Mijn hart roept uit tot God, Die leeft
Heimwee naar de voorhoven des Heeren. Voor Gods Aangezicht naderen en in dankbare ootmoed de Naam des Heeren uitroepen. Zo vinden we het in de onvergetelijke psalm 84. En het galmt de eeuwen door, als we die psalm aanheffen in de gemeente, die naar Christus' Naam is genoemd.
Mijn hart roept uit tot God, Die leeft.
Als ook dit jaar weer velen in ons land op Palmzondag openbare belijdenis des geloofs afleggen, kan het niet inniger en heerlijker dan wanneer zij het zo mogen doen, zoals Gods pelgrim het doet in het lied van verlangen. Psalm 84. Dan is daar weer de indringende vraag: 'In tegenwoordigheid van God en van Zijn gemeente vraag ik u: Belijdt gij te geloven in God, de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde en in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere en in de heilige Geest…?' En daarop dan dat eenvoudige, maar tegelijk zo hoogheilige antwoord: 'Ja'.
In stille aanbidding
Het is voor het Aangezicht van de levende God, dat wij dat ja-woord uitspreken. Het is een gemeente, die het aanhoort. Maar het is bovenal die levende God, die wij tot Getuige aanroepen, als wij ons geloof belijden. 'Wilt heden nu treden voor God, de Heere…!' 'Komt, nadert voor Zijn Aangezicht…!' Het uur van onze belijdenis is, als het goed is, een uur van stille aanbidding.
Zoals in elke eredienst, zo ook in die; waarin mensen geloofsbelijdenis afleggen, treedt die levende God naar voren. Het is, alsof Hij ons zegt: 'Jongen, jij hebt nu al zoveel jaren het onderricht van de kerk gevolgd en zo vaak heb Ik het betuigd, hoe Mijn hart naar je uitgaat. Mag Ik het nu eens van jou horen, hoe jij daarover denkt? Kan het lijden, dat je het met mond en hart belijdt: 'Ik geloof het, Heere?' En U vrouw, die zoveel kostbare jaren van Uw leven zonder God hebt geleefd en nergens vrede vond, zou U het dan nu maar niet eens uitspreken. Ik geloof, Heere? 'Wat dunkt u van Mijn Christus?!'
Heel de Bijbel is eigenlijk één gedurige roep van God uit: 'Mijn zoon, mijn dochter geef Mij Uw hart.' En op iedere Zondag wordt die Goddelijke roep in de prediking naar ons toegedragen. Kan het lijden, dat wij daarop het antwoord schuldig blijven? Of moet het eruit, als de Heere ons door Zijn Woord en Geest naar Zich toetrekt: 'Ik geloof, Heere… mijn hart roept uit…!'
Zo moest het elke dag maar wezen. Maar zo mag het na de afronding van het catechetisch onderwijs in het bijzonder zijn, als mensen belijdenis van hun geloof afleggen. Niet maar een dorre repetitie van de leer. Niet slechts een verstandelijk aanvaarden van waarheden. Maar het antwoord van een hart, dat aan de levende God verbonden is geraakt, een beamen van wat de Heere ons voorhoudt in Zijn eisen en beloften. Mijn hart roept uit…!
Het geloof belijden, dat is: in gemeenschap met allen, die dat met ons en vóór ons deden en in hartelijke overeenstemming met de belijdenis van de kerk, stil aanbidden. Het is, als het goed is, een aanbidden van die God, Die in grondeloze barmhartigheid Zijn hart openzet voor goddelozen door het verzoenend bloed van Zijn Zoon. Van Thomas van Aquino wordt verteld, dat hij eens droomde. In die droom kwam God tot hem en zei: 'Thomas, begeer, wat gij wilt…!' En toen vatte die man al zijn begeerten samen in dit éne antwoord: 'Niets, Heere, niets dan Uzelf, dan U alleen.' En die andere Thomas, Thomas à Kempis drukte het zo uit: 'Wat Gij mij ook schenkt, o God, het is nietig en onvoldoende, als het niet Uzelf is.'
In kinderlijke ootmoed
Maar die stille aanbidding van een hart, dat gelooft en een mond, die belijdt, moet altijd samen opgaan met een kinderlijke ootmoed. Als wij voor God staan in het vuur van onze belijdenis, kunnen we dat dan zonder ons van harte voor die God te verootmoedigen? Wie waren wij ooit voor Hem en wie zijn we vooralsnog? Belijdenis van geloof is nooit los van belijdenis van zonden. Ik las één dezer dagen van een jongen van zeven jaar, die met opgepropte broekzakken voor zijn moeder stond. 'Maar jongen', zei moeder, wat heb je nu toch allemaal weer in je zak?' En toen moest hij 't er allemaal uithalen: een stuk touw, een paar kastanjes, een brok stopverf… Eén grote rommel. Maar het hart van die jongen zat er aan vast. En het viel hem niet gemakkelijk om het allemaal op tafel te leggen en tenslotte ook nog de voering van zijn zakken binnenste buiten te moeten keren. Met alles voor de dag komen, ook met die verborgen begeerten, waar ons hart zoveel mee op heeft. Onze ziel binnenste buiten keren. Dat valt zwaar. Maar toch is er geen echte geloofsbelijdenis, of dit is er ook: 'Doorgrond m'en ken mijn hart, o Heer'…' 'Zie, of bij mij een schadelijke weg zij…!' (Ps. 139)
Kinderlijke verootmoediging over onze dwaze hoogmoed, onze eigengerechtigheid, onze wereldsgezindheid ook over ons ongeloof. 'Ik geloof, 'Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.' Neem Petrus. Het éne moment was het de Vader in de hemelen. Die het hem openbaarde en hij beleed: 'Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God (Matth. 16 : 16 vv.). Maar even later moest Christus hem zeggen: 'Ga weg achter Mij, satan, gij zijt Mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.' God en satan in één en hetzelfde mensenhart. Een machtige geloofsuitspraak. En een protest tegen een kruisweg. Wat leeft er allemaal niet in ons hart! En om dat te willen weten. En om het te willen hebben, dat God het weet. Opdat Hij ons gedurig zou reinigen door Jezus' bloed. En opdat Hij ons gedurig zou heiligen door Zijn Geest. Zo staan we, als het goed is, voor God in het uur van onze belijdenis.
