Uit de pers
De toekomst van de gereformeerde prediking
In dit overzicht willen we aandacht schenken aan een tweetal artikelen in Hervormd Leiden van de hand van dr. S. Meyers over plaats en toekomst van de gereformeerde prediking te Leiden. Men zou kunnen tegenwerpen dat deze artikelen zich richten op een specifieke kerkelijke gemeente in ons land. Nu is geen een gemeente gelijk aan de andere. Dat stellen we voorop. Maar tegelijk dient erbij gezegd dat het beeld wat de doorsnee grote-stad-gemeente vertoont van meer dan plaatselijk belang is. Men komt dit beeld, al of niet genuanceerd ook elders tegen. Om maar enkele dingen te noemen: Vele gemeenten kennen het modaliteiten- of richtingenprobleem. In allerlei gemeenten zijn oecumenische experimenten aan de gang. In verschillende plaatsen van Nederland stelt de studentengemeente vragen. En wat belangrijker is: Elke gemeente heeft een geschiedenis die niet los te denken is van het verleden. Al met al genoeg redenen om wat Meyers schrijft over Leiden in een breder kader te bezien.
Nu is het begrip 'gereformeerd' een wijd begrip. Het is in dit verband onjuist te denken aan één bepaalde richtingsorganisatie. Meyers verstaat terecht het woord 'gereformeerd' in bredere zin. Hij betrekt het op die stroming die zich begeert te oriënteren aan de gereformeerde belijdenis die ook in onze kerk, krachtens art. X van de Kerkorde nog altijd geldend is.
Dat gereformeerde aspect houdt ook in dat we niet alleen letten op de kerkmuren, maar het geheel van de samenleving in het oog vatten. M.a.w. de prediking in de gemeente raakt heel het volk. Voortgang van de verkondiging is het volk tot zegen. Nalatigheid is schadelijk voor land en volk. De geschiedenis geeft vele voorbeelden dat verwaarlozing van de Evangelieprediking kwade gevolgen heeft. Luther heeft eens het Nederlandse volk vermaand te letten op de voortgang van het Woord, op de verantwoordelijkheid in de genadetijd. Want, zo zei Luther, Gods Woord en Zijn genade is als een zwevende regenbui, die niet weer komt, waar hij eenmaal geweest is. 'En gij Nederlanders moet niet denken dat gij hem eeuwig hebben zult, want ondankbaarheid en versmading zal hem ook bij u niet laten blijven.' Dat alles – en Meyers wijst daar terecht op – stelt ons in het heden zo verantwoordelijk voor de toekomst.
Een zorgwekkend beeld
De gemeente Leiden heeft een bloeiend verleden gehad. Hoe is het nu vandaag? Meyers schrijft daarover het volgende
Evenzeer als de burgerlijke gemeente vertoont ook de kerkelijke gemeente op allerlei punten een zorgwekkend beeld. Ik vat dit beeld samen in de woorden verarming; veroudering; ontkerkelijking; verzadiging. Deze eerste drie woorden spreken voor hem die onze gemeente kent, voor zichzelf. Wie op de hoogte is kan ze zelf invullen. Het laatste woord vraagt echter verduidelijking. Het is een typering van een zich meester makend levensbesef. Ik bedoel daarmee dit, dat met een zekere materiële welstand, die niet in geringe mate aan sociale voorzieningen te danken is, een gebrek aan belangstelling gepaard gaat voor geestelijke zaken dat evenredig is aan de verworven welstand. Sommigen menen dat het aan materiële welvaart in onze tijd geen hoge ogen gooit. Die gedachten kan ik niet begrijpen. Nergens lees ik in mijn bijbel dat de stoffelijke voorrechten ons van geestelijke zegeningen vervreemden: ik lees juist dat het omgekeerd behoort te gaan, en dat, als het fout gaat, dit altijd aan de mens ligt, wiens benen zijn weelde niet kunnen dragen.
