemen en groei krijgt. En dan zal het de ervaring zijn, dat jonge mensen in 't algemeen veel te vroeg verondersteld worden rijp te zijn voor een beslissing, veel te vroeg ook geloofsbelijdenis afleggen. De belijdenis verzegelt de verzoening met het hoogste gezag in het leven. Maar die vindt bij de vrouwen gemiddeld pas op vijfendertig-jarige leeftijd en bij mannen op veertigjarige leeftijd plaats. Eerst dan, als de mens los genoeg is komen te staan van de natuurlijke bindingen aan het verre ondoorgrondelijke en gebiedende vaderlijke gezag en aan het verleden, kan hij er zich weer mee verzoenen en is hij in staat zich minder krampachtig en angstig tot God te wenden, omdat hij dan bereid is zichzelf in zijn gegevenheid en beperkingen te aanvaarden.
Religie is menselijk
Dat alles moet de pastor weten. En waarom zou hij dan niet een grote positieve waarde toekennen aan religieuze ervaringen en emoties, ook van de jonge mensen. Die zijn, zeer ten 'onrechte, in de pastorale theologie van Eduard Thurneysen, als bijgeloof verdacht gemaakt. En daarmee triomfeert de burgerlijke afstandelijkheid en mannelijke verstandelijkheid. Alles komt hier op de noemer te staan van de openbaring van buitenaf. En nu gaat het niet aan om alles wat dramatisch of geëngageerd is, religieus te noemen. En onze pastorale bemoeienis bestaat ook niet uit een soort veredeling en verfijning van de gevoelens en emoties van het mensenhart (R.K. pastoraat). Maar in elke leeftijdsfase is er nu eenmaal de religieuze beleving op een eigen wijze en de jeugdjaren vooral zijn fase van de heilige geest. Daarom zal een rechtgeaard pastoraat juist dan en daar zoeken te begeleiden. En dat krijgen wij niet rond op de manier van EO, Youth for Christ en de Gereformeerde Bond. De jongeren schijnen daar wel een voorlopig toevluchtsoord te vinden. Maar straks, als de intimiteit van de koffiebar en de gezelligheid van de Bijbelgroep wegvalt, staan zij, jong volwassenen, eenvoudig in de kou. Laten psychologie en theologie, laten zielzorger en psychotherapeut in elk geval elkaar de helpende hand bieden.
'De religieuze beleving hoort net zo goed bij de normale menselijke beleving als deze laatste voortdurend een religieuze dimensie vertoont.' Dat is de laatste zin in het boek van De Haas. In dit artikel over dat boek stof genoeg, denk ik, om over na te denken. Ik moet ook eerlijk zeggen, dat alles, wat De Haas ons hier biedt, me tot diep in mijn ziel heeft aangegrepen. Ik vind het een ontdekkende preek. En daar heb ik als gereformeerde bonder echt wel wat mee op. Maar ik heb tegelijk over dit boek zoveel op mijn hart, dat ik het niet laten kan om er nog enkele artikelen aan te wijden. Graag op de man af.
C. den Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's