De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een moedige strijd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een moedige strijd

'Het vaste verbond'

8 minuten leestijd

Er werd reeds door ons opgemerkt, dat prof. dr. C. Graafland een bijzonder charisma bezit wat betreft de prediking van het Woord. Bij al zijn bemoeienis met de theologie op de school, vergeet hij nooit de uiteindelijke betekenis ervan voor de kerk. In zijn nieuwste boek*) blijkt ons, dat hij het bepaald niet te min vindt om steeds af te dalen naar het niveau van de 'gewone' verkondiging. Het is me dunkt een geweldig plus van zijn theologiseren. Heel duidelijk komt daarin uit, dat hij allerminst de preekstoel voor de leerstoel heeft willen ruilen.

Wet en evangelie
Wanneer we in dit boek de toespitsingen in de richting van de prediking nagaan, krijgen we een aardige dwarsdoorsnee van 'Het vast verbond'. Telkens bemerken we dan, dat de ootmoedige leerling van Calvijn ook een moedig strijder is tegen uitwassen naar links en rechts. In verband met het dikwijls gebezigde begrippenpaar 'wet en evangelie' merkt Graafland aan de ene kant op hoe een belangrijke oorzaak van de nood van de hedendaagse prediking in de reformatorische kerken gezocht moet worden in een funktieverlies van het evangelie, omdat de wet niet meer in haar volle omvang wordt verkondigd. Niet minder bestaat er echter een gevaar aan de andere zijde, zijns inziens. 'Wij denken dan aan een prediking van de wet, die min of meer opgaat in haar aanklagende funktie. (…) Het komt voof dat men een zelfs strak-luthers schema hanteert. Men beschouwt dan het ontdekkend werk van de wet, met als vrucht de kennis der zonde, strikt als een voorbereidend werk van de wet op de genade. Als zodanig staat zondekennis nog buiten de zaligmakende genade van God in Christus en dus ook buiten het zaligmakend geloof' (pag. 51).

Niet altijd behoeft dit in een dogmatisch gestruktureerde vorm te gebeuren. Er is ook een prediking, waarin veel over de noodzakelijkheid van de zondekennis wordt gesproken. 'Men spreekt dan meer objectiverend (voorwerpelijk) over de noodzakelijkheid van de zondekennis dan dat men actualiserend, werkelijk ontdekkend, de wet zelf preekt. (…) Niet zelden wordt veel tijd en energie in de prediking besteed wordt aan vragen omtrent wat er nu allemaal gekend moet worden voordat men op zaligmakende wijze gelooft. Terwijl de eigenlijke bedoeling van de wetsprediking is dat Christus zelf met al zijn gaven en weldaden in het volle licht wordt geplaatst' (pag. 52).

Welke prediker is er die zijn dwalingen kan doorgronden? Graag wensen we – met name ook om het hierboven gestelde – het nieuwe boek van Graafland in veler handen. Niet alleen voor predikanten, maar ook voor ouderlingen is het nuttig zo iets te lezen. Het gesprek in de consistoriekamer kan daardoor boven de gebruikelijke algemeenheden uit komen.

Belofte en vervulling
Verhelderend is het om te lezen wat over de verhouding van belofte en vervulling te berde wordt gebracht. In de theologische ontwikkeling na Calvijn werd gaandeweg minder de aandacht gericht op de heilshistorische gang der Openbaring, dan wel op de heilsórdelijke gang van zaken in het toepassen van het heil in het hart en leven van de gelovigen. Graafland beschrijft intussen het patroon van piëtistisch geloofsleven met grote mate van waardering. Wat is het leven in de tijd van de belofte? Het is het uitzien naar het heil, hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Christus, terwijl nog niet de vrijmoedigheid er is om Christus zichzelf toe te eigenen als zijn Zaligmaker. Een zoekend en verlangend christen is nog geen bevestigd christen (pag. 75v). Ik heb het idee, dat op dit punt vooral de lichtzijden van de bevindelijkheid en niet de schaduwzijden getekend worden. Van Ruler – die in dit verband één en andermaal geciteerd wordt – heeft dat zelf namelijk wél gedaan in zijn geestelijk testament ('Ultra-gereformeerd of vrijzinnig).
Graafland noemt het gevaar van verschraling door 'verinnerlijking en verindividualisering, zodat de wijde omtrekken van Gods heilsopenbaring en dus ook van zijn beloften niet meer worden herkend en erkend' (pag. 78v). Persoonlijk zou ik het overigens op prijs gesteld hebben als ook de diagnose van de kwaal inzake de toeëigening van het heil duidelijker uit de verf zou zijn gekomen.

Israël
Zeer gesticht werd ik door hetgeen te lezen is in het slothoofdstuk over 'de plaats van Israël in de prediking'. Wanneer de lezer de hand in eigen boezem steekt, zal vermoedelijk de vinger (vol melaatsheid) niet beschuldigend naar de ander behoeven te worden uitgestoken. Als Graafland constateert, dat de heilsboodschap, die in het Oude Testament vaak heel concreet en aards-nationaal verkondigd is, dikwijls wordt vergeestelijkt, d.w.z. van haar aardsstoffelijke, nationaal-politieke trekken wordt ontdaan, dan vraag ik: maar wie preekt niet zó; of wie beluistert niet graag (mét Graafland) zúlke preken?