Verzadiging: velen hebben geen idealen meer omdat ze het goed hebben. Daarom zijn ze nergens warm voor te krijgen, noch voor de kerk noch voor de politiek, althans niet wanneer naar hun oordeel het eigen belang niet in het geding is. Dat is niet alleen verdrietig, maar ook erg kortzichtig: de mens is geestelijk een gemakzuchtig wezen, dat kan niet alleen de bijbel ons leren, maar daar heeft ook de psychologie weet van. Een mens spant zich geestelijk ook niet graag in. Jonge mensen die in dit klimaat opgroeien missen dan ook vaak een geestelijk perspectief, en zij zijn niet geneigd om dit bij de kerk te zoeken: ook wanneer de consumptiemaatschappij in haar bijna voldragen gestalte hen onbevredigd laat – en de jongeren die dat doorzien zijn de beste! – wenden ze zich met hun idealen naar de verte toe, en meestal prijzen ze dan anderen een structuur aan die het spiegelbeeld is van datgene wat hen zelfheeft voortgebracht, wat zij achter zich weten en waarin de kerk een aandeel had, maar waarin ze het geloof verloren hebben. Zo bewijzen ze hoezeer ook zij kinderen zijn van hun tijd, en met hun idealen er geheel door bepaald zijn, hoewel ze het wellicht zouden ontkennen wanneer ze er op zouden worden aangesproken.
Het is nu in déze situatie dat wij geroepen zijn het, evangelie te prediken en het is mede op deze mensen dat wij geroepen zijn in te spelen, wetende, dat weliswaar niet deze mensen het zijn die in de kerk zitten, maar dat geen kerkganger er aan ontkomt iets van de eigen tijd in de botten te voelen.
Het kan in onze tijd niet de opdracht zijn om de klok terug te zetten, om het verleden in het heden te gaan repeteren. In de ontwikkeling waarin wij staan schuilt veel schuld van de kerk: zij heeft onrecht laten begaan en noden niet gelenigd toen dat moest. Ook hier is de geschiedenis van de samenleving tevens die van de (schuld der) kerk. Eerder past ons daarom verootmoediging, een hernieuwde inspanning. Tot dit laatste hoort ook het stukje bezinning, waartoe ik mij in dit artikel gezet heb.
Tot deze bezinning behoort echter ook, dat wij er ons rekenschap van geven wat de Here God ons in het verleden aan goed heeft geschonken, ook in kerkelijk opzicht. Ik besef dat dit goede, zoals altijd in het koninkrijk Gods, veelszins verborgen ligt onder het falen van mensen, maar nooit mag dit een alibi zijn voor onze verantwoordelijkheid, of een reden om wat in het verleden geschonken werd gering te achten. Juist wie beseft in een veranderde tijd geroepen te zijn verantwoordelijkheid te nemen voor de voortgang van het Woord in onze gemeente, zal moeten toetsen, opdat het goede uit het verleden niet wordt tot het goede van het verleden, tot verleden. Daar zouden heden én toekomst, gemeente én wereld, aan te kort komen.
Om onze plaats in het heden te bepalen, dienen we het verleden te kennen, te toetsen ook. Niet om in weemoedig verlangen naar vroeger te vervallen. Christenen zijn onderweg naar de Morgen. Maar om ons in het heden te laten leren.
Drie stromingen
Sprekend over het verleden, onderscheidt Meyers drie stromingen inzake de gereformeerde prediking in de ruimste zin in Hervormd Leiden.
