Wij doen belijdenis in de Kerk
Belangrijke dag
Het gaat gelukkig nog ieder jaar door, het belijdenis doen van een aantïl, meest jonge, mensen in de kerk, ten aanhore van heel de gemeente. Voor hen zelf in de eerste plaats is het een hoogst belangrijke dag. Zij behouden er gewoonlijk een herinnering aan gedurende het hele verder leven. Menigeen kan zeggen: Het was een goede tijd toen ik mij voorbereidde op het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis, en ook de dag zelf waarop dit geschiedde was voor mij een goede dag. Maar niet alleen voor de betreffende personen, ook voor de gemeente, ook voor heel de kerk is de zondag van het afleggen van een openbare belijdenis hetzij van vele of van weinige jonge mensen een belangrijke dag. Op die dag worden er weer velen aan de Gemeente (om een bijbelse term te gebruiken) toegedaan. Zij scharen zich in het gelid der ouderen, ja ook wel om straks de plaats van die ouderen over te nemen.
In de kerk bestaat de traditie, een woord dat 'overlevering' betekent. De boodschap van het Evangelie wordt overgeleverd, van de een aan de ander. Als die traditie, die overlevering er niet meer was, was het met de kerk spoedig gedaan. Maar ook de taken, de verantwoordelijkheden worden overgeleverd ook zij gaan van hand tot hand. Wie wat ouder wordt en een aantal jaren heeft meegelopen in de kerkelijke dienst, krijgt daar gaandeweg meer oog voor. Kerkeraden vernieuwen zich, zelfs al zouden zij daarin nog zo traag zijn. Na een aantal jaren ziet men nieuwe gezichten. En zo is het ook op andere posten in de kerk. Er gaan elk jaar predikanten met emeritaat, maar gelukkig doen er ook elk jaar een aantal candidaten ergens intree in hun eerste gemeente. En zo is het niet alleen in de domineeswereld, maar ook in andere sectoren van kerkelijke arbeiders.
Wat een zegen als er steeds weer jongeren aantreden, om de draad die de ouderen moeten laten vallen op te nemen. Het ene geslacht reikt het andere de hand en zo strekt de kerk zich uit over de eeuwen. Via een netwerk van vele geslachten zijn wij verbonden met de vaderen, zelfs met de apostelen en de profeten. Daarom is het ook voor de kerk een belangrijke dag als jonge mensen in het openbaar belijdenis afleggen van hun geloof.
Wij belijden de kerk
Maar dan is het natuurlijk wel noodzakelijk dat deze jongeren ook zelf oog hebben voor de kerk. Helemaal vanzelfsprekend is dat niet. Tenminste niet in onze tijd. Er zijn nog al wat mensen die zich christenen noemen, ook onder de jongeren, die maar weinig 'zien' in de kerk. Soms overmeestert hen de boze gedachte dat de kerk niet anders rneer is dan een op de zee van deze moderne wereld zinkend schip.. Het is waar, een aantal mensen staat te pompen om dat schip boven water te houden. En dan heeft men vooral de predikanten voor ogen. Wat sjouwen ze niet af! Van de morgen tot de avond druk. En de zichtbare resultaten? Niet geweldig! Zij lopen wel tienmaal harder dan hun ambtsbroeders van ongeveer een mensenleeftijd geleden, en zij hebben misschien intussen ook tienmaal minder mensen in de kerk. En terwijl vroeger maar weinig gemeenteleden actief waren, zijn dat nu hele scharen. In bijkans elke gemeente kan men in een Gemeentegids wel bladzijden vullen met wat er allemaal aan verenigingen, enz., is en gedaan wordt. Niet alleen onder ouderen wordt gewerkt, ook onder jongeren, niet alleen onder kerkdijken, ook onder onkerkelijken. En alweer: 'hoe pover is soms het resultaat! Is de kerk dan niet, wij herhalen dat beeld, een 'zinkend schip'?
Het is waarlijk niet zo'n prettige gedachte. Zij is geschikt de laatste rest die wij nog aan moed hebben de grond in te boren. Eigenlijk is het zonder meer verbazingwekkend dat niettemin toch nog en nog wel elk jaar opnieuw, niet slechts enkele maar véle jongeren zich melden voor de belijdeniscatechisaties en dan op de daarvoor gestelde dag openbare belijdenis des geloofs afleggen en daarmee toetreden tot deze kerk, dus welbewust hun treden zetten op dit voor het oog zinkend schip.
Zien zij dan tóch iets in die kerk? Dat móet wel. En het is ook inderdaad zo. Hun is geleerd dat de kerk niet een zaak van mensen is, maar Gods zaak. Geen vereniging alleen maar van en voor liefhebbers. Geen stichting: waarin alleen de initiatiefnemers het voor het zeggen hebben. Geen bond van geïnteresseerden die een bepaald belang, hoe goed dat ook is, nastreven. Neen, een eigen werk van God, een stichting van Hem die de Koning der kerk is. Die ook in eigen Persoon garant staat voor de toekomst van de kerk.
