Belijdenis der Hugenoten (5)
De Confessio Gallicana
God en het kwaadWij geloven dat God niet alleen alle dingen geschapen heeft maar ze ook bestuurt en leidt, doordat Hij over alles wat in de wereld geschiedt naar zijn wil beschikt en gebiedt. Niet dat Hij de auteur van het kwaad zou zijn of dat de schuld daarvan Hem zou kunnen worden aangerekend, daar immers zijn wil de souvereine en onfeilbare regel van alle gerechtigheid en billijkheid is. Maar Hij beschikt over wonderbaarlijke middelen om zich zodanig van de duivel en van de goddelozen te bedienen dat Hij het verkeerde dat zij doen en waaraan zij schuldig staan, weet ten goede te keren. Wij belijden dat niets geschiedt buiten de voorzienigheid Gods, daarom aanbidden wij in ootmoed zijn geheimenissen die ons verborgen zijn, en die wij ook niet willen onderzoeken meer dan ons is toegestaan; en wij maken gebruik van wat ons in de Heilige Schrift geleerd is, om daarin rust en zekerheid te vinden. God die alle dingen aan Zich onderworpen heeft, waakt over ons met vaderlijke zorg, zodanig dat geen haar van ons hoofd, vallen zal zonder zijn wil. De duivel en al onze vijanden houdt Hij intussen in toom; zodanig dat zij ons zelfs niet in het minst kunnen schaden dan alleen naar zijn wil.
Rotsvast vertrouwen
Wat in dit artikel ons opvalt is in de eerste plaats een rotsvast geloofsvertrouwen. Hier wordt gesproken niet vanuit onzekerheid en twijfel, maar vanuit geloof en zekerheid. Er is sprake van Gods 'vaderlijke zorg' en men weet zich daarin geborgen. Terwijl er toch ook toen, in de 16e eeuw, heus wel allerlei bedreigingen waren. Het leven was bepaald toen niet minder onzeker dan nu. De Franse christenen leefden onder een gedurige bedreiging. Maar niet alleen de vervolging was er. De mensen werden over het algemeen niet oud. De dood was steeds nabij.
Het geloof in Gods voorzienigheid is een bron van troost. Tot op de dag van vandaag. Moderne theologen doen er gewoonlijk laatdunkend over. Maar het christenhart haalt zich er gedurig aan op. En komt de uitspraak die hier in de CG benut wordt, dat zelfs geen haar van ons hoofd vallen kan zonder Gods uitdrukkelijke wil, niet van Christus zelf?
Gods voorzienigheid bergt 'geheimenissen' in zich. Wij staan vaak voor raadsels. Dan ligt het 'waarom' ons vóór in de mond. Het geloof in Gods voorzienigheid betekent niet dat wij op alle vragen een antwoord weten. Asaf zag ook de raadselen van het leven (Psalm 73), en had het er moeilijk mee. Totdat hij rust vond in de zekerheid van het nabij-God-zijn en in de zekerheid van het geleid worden door Zijn Raad. Wat ons omtrent Gods voorzienigheid geopenbaard is, leert ons, soms door veel strijd heen, te berusten in Gods wil en welbehagen. Zijn raad.
God en de zonde
Hoe wij ons moeten voorstellen Gods voorzienigheid omtrent de zonde is in de theologie al een eeuwen oude kwestie. Reeds Augustinus, die jarenlang een Manicheeër was geweest, kende de problematiek en werd er door gekweld. De oplossing die het Manichisme (een sekte in de eerste eeuwen van onze jaartelling) bood van het probleem waar het hier over gaat, was eenvoudig en radikaal. Men sprak van twee goden: een goede god en een god van het kwaad. De kosmos, die eeuwig is, biedt maar twee beginselen: goed en kwaad. Alles valt of onder het een of onder het ander. De scheidslijn loopt dwars door alles heen. Ook door de mens zelf. Er is hem iets van het goede van de goede God, en het kwade van de kwade God. De zonde behoort dus tot 's mensen natuur, zij is hem ingeschapen. Hij is er als het er op aankomt niet zelf verantwoordelijk voor. Zij staat in principe buiten zijn wilsleven.
Op het eerste gezicht lijkt deze ketterse idee wat te maken te hebben met de christelijk-orthodoxe erfzonde-leer. Zij is dan ook in later tijd binnen de christelijke theologie wel weer eens opgenomen in de dogmatiek. De Duits-lutherse theoloog Flacius Illyricu's kwam in de 17e eeuw tot een navenante voorstelling van de zonde. Niet dat hij een eeuwige kosmos leerde, maar wel stelde hij dat heel 's mensen wezen door de zonde verdorven is. Daarmee tastte hij de schepping Gods aan. In feite werd de mens bij hem een 'duivel'. Deze zeer radikale oplossing van het probleem van God en het kwaad heeft, terecht, de orthodoxe theologen, zowel van gereformeerde als van lutherse huize, niet kunnen bevredigen. Zij is in zekere zin een te gemakkelijke oplossing.