Ik denk in de eerste plaats aan de invloed en de nawerking van de zgn. ethisch-gereformeerde stroming, onder ons vertegenwoordigd door mannen als dr. J. H. Gunning (Pniël!) en dr. J. Riemens. Wie hun geschriften kent en hun gang door de kerk, weet hoezeer zij in het hart van het belijden schouder aan schouder hebben gestaan met hen die door hen bestreden werden – met name gereformeerde bonders en confessionelen – en de verwantschap met hen erkend hebben. Ook zij wilden gereformeerd zijn. Deze stroming had iets geheel eigens. Zij werd gekenmerkt door een warme en persoonlijke vroomheid, een directe betrokkenheid op de persoon van de Here Jezus als Zaligmaker. Deze stroming had ook haar zwakte: de keerzijde van hun afkeer van leerstelligheid was vaak het optreden van een zekere vage vroomheid, gepaard aan 'n wat romantische inslag, zodat het kon voorkomen dat hun prediking wat dichter stond bij het verhaal dat op de zondagsschool verteld werd dan bij de belijdenis der kerk, maar in het hart van het belijden bestond geen twijfel aangaande de door hen gekozen plaats: alles cirkelde om het verzoenend lijden en de opstanding van de Zaligmaker.
Een tweede stroming die te noemen valt is die van de zgn. Kohlbruggiaanse predikanten. Hoewel de meesten van hen geen prijs stelden op deze betiteling – de Lochers! – geeft deze aanduiding toch weer waar ze voor staan wilden, nl. voor de boodschap van de vrije genade alleen, die alle verdienste van de zijde van de mens afsnijdt, en die zo ook beleden wil worden. De paulinische boodschap van de rechtvaardiging door het geloof alleen was het hart van hun boodschap. Deze nadruk op het wegvallen van de mens als zondaar heeft hen wel eens de kritiek op de hals gehaald dat zij te weinig oog hadden voor de wijze waarop de Here God Zijn gemeente door mensen heen bouwt, en dat God de mens wel degelijk ook éért, nl. door hem plaats en taak toe te vvijzen, en ook kon horen, dat de nadruk op de daadwerkelijke geloofsgehoorzaamheid wat achterwege bleef, maar wat wij door middel van deze stroming ontvangen hebben laat zich niet verwaarlozen dan alleen tot schade van de gemeente en het persoonlijk geloofsleven.
Een derde stroming is die van de gereformeerden in de hervormde kerk, of, zoals ik graag zeg: die van de gereformeerd-hervormden. Daar horen gereformeerde bonders bij, maar ook confessionelen. Grote nadruk viel bij hen op de inlijving van de gelovige in Christus – ook een moment uit de Paulusbrieven – en op de noodzaak tot persoonlijke bekering en wedergeboorte. Het valt niet te ontkennen – zelf uit deze kring stammende mag ik hier wat positiever spreken – dat een zekere leerstelligheid hen niet allen vreemd is geweest en dat er soms in die kringen een neiging heeft bestaan het geloofsleven in schema te brengen. Dit schema is dan een soort tegenhanger, zo men wil erfenis, van de voormannen van de doleantie in de Gereformeerde Kerken die de lust tot een schema óók kenden, maar dan vooral één voor de kerk en haar taak in deze, wereld. Toch is het een gemeente tot zegen wanneer zij duurzaam bepaald blijft bij het merg van het belijden der kerk.
De grote vraag die dan rijst: Hoe hebben we de aan ons geschonken prediking verwerkt? Ik denk dat dat een vraag is die niet alleen Hervormd Leiden raakt, maar in het gesprek tussen de richtingen in onze kerk, ons allen raakt. En met name een vraag die we ook intern hebben te stellen. Een tweede vraag is dan: Wat is er van dit verleden overgebleven? Meyers wijst er dan op dat de ethische theologie met zijn nadruk op een warme en persoonlijke beleving van het heil nagenoeg is weggevallen.. Ook het Kohlbruggiaanse accent op de rechtvaardiging van de goddeloze is in brede kringen verdwenen. De nadruk komt bij velen eenzijdig te liggen op het aan zijn recht helpen van de naaste, de arme. En de gereformeerd-hervormde prediking?
