Het hart van de gemeente
N.a.v. een brief en een voorstel
Dezer dagen vond ik een brief van een reeds vele jaren geleden overleden predikant, die in de vooroorlogse jaren een actieve plaats had in Hervormd Gereformeerde kring, maar die door allerlei ontwikkelingen een andere koers koos en terecht kwam in een gemeente in het midden van de Hervormde Kerk, een gemeente in die brief door hemzelf getypeerd als 'goed-geefs en slecht-kerks'. Hij gaf nu in deze brief, de door hem geschreven werd niet lang voordat hij overleden is, de wens te kennen terug te keren tot een zogeheten G.B. gemeente. 'Van de kerkpolitiek zag hij af', maar – zo zegt hij – 'de theologische instelling met al de aankleve van dien ligt mij meer in de Bondsgemeenten.' Deze zin bleef bij mij haken en daarom borduur ik er wat op door; óók afziende van kerk-politieke redenen en verder beseffend dat wat als 'de Bondsgemeenten' wordt aangeduid niet persé gelijk behoeft te staan met gemeenten, waar een predikant staat, die tot de Gereformeerde Bond behoort.
Die gemeente ligt nl. dwars door de hele kerk heen.
Gemeentetheologie?
Er is door de tijden heen vaak smalend gesproken over het gewone volk in de kerk, binnen de gemeente. Ook vandaag maakt men het mee, dat het bezig zijn met de vragen van het persoonlijk heil, of ook kerkelijke trouw en meelevendheid, of het in groten getale bezoeken van toogdagen – om maar een paar dingen te noemen – wordt geëtiketteerd met woorden als zelfbevestiging, heilsegoisme, zelfs farizeïsme of traditionalisme. Nu zouden er best hele verhandelingen te geven zijn over vergroeiingen en ontsporingen in dit opzicht, ook over vele dingen waaraan voorgangers vaak geleden hebben in de praktijk van de gemeente. Maar de bekende ds. C. B. Holland schreef vroeger eens, dat hij ondanks alles hield van het volk, waarvan hij ook menigmaal een deuk had gelopen.
Er is een volk, dat jaar in jaar uit gevraagd heeft náár en gevoed is dóór de gereformeerde prediking, of het nu in of buiten de Hervormde Kerk, in of buiten de Gereformeerde Bond is, waardoor er inderdaad onderscheid is tussen gemeenten in de verschillende kerken en binnen de Hervormde Kerk. Als ik over 'de theologische instelling met al de aankleve van dien', waarover bovengenoemde predikant wat de Bondsgemeenten betreft, nadenk, dan gaat het dunkt me om zaken als de worsteling om de heilszekerheid, het beven voor de majesteit van het Woord, het besef van de heiligheid der sacramenten, het bevindelijke leven van de verborgen omgang met God, het zicht op de souvereine genade, het spreken over de dingen van God en Zijn Woord. Ik idealiseer hier niet. Soms liggen deze dingen in de gemeente echt niet zo klaar en duidelijk, soms zijn ze ook bedekt door stof van traditie of door eigenwillige godsdienst. Maar er is een gemeente, die als bij intuïtie weet waarom het gaat, die soms op de klank lijkt af te gaan maar die een orgaan heeft, dat gestempeld is door een jarenlange prediking, waarin ernst gemaakt wordt met het heil van de gemeente, zeg met het eeuwig heil van mensen, voor Gods Aangezicht.
Men kan interessante en boeiende kerkelijke discussies meemaken, gesprekken op hoog theologisch niveau – en dat is allemaal nodig – maar het geheim van de kerk ligt dáár, waar geworsteld wordt aan de troon der genade, waar mensen in de ruimte gezet worden van het heil nadat soms 'de golven en de baren' over hen zijn heengegaan. Ik houd het erop, dat dáár de kern van de gemeente is waar stille godsvrucht is, waar de hoop op Gods belofte levend gehouden wordt door de Geest des Heeren, die in de harten werkt, onwederstandelijk. Waar weet is van 'arm-makende genade', dat wil zeggen van die genade, die mensen arm maakt in zichzelf om ze zo rijk te doen zijn in God. Waar de vreugde is in het spreken over de eeuwige dingen, soms vanuit eigen bekommernis, vanuit eigen gemis maar met een uitziend verlangen.
