Honderd jaar rijk gezegend
Honderd jaar worden is geen verdienste maar genade. Het is intussen wel een zeldzaamheid. Wordt een predikant zo oud, hij zou ongetwijfeld een plaats krijgen in deze kolommen, bijvoorbeeld in de vorm van een vraaggesprek. Waarom zouden we dat ook niet eens doen als een 'gewoon' gemeentehd deze gezegende leeftijd bereikt! Dóór de tijden en óver de wereld zijn het immers de gewone gemeenteleden, die uiteindelijk de schare vormen, die niemand tellen kan?
Op zo'n honderdjarige werden we geattendeerd in het radioprogramma 'In het zilver', van Leen van Ginkel. Leentje Dekker, geboren 1879 in Ouderkerk aan de IJssel, gaf vanuit het bejaardencentrum 'Achter de Hoven' in Sprang Capelle vrijmoedig getuigenis van haar leven. Ze vertelde onder meer hoe haar vader de kinderen leerde, als ze niet meer bidden konden, dan maar te bidden: 'Zie op mij in gunst van boven, wees mij toch genadig Heer…' Een stukje geestelijke opvoeding van honderd jaar geleden kreeg zo via de ether nog een breed bereik. Toen we daarna een stukje van ds. W. C. J. van Rennes over deze honderdjarige in het kerkblad Voetius lazen besloten we haar op te zoeken voor een gesprek. Met grote vitaliteit sprak ze over haar leven: 'veel bewogen maar rijk gezegend.'
Predikanten
Ze werd, als gezegd, in Ouderkerk aan de IJssel geboren in de tijd dat de Doleantie nog moest plaats vinden. Bewust heeft ze de Doleantietijd niet meegemaakt. Haar moeder was echter goed thuis in de kerkelijke vraagstukken.
Maar wel kregen de kinderen mee vooral de kerk trouw te blijven.
In de familie waren er verschillenden, die de kerk hebben gediend als predikant. Gedetailleerd wordt er over verteld. Ds. B. van der Wal, de vader van de nog levende predikanten C. van der Wal en J. H. van der Wal, was een zoon van Jansje Dekker, een zuster van grootvader. Ze vertelt hoe Bas van der Wal, verbonden aan de openbare school te Groot Ammers, tot bekering kwam en vervolgens theologie ging studeren toen het gebouw, waarin hij (zeer tegen de zin van de familie) met de kinderen deelnam aan een kinderoperette, uitbrandde en zij ternauwernood werden gered. De geweldige verantwoordelijkheid die hij tegenover de kinderen had kwam heel sterk op hem af. We konden in 'Delen of Helen?' de foto tonen, waarop ds. van der Wal staat afgebeeld met een foto van mej. W. M. M. de Roode-Bruckeler, waarover hij, in een door hem uitgegeven blaadje 'De fontein des levens' een levens en bekeringsgeschiedenis schreef. Als de foto bekeken wordt vertelt mej. Dekker dat, als ds. J. H. van der Wal – de zoon dus – als jong predikant te Ouderkerk kwam preken, en hij ertegenop zag vanwege 'zoveel mensen' vader Dekker tegen hem zei: 'ik zing alvast mee.'
Ds. Arie Dekker was een neef. Met ziet hem in Delen of Helen? afgebeeld op p. 233 aan de voet van de kansel in Opheusden, onder het bord, waarop staat, dat dáár op de kansel op 29 juli 1855 ds. A. van Herwaarden dodelijk door 'het vuur des hemels' werd getroffen. Toen neef Arie voor het eerst kwam preken oefende hij op zaterdagavond in de voorkamer, staande op twee stoven met moeder Dekker als gehoor. En de kinderen keken door een kier van de deur en zeiden: hij preekt!
Een zuster, Jansje, was gehuwd met ds. van der Vliet, eerst predikant in Winse, later in Batavia. Toen het gezin per boot naar Indië vertrok ('35 dagen op kolen') gaf vader Dekker een luciferdoosje met daarin een vloeipapiertje, waarop hij geschreven had: 'De Heer zal u steeds gadeslaan.' Tijdens de bootreis stierf intussen een kind, dat ter zéé is besteld. In Ceylon werd toen bij de bezichtiging van een kerk kracht gevonden bij het orgel, waarop één van de medepassagiers speelde: 'Welzalig hij die al zijn kracht en hulp alleen van U verwacht.'