Moeten wij dan de gereformeerd-hervormden in onze gemeente aanzien voor de trouwe bewaarders van de zegen van het verleden? Ik zeg daar ja én neen op. Ja, omdat inderdaad veel van wat ethischen én Kohlbruggianen bewogen hebben bij hen is bewaard gebleven. De erkenning van het eigen zijn der gemeente en de nadruk op de persoonlijke betrokkenheid op Christus als zaligmaker van zondaren (de ethischen), en de aansluiting aan de paulinische prediking (de Kohlbruggianen) wordt door hen bewust nagestreefd. Dit zijn zeer fundamentele zaken en op grond van de Schrift in ere te houden. Anderzijds moet ik ook hier op schaduwen wijzen. Allereerst op deze, dat bij hen een van de wereld geïsoleerde opstelling dreigt, waaraan die wereld te kort komt. De vragen van de wereld dienen immers altijd óók die van de gereformeerden te zijn, en men kan deze toch alleen tot zijn eigen schade veronachtzamen? Voorts is mijn ervaring, dat men in deze kring de neiging heeft de lijn van het isolement zonder zichzelf te corrigeren door te laten lopen nl. tot in de kerk: men beperkt de Kerk tot de kerk (het kerkgebouw) waarin men kerkt. Dit alles is begrijpelijk wanneer wij ons bewust zijn in een polariserende tijd te leven die groepen direct of indirect uitnodigt zich af te zetten tégen elkaar, of een leven op te bouwen naast elkaar. Het is bovenal begrijpelijk omdat door deze houding juist wordt tegemoetgekomen aan datgene wat in modern, ook kerkelijk modern denken onder ons, zo sterk leeft, nl. dat ieder toch zijn eigen geloofservaring moet uitleven, zijn eigen geestelijke variatie moet practiseren. Nochtans is het verwerpelijk omdat het op de wereld betrokken leven uit de Schrift in voortdurende voeling met de belijdenis – de zegen van het verleden – er schade door lijdt.
Wij zouden hier nog aan toe kunnen voegen dat de drie stromingen geen gescheiden treincompartimenten zijn, die voor elkaar afgesloten zijn. Er is ook beïnvloeding geweest, in het verleden. En er is in onze tijd bij velen die b.v. groot geworden waren onder de ethische prediking een stuk herkenning met betrekking tot de gereformeerde prediking van Confessionelen en Bonders.
De veranderde visie op de Schrift
Meyers wijst aan dat in alle verschuivingen ten diepste de vraag naar de erkenning van het Schriftgezag in het geding is. Is alle Godskennis een van meet af geschonken kennis, of vullen we vanuit onze leefwereld en ervaring onze geloofsinhoud in? Hier gaan de wegen uiteen. Als de Schrift een bundel is van de neerslag van elkaar soms tegensprekende ervaringen sta ik anders tegenover allerlei modestromingen dan wanneer ik in de lijn van de Reformatie het 'Sola Scriptura' aanvaard. Meyers signaleert een nieuwe vrijzinnigheid voor wie het Evangelie middel wordt waarlangs wij onszelf verwerkelijken. En het oecumenisch aspect in de Merenwijk? Hierover schrijft Meyers
Ook het 'experiment' in de Merenwijk speelt in op dingen die in onze moderne tijd leven, maar houdt m.i. een fundamentele verloochening in van wat het merg vormde van de gereformeerde prediking in onze gemeente. Niet omdat het iets nieuws is. De oorsprong van vernieuwingen in de kerkgeschiedenis ligt meestal aan de basis, omdat het leven van de gemeente aan de bezinning op de vormgeving daaraan voorafgaat. Ook niet omdat het z.g.n. experimenteren zakelijk inhoudt, dat de kerk voor feiten gezet wordt, iets wat ik overigens wel bedenkelijk vind. Evenmin, omdat een oecumenisch samengaan, met name met andere reformatorische kerken, niet geboden zou zijn, inzonderheid daar waar dit pastoraal verantwoord is.
