Predikambt en prediking (1)
Maatstaf
Christus kwam niet alleen in de wereld om te lijden en te sterven en de zonde te verzoenen, maar ook om de blijde boodschap der genade bekend te maken. Hij was die grote profeet en leraar, die ons de verborgen raad en wil van God tot onze verlossing volkomen heeft geopenbaard. Tussen deze twee delen mag geen onderscheid worden gemaakt. Het priesterlijk ambt omvat het profetisch ambt en het profetisch ambt sluit het priesterlijk ambt in. Daar gaat door geheel de arbeid van Christus, juist met het oog op de prediking, een geweldige gedrevenheid. Ik moet, zegt Christus eenmaal in het evangelie naar Lucas, ook andere steden het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen, want daartoe ben Ik uitgezonden. Deze buitengewone en geheel unieke prediker trok zeer de aandacht. De schare drong op Hem aan om het Woord Gods te horen. Talloze malen treffen ons de berichten van de bijbelschrijvers over de opgang van de prediking van Christus. Er was verslagenheid over zijn leer. De inhoud, de kern, het middelpunt van de prediking van Christus was: de grote liefde Gods, geopenbaard in de zending van zijn Zoon naar deze aarde tot behoud van zondaren. In indringende gelijkenissen, door middel van vele onderwijzingen aan het volk, in belangrijke gesprekken met zijn discipelen en met individuele personen, werd deze goddelijke waarheid en weldaad nog breder ontwikkeld en nader toegelicht. Het ging alles gepaard met de eis van geloof en bekering. Deze voortreffelijke prediker drong aan op de praktijk der godzaligheid. De hoorders van het Woord behoorden ook daders des Woord te zijn.
Volharding
In geheel deze predikarbeid van Christus is een nameloze volharding te bemerken. Hij hield aan in het leren, al werden ook nu en dan Hem scheldwoorden naar het hoofd geworpen, ja, al nam men stenen op met het kwaadaardige doel Hem van het leven te beroven. Onze Heiland was vol ijver in dit werk van evangelieprediking Wanneer de Joden in hun blinde woede een zogenaamde beschuldiging tegen Jezus inbrengen voor de landvoogd Pilatus door te zeggen dat Hij leerde door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot Jeruzalem toe, is dat eigenlijk een hulde brengen aan Jezus' grote ijver en een bewijs voor de machtige invloed van zijn Woord. Ook al betitelen de Joden dat op hatelijke manier met de naam 'beroering'. Dit werk van Jezus in zijn prediking nu verdient onze grootste aandacht, wanneer wij in enkele artikelen willen handelen over de taak van de prediking. Wij mogen onze gedachten vrijuit laten spelen over de prediking, wij mogen ons als het ware tot aan de rand van het onderwerp bewegen, toch moeten wij telkens tot Christus terugkeren. Hij is het middelpunt. Hij is de bron en de maatstaf. Wanneer wij Hem in dit punt uit het gezicht verhezen, verdwalen wij. Misschien dat wij daarom tegenwoordig wel zo'n grote preeknood hebben. Er kan van alles op de preekstoel aan de orde komen. Moeilijke dogmatische vraagstukken, punten van zedelijke aard, vragen uit de levenspraktijk van elke dag – het is zelfs geboden deze brede omvang wat in te tomen. In Paulus' dagen twistte men over fabelen en geslachtsregisters. In plaats van de mensen te bouwen op het fundament van het geloof, roept men vragen op over nietige, de zaligheid niet rakende dingen. Aan die fout kan men zich schuldig maken, ook zonder de dwaasheden te doen, tegen welke de apostel hier waarschuwt. Men kan de preekstoel in een leerstoel veranderen, door bespiegelingen te houden over de goddelijke verborgenheden, die de ons gestelde mate van kennis te buiten gaan; men kan vragen opwerpen de echtheid van de lezing van een tekst aangaande, en zijn vernuft laten schitteren. Men kan onderwerpen behandelen, die zich wel aan teksten uit de Schrift vastknopen, maar geen stof opleveren voor de opbouw van de gemeente, omdat zij het belang van het ogenblik niet raken; men kan zijn prediking vullen met gissingen, vreemdsoortige denkbeelden, vernuftige spelingen over wier juistheid de hoorders straks met hem en met elkaar gaan twisten. Maar dit alles sticht niet. Het vindt zijn grond in de zucht van de prediker om te schitteren, om ijdele roem te verkrijgen van een bijzonder man te zijn en zijn armoede aan geestelijkheid te verbergen. Uit de Geest van God is het niet. Men late het dan weg.