In liefdevolle toewijding
Stille aanbidding – kinderlijke ootmoed. Maar in dat uur van onze belijdenis, waarin we met een dure eed aan de dienst des Heeren verbonden worden, mag ons hart ook vervuld zijn met een intense begeerte om van nu voortaan tot eer van God en tot nut van onze naasten te leven. Voor rekening liggen van de God, Die leeft, betekent ook, dat we t.b.r. willen zijn, ter beschikking van de regering van onze grote God. Er wordt wel eens gezegd, dat belijdenis-doen niet een testimonium (getuigenis) van goed zedelijk gedrag is. En zo is het ook. Wij zeggen met onze Heidelberger, dat wij in dit leven slechts 'een klein beginsel van een nieuwe gehoorzaamheid' kunnen hebben. Maar dit klein beginsel is toch zeker niet een vrijbrief om aan onze zonden te blijven hangen!? 'Het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waar geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid' (Heid. Cat., Zondag 24). Bekering is geen zaak, die in onze kleren gaat zitten. Dat snijdt door de ziel. De leer van vrije genade maakt geen zorgeloze of goddeloze mensen.
Het is als met die man, van wie Spurgeon vertelt, dat hij op een avond verdwaalde in een berglandschap. Hij kon geen hand voor de ogen meer zien. En hij durfde ook geen voetstap meer te verzetten. Vlak naast hem, dacht hij, gaapte een afgrond. Met alle macht klampte hij zich toen vast aan een oude boom. En zo hing hij daar, met het zweet op zijn voorhoofd en angst in al zijn ledematen. Totdat zijn moede handen tenslotte los moesten laten. En toen viel hij… 'ongeveer een voet', zegt Spurgeon. 'En hij kwam terecht op een met mos bedekte glooiing, waarop hij volkomen ongedeerd en volmaakt veilig tot de morgen neerlag.' Ja, zo hebben wij ook onze houvast. Wij handhaven onszelf tot het laatste toe. Maar als we het leren opgeven en wij vallen in de armen van Jezus Christus, dan: geen afgrond en een verpletterende ondergang, maar een zachte veilige glooiing: Zijn liefde. Zijn kostbaar bloed, Zijn volmaakte rechtvaardigheid. En onmiddellijke rust en vrede.
Als onze geloofsbelijdenis iets van dat wonder bevat, is er een radikale scheiding gekomen met ons oude ik-zuchtige leven. Wij hangen niet meer verkrampt aan de takken van eigen wijsheid, kracht en vroomheid. En al is die scheiding dan niet zo absoluut, dat dat oude zondebestaan, vol zelfhandhaving, ons geen parten meer speelt, wij hebben toch maar één begeerte, nl. om die God te behagen, die ons zo onuitsprekelijk rijk opving in onze ondergang.
Onder oud-Israël kwam het wel eens voor, dat een slaaf, die lange tijd zijn heer gediend had en het goed bij hem gehad had, er in bewilligde om bij die heer te blijven, wanneer de tijd van zijn vrijlating was gekomen. Maar zijn besluit om bij die heer te blijven, moest dan wel bekrachtigd worden door een plechtige symbohsche handeling. Hij werd tegen de deurpost van het huis van zijn meester gezet. Daarna werd hem het oor doorboord d.w.z. dat zijn oorlel even werd vast geprikt aan de deurpost (Ex. 21 : 6). Een ceremonie, die betekende, dat die slaaf vrijwillig gekozen had voor een altijddurende dienst van zijn heer.
En dat spreken wij dan ook in onze geloofsbelijdenis uit: 'Gij hebt mij het oor doorboord.' 'k Wil aan Uw dienst oprecht verbonden blijven. Geen hoger eer, die ons geschonken kan worden dan die van 's Heeren koninklijke dienst. Opteren in ijver voor Zijn huis. Meer arbeiden met de gaven, die Hij ons gaf, in Zijn gemeente. Opbranden als een kaars, die wat licht en warmte verspreidt in broederlijke liefde voor de ander. Dat is een kostelijk leven.
Wie zo 'coram Deo' (voor het Aangezicht van God) staat in het vuur van zijn belijdenis, die staat daar niet in eigen kracht. Die blijft gedurig aangewezen op kracht van omhoog. En zijn God zal daarvoor zorgen. Want 'wie in de krijg dient, wordt niet ingewikkeld in de handelingen van de leeftocht…' (2 Tim. 2 : 4). Die hem tot de krijg heeft aangenomen. Die zorgt voor teerkost op de weg. Hun geeft Hij moed en krachten, die hopend op Hem wachten.
Mijn hart roept uit tot God, Die leeft…!
C. den Boer, Woudenberg
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's