Ik wijs de gang van zaken in de Merenwijk af omdat deze een bijzondere naïviteit verraadt, en omdat daarachter een theologische beslissing, een visie op het belijden, ligt, waarvan, naar ik vrees, te weinigen zich rekenschap geven. Wat deze naïviteit betreft: nederlanders, ook kerkelijke nederlanderss hebben er vaak moeite mee wanneer blijkt dat anderen niet denken als zij, en hebben de neiging om te denken dat wat voor hen gewoon is ook door anderen als normaal moet worden beschouwd, en verwonderen zich dan over het achter-zijn van die anderen. Wie nu volgt wat in rooms-katholieke kring omgaat ontdekt, dat de zaken juist andersom liggen: vooraanstaande rooms-katholieke theologen die op de reformatie georiënteerd zijn spannen zich in het rooms-katholieke eigene voor oecumenisch gebruik pasklaar te maken, maar uitsluitend en nadrukkelijk met behoud van dat eigene, en daarom wijzen zij een samengaan dat niet gepaard gaat aan voortdurende bezinning en niet in wisselwerking staat met datgene wat zowel de reformatie als het rooms-katholicisme van huis uit meebrengen, practisch unaniem af. De verwondering over wat men in Nederland op een aantal plaatsen doet is niet aan de paus of aan een aantal bisschoppen voorbehouden, maar is practisch algemeen. Zij, die zich in rooms-katholieke kring voor een samenwerkingsverband als in de Merenwijk inzetten nemen, vooral internationaal gezien, een eenzame post in. Nochtans geschiedt hel, onder ruggesteun van onze hervormde gemeente. De beslissing die daarachter ligt is m.i. een dubbele. De eerste is dat men doet alsof men het eigentijds rooms-katholieke levensgevoel, met zijn openheid dan ooit voor directe betrokkenheid op de Schrift, los kan maken van de rooms-katholieke leer der kerk aangaande zichzelf en de Schrift. Voorts deze, dat de moderne betrokkenheid van de rooms-katholiek op Schrift en prediking eenzelfde betrokkenheid is als die de protestant van huis uit meebrengt. Hoewel ik op zichzelf dankbaar ben voor het doorbreken van nieuwe inzichten in de rooms-katholieke kerk meen ik dat beide (veelal verzwegen) voorbeslissingen onjuist zijn.
Wezenlijk voor de rooms-katholieke opvatting van de prediking is dat zij geacht wordt bevestigd in te werken op buiten de Schrift om reeds bestaande geloofservaring. Deze geloofservaring is dan uiteraard in onze tijd een andere dan die in welke de klassieke rooms-katholieke theologie haar gestalte ontving, maar de gedachte dat het alleen het Woord is dat het geloof in het leven roept en dat alleen datgene wat daardoor scheppend is opgeroepen geloof mag heten, wordt zowel vroeger als heden als eenzijdig verworpen. Wanneer nu een samenwerkingsverband ontstaat als dat in de Merenwijk, op grond van het motief dat het inspeelt op wat in de moderne mens voor zover hij religieus is, leeft, meen ik, dat wij dit kunnen taxeren als een overwinning op punten voor het rooms-katholieke denken. Deze overwinning kon dan worden behaald doordat men terzijde heeft gesteld wat van de gereformeerde prediking in de brede zin waarin ik dit woord heb gebezigd het hart heeft uitgemaakt.
Het is m.i. een indringende analyse die een goed uitgangspunt zou kunnen bieden voor het gesprek in de ambtelijke vergaderingen. Of daar nog ruimte voor is? Meyers zelf is daar, blijkens het slot van zijn artikel, niet gerust op. Helaas zien we al te vaak dat de practijk zo toonaangevend wordt dat men aan de theologische bezinning voorbijgaat, waarbij men dan gemakshalve vergeet dat ook de practijk stoelt op theologische vooronderstellingen. Zeker, alleen maar praten kan steriel worden, dor en onvruchtbaar. Wij willen geloven en handelen niet uiteenrukken. Maar het huidige actualisme dat aan principiële bezinning op het reformatorisch erfgoed niet meer toekomt, is tot schade van de kerk, en tot schade van het volksleven. Een kerk die waarlijk kerk onder het Woord is zal gedurig weer haar prediking en gemeente-zijn aan het Woord dat ons allen richt en toetst; hebben te onderwerpen.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's