Men predike Christus en trekke uit Hem, als uit het middelpunt lijnen naar alle punten van de cirkel der verschijnselen, om zo allen met hem te verbinden. Dan zal men nooit aan stof gebrek hebben en nooit geesteloos prediken.
Orgaan
Nu had Christus engelen kunnen verkiezen tot de prediking, maar Hij heeft uit de zondige mensen gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten; sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars. Hij legt de prediking van de verzoening in mensenhanden. Gelijk overal handelt de Heere onmiddellijk. Hij gebruikt het orgaan van het predikambt. Dit is vanwege deze goddelijke opdracht een eervol ambt. Tevens een zeer gewichtige taak, die de volle liefde van ons hart; die de gehele toewijding van krachten en gaven eist en verdient. Het is het grote genademiddel van God gegeven om onwetenden de enige weg tot het leven te wijzen en hen, die daarop al wandelen, te leiden, te sterken en te bemoedigen om te volharden tot het einde toe. Na de apostelen zijn de kerkvaders gekomen en zo is er een onafzienbare reeks van gezanten geweest, die het Woord Gods bedienden. Het predikambt is daarom niet alleen hoog in waarde, omdat er zulke bekwame voorgangers zijn, maar het werk, dat verricht wordt is bovendien van eeuwig blijvende betekenis. De meeste ambten en posities bedoelen enkel de belangen van het tijdelijke leven, maar de dienaar van het Woord heeft als omvang van zijn werkterrein het tijdelijke en het eeuwige leven. De taak van de dienaar is schoon – maar moeilijk te volbrengen. Met wat een veelheid van namen noemt de Schrift hem. Medearbeider Gods, uitdeler der verborgenheden; gezant van Christus, ster in Jezus' rechterhand. Hij is het instrument waardoor de Heere Zijn raad volvoert.
Uit het bovenstaande betoog vloeit nu als vanzelf voort, dat de prediker de nodige bescheidenheid omtrent zichzelf moet toepassen. Het gaat niet om hem als boodschapper, maar om de boodschap. Hij is niet meer dan overbrenger van de heilsboodschap. Daarom predike hij niet zichzelf maar Christus. Zodra de gemeente bemerkt, dat de prediker eigen eer en lof bedoelt, is zijn invloed weg en zijn achting voorbij. Wie daarom met schroom en vrees, werkelijk biddend optreedt, daalt met eer en zegen af. De prediker spreke uit het leven, grijpe in het leven, in het volle leven, om leven uit te werken. En om zo te preken, moet de prediker zelf leven en het leven in Christus kennen. Om dit alles te volbrengen is voortdurend zelfverloochening nodig. De voorganger grijpe niet te hoog, want de hoorders blijven dan achter. Niet te simpel, dan dwaalt de gemeente weg. Haar inspanning wordt niet gevraagd. Ook vermeie hij zich niet in wonderlijke gedachtennevels. Dat is een groot kwaad. Het is wel waar – heldere predikers lijken, als bronnen, niet zo diep als ze zijn; de troebele predikers lijken het diepst. Maar toch – de meeste hoorders houden van praktische prediking. Praktisch niet als oppervlakkig of ongekuist en plat, maar eenvoudig toepasselijk. Wat helder is, is ook diep. Zo preken is een gave, maar wie een hart heeft voor de gemeente, wie haar lief heeft kornt er vanzelf toe. Dan preken wij ook niet lang. Er zit wel een zekere hartstocht in om lang aan het woord te zijn. Sommigen dictators kunnen dat urenlang volhouden. Maar tussen dictators en dienaars is een hemelsbreed verschil. Lange preken zijn af te keuren, vooral die, waarin weinig wordt gezegd. Want dan komt de Verveling in de kerk en die is de ergste vijandin die te bestrijden is. Hoedt u voor het prikkelen van zinnen en zenuwen, het zogenaamd op het gevoel werken. De ondervinding leert, dat de oppervlakkigste en zinnelijkste mensen het gauwst hun waterlanders vertonen.