En tenslotte, ook de Haagse confessionele predikant dr. M. H. den Hertog was een neef. Op de feestdagen logeerde mej. Dekker altijd bij hem en zo heeft ze daar in één van de diensten met koningin Wilhelmina de lofzang van Zacharias nog gezongen. Wanneer ze op een verjaardag daar de 17 Haagse dominees ontmoette zei den Hertog, dat zij maar bij ds. van Dorp moest gaan zitten want daar hoorde zij bij thuis. Maar 's zondags als hij zei 'jij wil zeker wel bij ds. Talsma gaan kerken' dan zei ze: 'dat kan ik mijn neef toch niet aandoen?'
Gezegend in het Woord
Wat opvalt in de gesprekken is hoe diep de zegen is geweest onder de regelmatige Voorbediening. Met onbevangenheid wordt daarover gesproken. Er was, wat de voorgangers betreft, verscheidenheid van gaven maar het was één Geest. Onder alle predikanten is zo in de loop van de jaren, waarin bewust met de kerk is meegeleefd, zegen gevallen. Een bepaalde trek in de opvoeding zal daar ook niet vreemd aan geweest zijn. Een terugkerende vraag van vader was 'kind heb je het Woord gehoord?' Kwamen de boeren over de vloer in verband met de zaak (kunstmest en turfstrooisel), dan zei vader: 'hier worden geen dominees op een goudschaaltje gewogen.' Niet de dominee moet je horen maar het Woord. En zo lag en ligt het leven verklaard, uitgestrekt in het Woord en niet in de voorgangers en hun kwaliteiten, accenten en geestelijke gaven.
Namen vallen van dominee Hopman en dominee van Montfrans. Opgehaald wordt de belijdeniscatechisatie bij dr. H(ugo) Visscher in 1901. De catechese was gescheiden, twintig jongens apart en twintig meisjes en een vrouw apart. De aanneming was gezamenlijk. Onvergetelijk was, dat in die tijd typhus uitbrak, waaraan ook in Ouderkerk vier mensen ten offer vielen. Maar toen zus Jansje deze ziekte kreeg en drie weken buiten kennis lag, kwam dominee Visscher, niet vrezend het gevaar van besmetting, op bezoek 'en hij bad'.
Bij ds. B. Batelaan werd drie jaar na het afleggen van de geloofsbelijdenis de eerste gang naar het avondmaal gemaakt. Hoe groot de plaats is, die dit sacrament in het leven is gaan innemen, blijkt wel uit de vreugde, waarmee verteld wordt, dat de zondag na de honderdste verjaardag nóg weer het avondmaal kon worden gevoerd in het bejaardencentrum. En tegelijk bemerk je iets van de bewogenheid als verteld wordt, dat er in het tehuis 70 bewoners zijn, waarvan er ongeveer 18 de kerkdiensten bezoeken en waarvan dan weer drie avondmaalganger zijn. Wáár is dan het uitzicht?
Mej. Dekker spreekt over de onlangs overleden mijnheer de Redelijkheid, jarenlang voorganger aan de Lageweg te Ouderkerk aan de IJssel, de gemeente waar hij geboren was in een onkerkelijk gezin. Toen het ontstaan van de christelijke school ook in Ouderkerk een stukje schoolstrijd bracht (de kinderen van de openbare en de christelijke school gingen elkaar met stokken te lijf), mocht Arie de Redelijkheid niet naar de christelijke school. Hij mocht wel met de kinderen Dekker naar de zondagsschool en daar kreeg hij reeds op 10-jarige leeftijd 'indrukken van de eeuwigheid'. Mej. Dekker herinnert zich levendig een preek van hem, waarin hij vroeg 'Hebt u de Heere leren ontmoeten als een vertoornd Rechter maar ook als een genadig God in Christus?' Gesproken wordt over ds. J. J. Enkelaar. Boven komt diens preek over psalm 94 vers 19: 'als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.' Het was een preek toen zuster Cornelia, die zij verzorgde na het overlijden van haar vader, van wie ze ook de zaak had overgenomen, overleden was.
En tenslotte vertelt ze over ds. J. G. Woelderink en diens grote ernst. 'Hij heeft het niet gemakkelijk gehad in Ouderkerk.' Maar verder geen woord over de strubbelingen die er waren, wel over het Woord dat bediend werd. Ze spreekt over het overlijden van de vrouw van dr. Woelderink bij de geboorte van een kind, vlak voor hij in Ouderkerk intrede zou doen. Ze geeft een levensecht relaas over die bewuste dag, dat de schoolbus te water raakte, waarin zich vier kinderen van dr. Woelderink bevonden. Eén dochter werd door een neef van mej. Dekker via een raam van de bus op het dak van de op het water wiegelende bus gebracht en zo gered. Drie zonen kwamen om. Dr. Woelderink werd met een tilbury naar de plaats des doods gereden. Hij knielde bij de lichamen van zijn jongens neer en zei: 'De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen.' Er kon toen niet aan worden toegevoegd: de Naam des Heeren zij geloofd.'