Nadrukkelijk stellen de Franse Gereformeerden, en de Nederlandse Gereformeerden hebben in de N.G.B. later hetzelfde gedaan, dat God niet gezien mag worden als de auteur van het kwaad, de auteur der zonde. Hoezeer zij ook vast wilden houden aan de belijdenis dat Gods voorzienigheid over alle dingen gaat, dat de zonde regelrecht op God teruggaat, dat wilden zij tegen geen enkele prijs toegeven. God vér van het kwaad houden (in die zin dat Hij medeschuldig er aan zou zijn) lag hen na aan het hart. Hoe raadselachtig de zonde ook mag zijn, zeker in haar oorsprong, zij gaat niet regelrecht op God terug. Het manichëisme was onze vaderen een afschuwelijke ketterij. Is Gods wil, zo willen de vaderen van de CG zeggen (en zij gebruiken ook zelf die formulering) niet de souvereine en onfeilbare regel van alle gerechtigheid? Wie de Schrift leest komt steeds weer tegen hoezeer God alle zonde haat, hoezeer Hij liefheeft alle gerechtigheid. Er is zelfs geen gerechtigheid dan die beantwoordt aan Gods wil. Gods wil is een 'souvereine regel'. Waaraan alles wat zich aandient als goed en rechtvaardig dient gemeten te worden. En hoe zou dan ooit God de auteur der zonde, der ongerechtigheid kunnen wezen? Dat moet uitgesloten worden geacht. Men bemerkt, de vaderen zetten in bij wat ons door God geópenbaard is. Niet bij hetgeen in God verborgen is. Wij zondige mensen hebben altijd weer de neiging om te willen indringen in hetgeen ons verborgen is. Het als God willen wezen, de paradijs-zonde, zit diep in ons ingeworteld. Wij leggen het Woord terzijde, het is ons te 'eenvoudig' en geven ons over aan speculaties. Bij voorkeur speculaties over Gods eeuwige Raad: over de praedestinatie en over het ontstaan van de zonde. Maar wij moeten bij de Schrift beginnen, bij hetgeen ons daarin door God zelf geopenbaard is. En daarin vinden wij dat wij de schuldigen zijn. Niet God is de auteur van het kwaad, wij zijn het zélf. Hoe ook de zonde in de wereld gekomen is, en hoe ook God op de een of andere wijze de zonde 'wil', zodat zij geschiedt, zij is toch tégen Gods wil. Dit klinkt paradoxaal, maar alleen zó kan het geheimenis onder woorden worden gebracht.
De Hugenoten zeggen: wij aanbidden in ootmoed zijn geheimenissen die ons verborgen zijn. Er zijn geheimenissen, laten wij dat toegeven. En die geheimenissen ook geheimenissen laten. De Hugenoten zeggen verder: die wij ook niet willen onderzoeken meer dan ons is toegestaan. Dat is ware christelijke bescheidenheid. Wij moeten niet alles willen weten. Wij hebben genoeg aan hetgeen ons geopenbaard is. Als wij er maar gebruik van maakten! Tegenover het speculeren zet de CG het aanbidden. Met het laatste komen wij verder dan met het eerste. God ziet ons liever laag op de grond dan hoog in de wolken. In dit opzicht staat de praktijk boven de theorie.
Duivel en goddelozen
Nog één zinsnede uit dit artikel. Wij lezen dat God over wonderbaarlijke middelen beschikt om zich zodanig van de duivel en van de goddelozen te bedienen dat Hij het verkeerde dat zij doen, en waaraan zij schuldig staan, weet ten goede te keren. Souverein staat God boven alle mensen, ook boven de goddelozen en zelfs boven de duivel. De duivel mag dan de 'god dezer eeuw' worden genoemd, hij is niet een 'god' die aan de God van hemel en aarde gelijk zou zijn. Hij staat niet náást God maar ónder God. De duivel en de goddelozen hebben ruimte om te doen wat zij willen, maar het is een hun geschonken ruimte. Hun vrijheid is een gebonden vrijheid. Zij liggen met al wat zij doen toch in de machtige hand Gods. Zij kunnen veel kwaad doen, dat is trouwens hun aard, maar God weet het ten goede te keren. De duivel kan God niet van plan doen veranderen. Het is niet zó dat de taktiek van de duivel de taktiek van God bepaalt, maar omgekeerd. God doet een zet en de duivel een tegenzet, maar het lukt hem nooit God schaakmat te zetten. God zelf blijft immer Meester van het terrein.
Niet dat het 'spel' is, het is ernst, dodelijke ernst. En er gebeuren ongelukken. Duizenden tuimelen, door toedoen van de duivel en de goddelozen, in het graf. En de kerk van Christus wordt door hun optreden soms meer dan gedecimeerd. En toch behoudt God het terrein, en weet Hij het alles ten goede te keren.
Vele verhalen hebben een 'happy end', is het zo ook met deze wereld? Men denke niet te lichtvaardig over hetgeen aan de gang is. Men zie de graven en de tranen. Men zie het bloed dat dagelijks vloeit. Men hore het geschreeuw der ellendigen. Ons geloof in Gods wereldbestuur met een 'wending ten goede' aan het einde aller tijden is wat anders dan werelds optimisme. Het gaat door katastrofen heen. Maar boven de baaierd der tijden, waar wij door heen worstelen, staat de Rots der eeuwen, die alles in zijn souvereine handen heeft. Het geloof ziet op Hem. Het stijgt uit boven al wat drukt en benauwt. Dat is het geloof dat de Hugenoten staande heeft gehouden. En dat ook ons staande houdt.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's