Voor het oog mag de kerk zinken, dat is maar voor het óóg. En dan niet pas vandaag, neen ook al in het verleden. Er zijn zovele 'duistere' eeuwen geweest in de geschiedenis der kerk. In de dagen van Achab was zij bijkans tot 'niets' geworden. In de middeleeuwen was zij totaal bedorven. In de tijd van de Reformatie even een opbloei, en toen weer neergang. In de 18e eeuw een kerk die tot op het bot geestelijk vermagerd was. In de 19e eeuw een vergaarbak van ketterijen. En in déze eeuw? En zelfs in de beste eeuwen waren de klachten van de trouwe dienaren van het Evangelie niet van de lucht. En toch was er steeds een kerk, en bleef er een kerk. Het schip leek te zinken, en toch is het nooit gezonken. En het geloof zegt: het zál nooit zinken. En het is ook niet alleen maar pompen wat wij doen, wij varen ook nog. En er zit zelfs voortgang in. De Toekomst tegemoet. In onze Apostolische Geloofsbelijdenis staat: Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk. Let wel: Ik geloof…. En: het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet (Hebr. 11 : 1).
Werken in de kerk
De kerk is de gemeenschap der heiligen. Dat betekent dat wij voor elkaar wat betekenen moeten. Wie lidmaat van de kerk is geworden staat niet meer alleen. Tegen pasgetrouwden zegt men weleens: Nu ben je niet meer alleen baas. Wie tot de kerk toetreedt is eveneens gebonden. Gebonden aan de anderen. Maar die band behoeft niet te knellen. Er is een zegen in.
Onze Catechismus zegt zo fraai: Elk moet zich schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden (Vr. 55). Hier wordt verondersteld dat dus elk lidmaat 'gaven' heeft. Dat is bijbels. In de gelijkenis van de talenten somt de Heere Jezus drie soorten dienaren op: er waren er met 5, er waren er met 2 talenten en errtaren er met 1 talent. Maar niemand was geheel zonder.
En nu komt het er op aan dat wij ze 'aanwenden', dat wil zeggen gebruiken. Voor anderen. Voor andere lidmaten, leden van hetzelfde, éne lichaam van Christus dat de kerk is. Tot hun nut en tot hun zaligheid. En wij dienen dat te doen met 'vreugde' en 'gewillig'.
Wij zullen elkaar niets wijsmaken: Het vervullen van deze opdracht is menigmaal erg moeilijk. Die 'andere lidmaten' zijn niet altijd zo tam en zo lief als wij ze graag zien zouden. Al hebben wij hun nut en zaligheid op het oog, dat wil nog niet zeggen dat zij naar ons luisteren willen.
Het kerkelijk leven kent zijn teleurstellingen. Soms zelfs zijn ontgoochelingen. De kerk is lang niet wat zij wezen moet, en wij zijn het ook niet.
Ik denk aan wat Calvijn geschreven heeft over de naastenliefde in het algemeen, en wil dat toepassen ook op de liefde tot medechristenen. Hij zegt: men moet in de ander niet in de eerste plaats die of die mens zien, want die valt menigmaal bitter tegen; dan vergaat u de lust om hem of haar goed te doen; een hond is vaak dankbaarder dan een mens; neen, ge moet in ieder mens allereerst zien het beeld Gods. Zelfs in de misdadiger. Hoeveel te meer dan in een medechristen. Hoe geschonden het ook is, in de medechristen is het beeld van Christus. Wij moeten van dag tot dag vernieuwd worden naar Zijn beeld, – het geldt van onze medelidmaten én van onszelf.
Alleen als wij dat voor ogen hebben kunnen wij 'gewillig' en zelfs met 'vreugde' die paar gaven die wij ontvangen hebben ten nutte en ter zaligheid van andere lidmaten aanwenden.
De zegen van de kerk
Nog een laatste punt. De kerk is ons ook tot zegen. Wij danken veel aan haar. Zij is een moeder. Een moeder die soms weinig lijkt op een moeder, en toch een moeder is. En wij zijn haar kinderen.
Wij zijn in de schoot van de kerk geboren, gevoed, gekoesterd, gebakerden opgegroeid. In de kerk hebben wij Christus leren kennen. Hier hoorden wij zijn Naam. Hier werd ons Zijn stempel op het voorhoofd gedrukt. Wij kunnen God niet tot Vader hebben, zei Calvijn, als wij de kerk niet tot moeder hebben. Met eerbied gesproken: God en de kerk zijn samen getrouwd, zij vormen een span, men mag ze niet van elkaar scheiden. Het beeld is bijbels: De kerk is de bruid van Christus. Dat is zij en dat blijft zij. Ziende op de droeve staat waarin de kerk verkeert heeft men haar weleens een 'weduwe' genoemd. Ik heb mij in dat beeld nooit kunnen vinden. De bijbel noemt haar 'moeder' en 'bruid'. En wij zullen altijd weer moeten zeggen: Wees dan een moeder en wees de bruid! En wij zullen dat ook tegen onszelf moeten zeggen, want ook wij zijn de kerk. Wij mogen van de kerk niet eisen wat wij niet tegelijk ook van onszelf eisen.
Wees de Heere dankbaar voor de kerk. Zij is een genadegave Gods. Hoezeer wij mensen haar verdorven hebben, toch blijft zij: de bruid van Christus en ons aller moeder.
Laat u vrij koesteren in de zorg van deze moeder. Verdraag en betreur haar kwalen en gebreken. Tracht ze ook te beteren.
Alwie ooit openbare belijdenis des geloofs deed, deed dat in de kerk. Deed dat dank zij de kerk. En deed dat ook óm de kerk. Om haar te helpen, en te dienen, haar in stand te houden, te verdedigen, te eren. God houdt Zijn kerk in stand, maar Hij wil daar ook ons toe gebruiken.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's