In het honderdste jaar
Op 23 januari 1979 was het honderd jaar geleden, dat de Unie 'Een School met den Bijbel' werd opgericht. Zaterdag 20 januari 1979 werd het honderdjarig bestaan van de Unie (nu de Unie 'School en Evangelie') stijlvol gevierd. In een prachtig gedenkboek, getiteld 'In het honderdste jaar' geeft de Unie zich rekenschap van deze eeuw.
Samen met de toespraken van drs. T. M. Gilhuis en prof. H. Berkhof geeft dit gedenkboek ons een goede bezinning op het christelijk onderwijs.
Niet vanzelfsprekend
School en Evangelie horen niet vanzelfsprekend bij elkaar. Berkhof stelt: 'In de eerste drie eeuwen heeft het Evangelie zich zonder scholen uitgebreid én zonder scholen tenslotte het romeinse rijk veroverd. In de afgelopen halve eeuw heeft het christelijk geloof zich in Rusland wonderlijk gehandhaafd, terwijl het dagelijks op de scholen wordt afgebroken. Omgekeerd heeft in Nederland de veelheid van christelijke scholen de snelle ontkerstening niet kunnen tegenhouden'.
Inderdaad, de Heilige Geest heeft de christelijke school niet nodig, – maar wil het onderwijs wél gebruiken.
Dat niet-vanzelfsprekende mag ons niet verleiden de ontstaansgeschiedenis van de school met de Bijbel af te doen met de bewering dat hier sprake was van een emancipatiebeweging: Alleen om de 'kleine luyden' meer ontwikkeling en zelfrespect te geven. Berkhof en Rijnsdorp wijzen hier terecht op en het is goed dit nog eens met nadruk te stellen. De Schoolstrijd van de vorige eeuw is niet sociologisch te duiden, maar heeft religieuze wortels, het ging om 'geestelijke ademnood'.
Rekenschap
Intussen kan men niet om de vraag heen: waar staan we nu, na honderd jaar? Het gedenkboek geeft hierover allerhande informatie.
Dr. Rijnsdorp in zijn boeiende bijdrage 'Met vreugd naar school', terugkijkend op zijn eigen schoolperiode rond de eeuwwisseling, somt een aantal zaken op die de eerste periode van de Unie kenmerkten maar waarover nu totaal anders wordt gedacht:
– De herkerstening van ons volk was aanvankelijk een ideaal, maar dit ideaal is thans verdwenen.
– Kenmerkend voor de eerste fase was ook dat de aanzienlijken (de mensen met lange namen) de toon aangaven. Het eenvoudige christenvolk zag hoog tegen hen op en volgde de leiders. In deze tijd van democratisering is dit element voorgoed voorbij.
– Het 'vaderland' speelde in de begintijd een grote rol. Het ging om het nederlands Calvinisme, wat nu als een te nationalistisch versmald christendom wordt gezien.
– De chr. school, de Unie, had in de beginfase een blinde plek voor het structurele onrecht op sociaal gebied.
En Gilhuis merkt in zijn toespraak op: 'In de strijd om een school met de Bijbel zijn misslagen te signaleren', hij noemt dan: De annexatie van de gehele vaderlandse geschiedenis voor de zaak van het Calvinisme en de gelijkstelling van de opstand uit de 16e eeuw met eigen Schoolstrijd (de schoolgeuzen). Ook de vereenzelviging van eigen zaak met Gods Zaak neemt soms triumfale trekken aan.
Wanneer we ons rekenschap geven van de betekenis van de Schoolstrijd ontkomen we niet aan een zekere relativering: de 18e eeuwse schoolstrijd was mede een antwoord op het cultuurprobleem van die tijd. Zo vele jaren na deze strijd treedt ook een zekere distantiename op. De vereenzelviging met Gods Zaak is in de hitte van de strijd te verstaan, maar daar moet wat op worden afgedongen. Bij de schrijvers van het gedenkboek blijft de positieve waardering overwegen, ook al verdoezelt men niet de zwakke plekken.
Ingrijpender is het wanneer de grondbetekenis van de 'werkers van het eerste uur' niet meer wordt gevat. In veel bijdragen van het boek en ook in de lezing van prof. Berkhof komt deze tendens naar voren.
Berkhof zegt jarenlang getwijfeld te hebben aan het chr. onderwijs. Maar nu het chr. onderwijs vooruit gaat lopen t.o.v. samenlevingsvragen, nieuwe levensstijl enz., nu boeit hem het chr. onderwijs weer. Grondslagdiscussies en een stoer terugwijzen naar de patronen der vaderen hebben voor hem afgedaan. Eveneens het vasthouden aan bepaalde theologische tradities en kerkelijke gedragspatronen.
Als dát de chr. school is… hoeft het niet meer.
Hieruit spreekt een geest die in wezen haaks staat op wat de Schoolstrijd wilde, nl. de vrijheid dat het Woord van God ongebonden en niet gemuilkorfd op de school kon funktioneren, dat het gezag van de Bijbel onbetwistbaar bleef. Wanneer nieuwe filters, zoals de maatschappelijke betekenis, het gezag van het Woord gaan bepalen, zijn we verwijderd van de geest van hen die aan de bakermat van de Unie stonden.
Verschillende artikelen ademen deze geest.
Ik noem de bijdragen over de godsdienstige vorming in basis- en voortgezet onderwijs met 'n sterk relativerender strekking: 'godsdienstonderwijs op de chr. school moet rechtdoen aan de pluraliteit van de godsdiensten: het mag geen verkondigend element hebben, het is een schoolvak met (in de betekenis van: in-gezelschap-van) de Bijbel.