Gelukkig dat Graafland niet slechts van dergelijke mooie, bevindelijke preken geniet vanwege de geestelijke leiding, die daarvan uitgaat voor het persoonlijk geloofsleven, maar dat hij ook verklaart de vergeestelijking als een pijnlijke operatie te hebben ondergaan. Met zijn eigen woorden: 'In feite behandelt men de tekst als een symbolische weergave van een heilsverkondiging (…) bestemd voor de ziel van de persoonlijke mens. (…) Het is echter onweerlegbaar dat hier de oudtestamentische tekst geweld wordt aangedaan. ledere prediker die eerlijk en consciëntieus met de Schrift omgaat, voelt aan, dat hier iets wordt geforceerd' (pag. 170).
Het is moedig van Graafland om dit euvel zo onverschrokken aan te wijzen. Te meer omdat hijzelf ook als zijn mening te kennen geeft, dat dit kenmerkend voor een groot aantal preken is. De nood is hem echter opgelegd, omdat we zó niet alleen aan Israël tekort doen, maar ook aan de waarachtigheid van Gods Woord. Wat God niet is nagekomen ten aanzien van Zijn volk, eigenen wij onszelf maar toe. Zeer snedig merkt hij dan op: 'Wij mogen er wel aan denken, dat dit wel eens een onrechtmatige toeëigening zou kunnen zijn, een stelen van de belofte, waarvoor velen in piëtistische kring zo bevreesd zijn' (pag. 172).

Belijdenis
Het getuigt van de nodige moed, dat Graafland zich ook openhartig durft uit te spreken over de vraag of Israël een plaats dient in te nemen in het belijden van de kerk. Inhakend op een stelling uit de nota van de Gereformeerde Bond 'Positie en beleid' vraagt Graafland zich af, of we nog wel kunnen volstaan met wat we aan belijdenis-uitspraken in de kerk bezitten, in de overtuiging dat daarin 'in-principe alles is gezegd'.
Of moeten wij tóch in ieder geval ruimte geven aan een voortgang in het belijden (pag. 13)? Mijns inziens wordt deze netelige problematiek evenwichtig benaderd. Als uitgangspositie kiest de schrijver voor de opinie, dat 'het niet voorkomen van Israël in de klassieke belijdenissen niet maar een randverschijnsel blijkt te zijn, maar heeft te maken met de kern en de struktuur van de reformatorische theologie. Dit zou direkt al tot de conclusie kunnen leiden, dat het alsnog inbrengen van Israël in het belijden van de kerk een fundamentele verschuiving binnen het reformatorische belijden tot gevolg zal hebben' (pag. 8).
De hoofdgedachte in de belijdenis neigt in een heel andere richting dan de huidige gedachten betreffende het Oude Testament en rond Israël.
In artikel 25 bemerken we immers, dat het aards-stoffelijke karakter van het Oude Testament zijn geestelijke vervulling in Christus gevonden heeft en dat in de plaats van het volk Israël de christelijke kerk, ofwel het geestelijke Israël gekomen is.
Een gewijzigde visie op het Oude Testament en Israël kan ook dynamiet betekenen onder wat we belijden in artikel 16 over de verkiezing én in artikel 37 over de leer van de laatste dingen. Graafland meent in de loop van zijn onderzoekingen, dat er op zijn minst reden is om deze zaak opnieuw te bezien en tot objekt van de kerkelijke en theologische bezinning te maken (pag. 120). In een apart hoofdstuk over 'Israël en het belijden der kerk' wordt dat door hem naar persoonlijke visie uitgewerkt. Volgens hem is de belijdenis niet volmaakt en heeft deze altijd verdieping en aanvulling nodig (pag. 149). Daarom is het een legitieme zaak om te zoeken naar de mogelijkheid van een vernieuwd belijden (pag. 150).
Als hindernis moet evenwel gezien worden het feit, dat er zoveel diepgaand verschil over de centrale geloofspunten is, zodat de noodzakelijke geloofseenheid ontbreekt (pag. 151). De geest van dwaling en ongehoorzaamheid ten aanzien van de Schrift in aanmerking genomen, is het gevaar dan groot, dat er een belijdenis komt, die niet is naar het Woord van God. Met verdriet en ootmoed dienen we dat te constateren. Het is mede onze eigen armoede en schuld. Het is nooit goed te praten; óók niet door te beweren, 'dat er geen nieuw belijden nodig is, omdat wij in onze bestaande belijdenisgeschriften reeds voldoende ontvangen hebben. Wie dat zegt, maakt van de belijdenis-armoede van de kerk een deugd' (pag. 152v).
Het zal duidelijk zijn, dat we blij zijn met het vele, dat ons wordt gegeven in het nieuwe boek van Graafland. We hopen, dat het zijn uitwerking niet zal missen. Het mag het gesprek onderling én bovenal met God stimuleren.

G. H. Abma, Poortvliet


*) Slotartikel over 'Het vaste verbond' van dr. C. Graafland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een moedige strijd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's