Tot deze hoge dienst is nodig een onophoudelijke zelftucht. Natuurlijk beware iedere prediker zijn individualiteit, maar dat geeft nooit het recht om te zeggen: ik ben nu eenmaal zus en zo en daarmee de zaak als afgedaan te beschouwen. Wij zeggen wel eens te spoedig: zo ben ik nu eenmaal. Hef is onze roeping in de dienst van het Evangelie ook te arbeiden en het verkeerde te overwinnen, eigenaardigheden af te gewennen, die de boodschap sterk verhinderen. Wij hebben geen recht om zo te zijn en geen plicht om zo te blijven. Het lelijke wordt niet schoon, omdat het nu eenmaal zeer individueel is. Het gaat er om binnen het bestek van onze gegeven persoonlijkheid een zo zuiver mogelijk instrument te zijn in Gods dienst. Wij maken dus geen bezwaar het recht der individualiteit te erkennen, als ze maar binnen behoorlijke grenzen blijft, wordt gecultiveerd en gedisciplineerd. Op die voorwaarde aanvaard mag en moet onze persoonlijkheid in menig geval van grote invloed zijn op de inhoud zowel als op de vorm van onze prediking. Reeds in de keuze van de preekstof laat zich onwillekeurig de macht van de individualiteit gelden. Het maakt toch zulk een groot verschil of een warmvoelende prediker met gevoel en verbeelding optreedt, dan wel een wat afgetrokken denker. Bij de eerste zal alles sprankelen van leven en kracht; bij de ander overheerst de kalme redeneertrant. Daar is in de kerk gelukkig plaats voor onderscheiden geaardheid. Voor álle natuur, mits vernieuwd en geheiligd is plaats juist op de kansel. Geen enkele geestelijke gave of kracht is bij de verkondiging van het Evangelie onbruikbaar, indien maar het individuele bereid en geschikt is, in de dienst van de gemeente te treden. De persoonlijkheid overheerse evenwel niet. Dat doet afbreuk aan de overdracht van de boodschap. Het gaat er om dat onze persoonlijke geaardheid dienstbaar is aan het Woord dat wij spreken. Geen verwoekering – maar ook geen vervaging van de boodschap door onze individualiteit.
Eigenheid
Dat brengt ons in dit verband op nog een ander punt. De dienaar des Woords heeft niet zichzelf, noch zijn eigen bekeringsweg of geestelijke bevinding, maar het Woord, de Openbaring Gods, het Evangelie der zaligheid te prediken. Wat God aan de ziel gedaan heeft, moge tot Zijn eer worden vermeld, doch nooit mag het Woord naar de bevinding, maar altoos moet de bevinding naar het Woord Gods worden beoordeeld. Meer dan bij enig ander deel van de dienst moet de dienaar des Woords in de prediking de vrucht van eigen denken en peinzen van eigen inspanning en meditatie tot de gemeente brengen. Daarbij komt veel sterker dan bij zijn andere werkzaamheden het subjectieve van zijn aanleg, van zijn gaven en talenten en van heel zijn persoonlijkheid in aanmerking. Het is volkomen waar. Maar hoe meer nu zijn aard is geheiligd in de tucht van Christus, hoe beter de boodschap doorklinkt. Dit eist persoonlijke vrijheid. Een prediker moet juist zichzelf zijn, anders is hij niet echt. Weg daarom met alle nabootsing Te velen hebben in de loop der jaren geïmiteerd de een of andere roemruchte prediker. Zij werden daardoor ronduit potsierlijk, onecht. Soms was dat te bemerken in de één of andere tongval of een vreemdsoortig gebaar. De gemeente gevoelt dat onmiddellijk. Wij mislukken dan op de kansel. Wij spelen toneel. Houdt dat nu in, dat wij helemaal geen modellen tot navolging mogen kiezen, helemaal niet begaafde predikers als ideaal typen ons voor ogen mogen stellen: ik dacht, dat dat juist te weinig gebeurde. Vroeg oefent zich wat een meester worden wil. Het vormt de geest, het staalt de ziel zich een voorbeeld te stellen in het leven. Dat hebben op allerlei gebieden de grote geesten der aarde gedaan. Maar het geschiede dan wel op een eigen toon. Woeker met het weinige talent dat God u gegeven heeft, slijp uw geest door preken van anderen te lezen, bestudeer ze grondig met de pen in de hand – het dreigend gevaar van nabootsing wordt vermeden, wanneer het lezen tot studeren wordt. Dan komt er in ons een preekideaal, dat aan onze eigen arbeid de weg wijst. Let op de opbouw; het gebruik van de tekstgedachten en de uitdrukkingsmiddelen van de preek van die ander. Het zal ons rijkelijk lonen en tot volle inzet van onze eigen krachten prikkelen. Wie dat doet met ernst en teerheid voor God, stil, rusteloos en getrouw, week aan week; met dat ene talent zo diep hij kan in de zin der Schrift doordringt en wat hij vindt in klare taal op schrift stelt en dit met een warm hart op het geloofsleven van de gemeente weet toe te passen, die moge al geen schitterend prediker worden, maar die gaat toch van jaar tot jaar vooruit en zal zijn gemeente blijvend boeien.
A. v. Brummelen, Huizen (N.H.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's