Als ik de dingen zo stel dan gaat het niet om 'de Bondsgemeente' want die bestaat eigenlijk niet. Maar we mogen veilig stellen, dat er in heel wat gemeenten een prediking is waar dit leven, zeg het leven uit de religie van de belijdenis, niet gewekt wordt en niet gevoed wordt zodat er toch sprake is van een ándere gemeentelijke inslag.
Ik weet van de moeite en de spanning, geestelijk gezien ook, die er in 'de Bondsgemeenten' kan zijn. Men kan er heel wat deuken oplopen. De dingen kunnen soms krom verwoord worden. Er is soms alle aanleiding om scherp ontdekkend de dingen aan de orde te stellen. Maar dan nóg komen die dingen aan de orde – in de worsteling om de gemeente – die elders vaak helemaal niet (meer) aan de orde zijn.
Er is weliswaar een gemeentetheoligie, die levensgevaarlijk is. Deze funktioneert in een prediking die biedt wat 'men' graag hoort, terwijl men er onbewogen onder blijft. Er is echter ook een theologie, die de gemeente ráákt – ontdekkend en vertroostend – tot in het dïepst van haar bestaan, een theologie, die ontspringt aan het geloof van (in) de gemeente, van het volk, dat in de bijbelse zin van het woord het geklank kent.
De predikant, die bovengenoemde brief schreef zei van de gemeente waar hij terecht gekomen was: 'Interne conflicten met kerkeraad, of gemeente doen zich hier niet voor. Alles heeft hier een kalm verloop.' En toch: 'er zijn talloos veel desillusies'. Ik denk dat wat hij schreef de ervaring is van meerderen, omdat men het volk kwijt geraakt is, waarin bedekt of frank en vrij het zaad van het Woord een bodem heeft waarin het ontkiemt.
Een vraag aan ds. Nijssen
Elders in dit blad staat vermeld, dat ds. F. N. M. Nijssen van 'Kerk en Wereld', in een geruchtmakend artikel in Trouw, het voorstel doet om tot kerkelijke boedelscheiding over te gaan. De Gereformeerde Bond zou maar 'een eigen zelfstandig kerkgenootschap' moeten worden, een déélkerk. Nu weet ik niet hoe hij zich dat voorstelt. Wat zou dat namelijk niet geweldige repercussies geven! Geen enkele hervormde gemeente is immers een uniforme gemeente? Maar ik vraag me wel af of ds. Nijssen inderdaad wel heeft gedacht aan de werkelijke geméénte, die achter wat dan de Gereformeerde Bond heet oprijst. Dat is een gemeente, die lang niet altijd ingevoerd is in de kerk-politiek, die lang niet altijd afweet van wat er in de kerkelijke organen plaats vindt, van de discussies die zich voltrekken. Het is gewoon een gemeente, die reageert op de prediking. Ds. Nijssen weet niet wat hij zegt als hij die gemeente maar direct verbindt met het Roomse conservatisme van Gijsen en Simonis (men zie het overgenomen stukje).
In ieder geval verzeker ik ds. Nijssen, dat, áls het tot de door hem bedoelde boedelscheiding zou komen – wat niet te hopen en soms wel te vrezen is – dat bij mij dan – en nu laat ik de Gereformeerde Bond als organisatie volstrekt' buiten beschouwing – het bloed zal kruipen waar het niet gaan kan en ik dan kiezen zal voor die, door hem als conservatief gedoodverfde gemeente. In die gemeente zal dunkt me méér de bloedsomloop door geestelijk leven naar de belijdenis bepaald worden dan in de gemeente, die ds. Nijssen overhoudt. Al zal ook die gemeente het doorbrekend werk des Geestes zeer nodig hebben.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's