Ik denk dat alle andere voorgangers en hun prediking wel een keer genoemd zijn: ds. A. J. Timmer, ds. R. T. Huizinga, ds. J. van Sliedregt, (in Sprang) ds. P. J. Bos, ds. A. Talsma en tenslotte ds. W. C. J. van Rennes. Het 'gedenk uw voorgangers' kreeg duidelijk vlees en bloed in dit gesprek.
Psalmen
Eén ding werd in de gesprekken met mej. Dekker wel heel duidelijk, namelijk welk een grote plaats de psalmen innamen in haar leven. In de Psalmen ziet men de heiligen in het hart. Dat werd hier bewaarheid. We schreven al over de heen wijzing van vaders kant naar de bede 'zie op mij in gunst van boven'. Thuis werd veel gezongen, 's zondagsavonds, als moeder naar de kerk was, niet bij het orgel, maar bij een oude trekharmonica. En vader vergat de koffie op te zetten, want 'als hij zong dan zóng hij.'
Later was er 's zondagsavonds een zangkoor thuis, waar ongeveer 30 jongelui zongen. Alles wat adem heeft love den Heere! En zo komen de psalmen telkens terug. Als het moeilijk was in het (ongehuwde) leven: 'Leer mij naar Uw wil te handelen.'
Toen Nederland bevrijd was en er 's nachts allerwegen rumoer was vanwege de bevrijdingsroes werd in plaats van het buiten te horen lied 't Is oranje 't blijft Oranje bij het orgel gezongen: 'De Heer gaf rijke juichensstof.' Is het wonder dat, toen de plaatselijke Sprangse harmonie haar bij haar honderdste verjaardag met een serenade wilde vereren, ze zei dat ze dat alléén wilde als de psalmen 25, 42 en 68 werden gespeeld? En aldus geschiedde! En toen de honderdste verjaardag in 'Achter de Hoven' in een herdenkend samenzijn werd gevierd moest haar lievelingspsalm worden gezongen, psalm 118, 'De Heer is mij tot hulp en sterkte.'
Uitzicht
Een leven met uitzicht, ongetwijfeld. Ze spreekt over haar vader, die in de ruimte van Romeinen 8 heenging. Haar eigen leven is nog niet uitgeblust. Ze leeft nog in alles mee (ook nog met het zakenleven). Er is geen doffe berusting, wél stille overgave, in de wetenschap met Job: 'ik weet mijn Verlosser leeft.' Het is genade bij het begin, genade bij de voortgang en genade bij het einde. Hij die het beloofd heeft is getrouw, die het ook doen zal. Heere wat verwacht ik, mijn hoop is op U.
Met Mozes kan worden gezegd dat de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom is geweest dan de schatten van Egypte. En met Paulus mag worden gezegd, dat de loop gelopen is en het geloof behouden. De schommelingen zijn uit het leven weg. Het werd een stiller leven op God gericht. En de psalmen functioneren wanneer ze dagelijks in de stilte worden gezongen.
Zuster van Tricht kwam nog even binnen. Sprekend over het feest van de honderdjarige zegt ze: 'De Heere werd er zo in verheerlijkt.'
Bij het afscheid begint mej. Dekker nog een keer te declameren, enkele strofen uit een veel-coupletten tellend lied 'De pelgrim naar huis'.
Mijn Goël heeft op Golgotha
De kelk voor mij gedronken
Het handschrift op Calvaria
Voor mij aan ' t kruis geklonken
Mijn schulden zijn betaald
De pen erdoor gehaald
Zijn heil aan mij geschonken
De Heere is mijn heilsfontein
Hij schenkt mij alle dingen
Hij zal in dit Bethesda zijn
De God der vreemdelingen
'k zal onder 't kruis
Al gaande naar mijn huis
Den Heere vrolijk zingen.
Het was geen verloren ochtend in 'Achter de Hoven' Geblikt mocht worden in wat nog immer het hart der gemeente is. Hier krijgt theologie vlees en bloed.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's