Belijdenis der Hugenoten (6)
De Confessio Gallicana
's Mensen valArt. 9 Wij geloven dat de mens die rein en gaaf naar het beeld Gods geschapen is door zijn eigen gebrek de genade die hij ontvangen had verloren heeft. En zo heeft hij zich vervreemd van God die de Bron is van alle gerechtigheid en van al wat goed is. Zodanig dat zijn natuur geheel verdorven is, en hij verduisterd in zijn verstand en verdorven van hart alle rechtschapenheid verloren heeft, zonder nog een rest daarvan te behouden. Al is er nog enig onderscheid tussen goed en kwaad in hem gebleven, toch is, naar ons oordeel, datgene wat hij aan licht in zich heeft in duisternis veranderd, zodra het gaat om het zoeken van God, zodat de mens geenszins door eigen inzicht en rede tot God kan komen. Al heeft hij nog een wil die hem drijft tot het doen van dit of dat, toch is die wil geheel gevangen onder de zonde, zodat zij niet vrij is om het goede te doen dan alleen inzoverre God die vrijheid geeft.
Rein en gaaf
Over de zondeval is door onze gereformeerde vaderen gesproken tegen de lichtende achtergrond van Gods goede schepping. Ook daarin volgden zij de taal van de Schrift.
Rein en gaaf kwam de mens uit Gods handen voort. Hij genoot zelfs de eer van het geschapen zijn naar Gods beeld. Wij zijn van hoge afkomst. Wij waren geen engelen in de hemel maar wel Gods uitnemendste schepselen hier op aarde. God mag de eer van zijn scheppingswerk niet worden onthouden.
Vervreemding
Niet alleen de moderne tijd, ook de Bijbel kent het woord 'vervreemding'. De mens zou, zo wordt heden vaak gezegd, vervreemd zijn van zichzelf. Die zelfvervreemding wijt men aan zijn sociale positie, die bepaald wordt door de klassenstrijd. Nieuwe sociale verhoudingen zouden de mens tot zichzelf brengen, het proces der zelfvervreemding opheffen.
Nu is er inderdaad die zelfvervreemding, al zoeken wij haar oorzaken niet alleen maar in de sociale positie die iemand kan innemen. Maar veel erger en veel wezenlijker voor 's mensen bestaan in deze wereld én voor zijn toekomst is de Gódsvervreemding. Dat is een vervreemding die wij als een schuld bij ons dragen. Wij wenden ons constant van God af. Hij is de Bron die wij de rug toekeren. In het paradijs is dat begonnen.
Deze vervreemding van God heeft fatale gevolgen. Zij leidt tot een gehele verdorvenheid van onze natuur. Buiten het Licht dat God is, is enkel duisternis, wij zijn verduisterd van verstand. Het hele hart is verdorven. Dit zijn allemaal woorden uit dit artikel, beter gezegd: uit de Schrift zelf.
De christen beaamt ze. Hij buigt onder het oordeel dat God in zijn Woord over hem uitspreekt. En zo ervaart hij ook de waarheid van dit oordeel.
Een gereformeerd christen zijn wil zeggen: in ootmoed eigen zondigheid en schuld belijden. Ons niet voor beter houden dan wij zijn, maar willen wezen wat God zegt dat wij zijn.
De resten
Op het eerste gezicht lijkt er een merkwaardig verschil te bestaan tussen hetgeen in onze NGB omtrent de gevallen mens beleden wordt en hetgeen hier in dit artikel van de CG over die mens gezegd wordt. De CG zegt immers dat in de gevallen mens alle rechtschapenheid (integrité) verloren is gegaan, en dat daarvan zelfs geen rest (residu) is overgebleven. In art. 14 van de NGB daarentegen lezen we dat de mens weliswaar de uitnemende gaven die hij van God ontvangen had door zijn val verloren, heeft maar toch nog 'kleine overblijfselen' (exigua vestigia) daarvan behouden heeft. Hier lijkt een tegenstelling voorhanden te zijn. Het mensbeeld van de CG lijkt 'pessimistischer' dan dat van de NGB.
Is dat werkelijk zo? Wij menen van niet. De 'kleine overblijfselen' waarover de NGB spreekt betekenen niet dat de mens nog door eigen hcht der rede God kan kennen en door eigen kracht Hem zoeken kan, doch alleen dat de mens zijn verantwoordelijkheid nog heeft behouden. En precies hetzelfde bedoelen de Hugenoten als zij zeggen dat er geen rest meer van 's mensen oorspronkelijke ongereptheid over is; immers, zij laten daarop onmiddellijk volgen dat het gaat over het 'zoeken' van God en het 'komen' tot God.
De mens is mens gebleven, dat is de ene kant, maar hij is een verdorven mens, dat is de andere kant. Men zal zowel het een als het ander moeten belijden. Opdat niet aan de mens de eer wordt gegeven, als hij zalig wordt, die alleen aan God mag worden gegeven; en opdat anderzijds de mens niet zijn verantwoordelijkheid voor God en mensen ontnomen wordt.
Wij hebben nog, zoals de CG zegt 'verstand' (intelligence), 'rede' en een 'wil'; wij zijn niet door onze val van ons mens-zijn beroofd. God gaat nog altijd met ons om als met mensen, redelijke en willende mensen. Maar dat sluit niet uit (maar juist in) dat Hij alles aan ons doen moet, willen wij ooit op de weg naar Hem komen. Hij is het die ons verstand moet verlichten en die onze wil moet ombuigen en ons hele hart moet vernieuwen.