Zouden de eerste leden van de Unie zich in deze uitspraken hebben herkend? Ik meen stellig van niet.
Samenvattend: het gedenkboek geeft zich rekenschap van de geschiedenis van de Unie, op een wat ambivalente wijze. Enerzijds wil men de verbondenheid met de voortrekkers tot uitdrukking brengen, anderzijds is er een distantiename – zeker ten aanzien van de beginselen.
Oordeel van buitenstaanders
In het gedenkboek is plaatsruimte ingeruimd voor buitenstaanders.
Dr. Derksen, werkzaam bij het openbaar onderwijs, noemt zijn bijdrage: 'Kleur bekennen gewenst'. Onder bepaalde voorwaarden erkent hij het streven naar een eigen bijzondere school, maar dan moet deze school wel duidelijk zijn. Aan een verwaterde christelijke school waar personeel en ouders de programma's niet onderschrijven, bestaat nu en in de toekomst geen behoefte, zo vindt hij. De christelijke school moet meer kleur bekennen, moet meer haar doelstellingen waar maken.
Mr. Schelfhout, als vertegenwoordiger van het r.k.-onderwijs, vindt dat de schoolgeschiedenis te veel vanuit de calvinistische visie is geschreven. Er moet ruimte komen voor de geschiedenis van openbaar- en r.k.-onderwijs. Kenmerk van de calvinistische onderwijsgeschiedenis is dat deze vooral over kansen voor het getuigenis handelt, waarbij de lotgevallen van het schoolweken slechts begeleidende omstandigheden lijken te zijn. Een in kritische toon geschreven artikel.
Toch leemten?
Ieder is het erover eens dat met de gelijkberechtiging van openbaar en bijzonder onderwijs geen eindstreep bereikt is. Prof. Gerbrandy in 1933: 'Nodig is ontplooiing van het christelijk karakter der school in heel haar bouw en toepassing in de praktijk'.
Hordijk raakt in zijn bijdrage een gevoelige kern wanneer hij duidelijk maakt dat de eigen vormgeving van het christelijk onderwijs nog nauwelijks op gang is gekomen. Aanzetten tot een eigen pedagogiek en didaktiek zijn er geweest: Bavinck, Lankamp, Waterink, maar verder dan het aandragen van bouwstenen is de christelijke school ook nu nog niet gekomen. Een ontdekkend artikel dat aanspoort tot verdere doordenking en verder werk.
Over de grenzen
De Unie is op dit moment vooral bekend door de collecte voor het scholenwerk in de Derde Wereld. Een laatste artikel van de hand van drs. Bootsma gaat over het christelijk onderwijs in de Derde Wereld. Vanuit de derde wereld gezien zijn vele van onze vragen niet belangrijk. Het probleem daar is niet wat er wordt ondernomen maar dat er geen school is. Het aantal scholen neemt wel snel toe, maar toch is van 1965 tot 1975 het aantal analfabeten in de ontwikkelingslanden toegenomen van 745 tot 800 miljoen. Maar dan krijgt, aldus Berkhof, de verbinding die gelegd is tussen 'School en Evangelie' iets van een historische en kerkhistorische noodzaak. Zending en onderwijs horen bijeen.
Tenslotte
'In het honderdste jaar' is een bijzonder boeiend boek geworden dat ons iets van de erfenis uit het verleden laat zien, maar alle onderwijsgevenden ook werk meegeeft. Het is in kritische verbondenheid met de vaderen van de Schoolstrijd geschreven; hier en daar té kritisch en ondanks de verbondenheid in verschillende bijdragen vanuit een andere geest. Maar hierin drukt zich de identiteitscrisis van het christelijk onderwijs uit.
Het christelijk onderwijs als christelijke organisatie lijkt een aangevochten zaak. In de eerste 75 jaar van de Unie-geschiedenis was het geen vraag of een organisatie christelijk kon heten. De laatste 25 jaar wel. Deze vraag bepaalt mede de crisis in de ontwikkelingsgang. Of, om het met de woorden van Rijnsdorp te zeggen: 'De benaming 'christelijk' drukt naar mijn inzicht geen eigenschap, maar een ideaal en een opdracht uit. Strikt genomen kunnen alleen mensen christen zijn en in hun beste ogenblikken christelijk, dit wil zeggen in de geest van Christus, handelen. Strukturen kunnen door christenen worden gevormd, met christelijke bedoelingen, maar in zichzelf kan geen struktuur ter wereld christelijk heten.
Een christelijke school of partij kan in en uit zichzelf nooit christelijk zijn, al heet ze zo, indien ze niet gedragen wordt door christelijke persoonlijkheden'.
Toch hopen we dat de Unie, getrouw aan de beginselen van de grondleggers, als christelijke organisatie de tweede eeuw van haar geschiedenis mag ingaan, om mede gestalte te geven aan het christelijk onderwijs. Het feit dat wij christelijke scholen mogen hebben is uniek in de wereldsituatie. Dit mooie boek herinnert er ons weer eens aan.
M. Burggraaf, Krimpen a/d IJssel
N.a.v. 'In het honderdste jaar' – Gedenkboek Unie 'School en Evangelie',
Kampen 1979 ƒ 27,50, 272 pag.
H. Berkhof: De christelijke school als dienst aan de samenleving.
T. M. Gilhuis: Het geslacht der woestijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's