De erfzonde
Art. 10 Wij geloven dat alle nakomelingen van Adam met dit kwaad (der zonde) zijn bevlekt, hetwelk de erfzonde is, een erfelijk kwaad en dus niet slechts de navolging (van een verkeerd voorbeeld), zoals de Pelagianen hebben geleerd, wier dwalingen wij verwerpen. Wij houden het niet voor nodig te onderzoeken hoe de zonde van.de ene mens op de andere overgaat, aangezien het meer dan genoeg is dat wij weten dat hetgeen God de mens gegeven had niet voor Adam alleen bestemd was, maar voor heel zijn zaad, en dat wij dus in zijn persoon van alle goederen ontbloot zijn en onderworpen zijn aan alle ellende en vloek.
Allen bevlekt
Het is een ervaringsfeit dat alle mensen door de zonde zijn aangetast, met zonden zijn bevlekt. Niemand kan er onderuit dit te erkennen. Men kan de ernst der zonde verkleinen, men kan het bestaan der zonde niet loochenen. Doch ons geloof rust niet in de eerste plaats op deze ervaring, maar op het getuigenis der Schrift.
Het is de Schrift die ons ook onthult waar het kwaad der zonde een aanvang heeft genomen. Via de keten der geslachten zijn wij allen met Adam en Eva verbonden, bij hen is het begonnen. Door hun val is de zonde in de wereld gekomen.
De Pelagianen, die in dit artikel uitdrukkelijk worden genoemd, hebben dat ontkend. Zij laten de 'zonde', voorzover er zonde is (men kan er nl. ook rein van blijven) beginnen bij de daad zelf. Ik zie een ander iets verkeerds doen en ik doe het na –, dan wordt op datzelfde moment de zonde 'geboren'. Zij was er in mij tevoren niet, zij is nu pas in mij ontstaan.
Het is een verleidelijke gedachte. Zij bespaart mij alle klachten over mijn verdorven natuur. Ik kan nu trachten met mijn goede daden de kwade uit te wissen. De mens wordt zijn eigen verlosser, redder, zaligmaker. Alleen, zijn geweten vindt geen rust! Dat is niet zo goedkoop gerust te stellen. Voor God, in het stervensuur, is de 'troost' van Pelagius niet houdbaar.
De dwalingen der Pelagianen moeten worden verworpen. Hoe verleidelijk zij ook zijn, zij bieden niet de ware troost. Zij ontkrachten het Evangelie.
Van de een op de ander
Al vanouds is het in de christelijke dogmatiek een probleem, en zelfs een heel moeilijk probleem, hoe wij ons moeten voorstellen het feit dat Adams zonde overgaat van de een op de ander, heel konkreet: van vader en moeder op het kind dat zij voortbrengen. Wij zullen de theorieën die hierover bestaan, en die waarlijk niet als zinloos aan de kant te schuiven zijn, nu niet ophalen. Wij willen er liever op wijzen dat de CG zegt, dat het niet nodig is dit te onderzoeken. Het mag nodig zijn voor de dogmatiek, het is niet nodig voor het geloof. Hoeveel dogmatiek en geloof ook met elkaar te maken hebben, zij vallen niet samen. Een Belijdenis moet niet een dogmatiek zijn, zij moet alleen maar vertolken wat geloofd wordt! Een Belijdenis moet zich houden aan het Woord alleen. Aan hetgeen in dat Woord zonneklaar is. Verder behoeft en mag een Belijdenis niet gaan. Niet alleen theologen moeten haar van heler hart kunnen onderschrijven, ook eenvoudige gemeenteleden die de Schrift kennen en verstaan.
Daarom is een verándering van een Belijdenis ook altijd zulk een riskante zaak. Het gevaar is er, dat men een stukje theologie er in wil opnemen, en dan meest hédendaagse theologie. Zelfs al zou dat stukje theologie verantwoord zijn, dan is dat nóg geen reden om het op te nemen in de Belijdenis. Een Belijdenis moet gloeien in de harten der gelovigen, men moet er 'amen' op kunnen zeggen, men moet er desnoods zijn leven voor over hebben. En daarvoor moet een Belijdenis meer bevatten dan theologische stellingen, nl. het duidelijk getuigenis der Schrift dat leeft in de harten der gelovigen.
De Hugenoten hebben zich er dus voor gewacht het pad van de theologische bezinning op te gaan. Dat hebben zij aan de dogmatiek overgelaten. Zijzelf beperkten zich tot hetgeen vast en zeker is, omdat het Woord er zonneklaar over is. Hóe de zonde van Adam overgaat van de een op de ander, daarover kan men discussieren, maar dat zij van de een op de ander overgaat, dat staat buiten discussie, dat leert de Schrift zo duidelijk dat wij dwalen als wij het ontkennen. Wij komen dan, al is het onbedoeld, terecht in het gezelschap van de Pelagianen, van wie wij al hoorden, dat zij het hele Evangelie hebben ontkracht.
Tot slot, de CG heeft evenmin als de NGB de mens veel stof tot roemen in zichzelf overgelaten. Alle kronen die hij op zijn hoofd zou willen zetten worden hem zonder meer ontnomen. Alleen maar om de mens te ontluisteren? Neen, maar om zijn God te verheerlijken. Want alle kronen die wij maar bedenken kunnen, dienen te worden gelegd aan de voeten van het Lam.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's