Uit de pers
Theologiebeoefening in Apeldoorn
Naar aanleiding van het zilveren jubileum van de hoogleraren Kremer, Oosterhoff en Van Genderen verscheen er een bundel theologische opstellen bij uitgeverij Bolland onder de titel 'Uw knecht hoort'. Nu gaat het me niet om de inhoud van deze bundel in dit verband, maar om een aantal opmerkingen die prof. dr. J. Veenhof in het Geref. Weekblad van 23 maart jl. maakte over de theologiebeoefening binnen de Chr. Geref. kerken. Nadat Veenhof gewezen heeft op de uitbouw van de School schrijft hij:
Ik denk, dat ook kerkelijk gereformeerde mensen blij mogen zijn, wanneer het Apeldoorn goed gaat. Al zijn er verschillen, wij verstaan elkaars taal. Wij hebben dezelfde achtergrond. Wij kunnen van elkaar ook leren. Wat de christelijke gereformeerde kerken aangaat: zij kennen binnen eigen kring sinds lang een bepaald soort pluralisme, ook b.v. ten aanzien van partijpolitieke keuze. Dit pluralisme zal wel niet altijd gemakkelijk zijn in de praktijk, maar het heeft toch kennelijk het samen verkeren in één kerkelijk verband niet in de weg gestaan. Wellicht zouden gereformeerden hun voordeel kunnen doen met de ervaringen, door de christelijke gereformeerden opgedaan. Er zouden nog andere dingen te noemen zijn. Op dit moment vermeld ik alleen met erkentelijkheid de hulp, die de theologische faculteit van de VU in vacatureperiodes mocht ontvangen van prof. Oosterhoff en prof. van 't Spijker.
De lijst van medewerkers aan de bundel levert nog een interessante conclusie op, die met het pluralisme wel iets te maken heeft. De gepromoveerden onder hen hebben hun doctorsgraad aan maar liefst vijf verschillende faculteiten behaald! Toch zijn zij duidelijk geestverwanten van elkaar. Dit brengt mij tot een opmerking over de materiële inhoud van de bundel. Er is onmiskenbaar een sterke belangstelling voor de exegese, gevolgd door kerkgeschiedenis en zendingswetenschap (elk twee bijdragen). De systematische en practische theologie treden in vergelijking daarmee wat terug. Persoonlijk zou ik graag eens willen zien, hoe bepaalde inzichten in de exegetische artikelen voor de systematiek vruchtbaar gemaakt kunnen worden.
Jammer genoeg werkt Veenhof niet uit wat hij precies bedoelt met het woord 'pluralisme'. Of moeten we denken aan het feit dat ook binnen Chr. Geref. kring in theologisch opzicht verschillen zich voordoen? Ik denk b.v. aan de discussie over de klinisch pastorale training in een van de bladen, aan de kritiek van J. H. Velema op Harder inzake diens visie over de diakonale gemeente. Discussies die m.i. laten zien hoe ook binnen de Chr. Geref. kerken het spanningsveld aanwezig is tussen Geref. belijden en de eigentijdse situatie. Dat is natuurlijk niet vreemd. Alleen wie de confrontatie ontwijkt, ontkomt aan dit spanningsveld. Maar het is wel te hopen dat deze confrontatie niet leidt tot een prijsgeven van fundamentele bijbelse en reformatorische noties onder de druk van de moderne theologische inzichten. Dat is een gevaar waar we allen voor staan. Het verklaart m.i. ook het pluralisme binnen de Geref. kerken. Een pluralisme dat op gespannen voet staat met de eenheid rondom de Gereformeerde belijdenis. Natuurlijk zijn er accenten binnen de eenheid. Maar toch is het voor de toekomst van de Gereformeerde theologie te hopen dat het door Veenhof gesignaleerde pluralisme in de Chr. Geref. kerken niet het karakter gaat aannemen van dat wat we binnen de Geref. kerken vinden.
Walther Künneth en de twee rijken-leer
De Duitse theoloog Künneth heeft in een bepaald verband een lijn getrokken van Barth's strijd tegen het nationaal-socialisme en de theologie der revolutie. Barth zou in zijn oproep tot verzet politiek bezig zijn geweest, terwijl Künneth in de lijn van Luthers twee rijken-leer staat en kerk zo wil scheiden dat de kerk zich niet met politiek moet bemoeien en het lijden op zich moet nemen wanneer de overheid zoals onder Hitler demonische trekken aanneemt. Op het verschil tussen Künneth en Barth inzake beider verzet tegen de Nazi's ga ik niet in. Het gaat me om het hierboven genoemde punt waarover prof. dr. J. Douma in De Reformatie van 10 maart een aantal behartigenswaardige opmerkingen maakt. Douma doet dit in het kader van een verslag van een congres in Frankfurt, waar Künneth een van de woordvoerders was. Veel in Künneths theologie spreekt Douma aan, maar op dit punt wijst hij zijn visie af. Douma schrijft:
Ik zal niet ontkennen dat er verbindingen lopen tussen theologen van de revolutie en Karl Barth. Maar dan zie ik die verbindingen meer tussen deze theologen én de latere Barth (met zijn sympathieën voor het marxisme en zijn luchtig praten over de regiems achter het ijzeren gordijn, zie Lebensführung, pag. 130) dan tussen hen en de vroegere Barth (met diens verzet tegen het nationaal-socialisme).
Want laten wij oppassen met Künneth hier bij te vallen! Wat hij tegen Barth zegt, hebben n.s.b.-ers en ook niet-n.s.b.-ers tegen Schilder gezegd: U bemoeit zich met politieke zaken als u het lidmaatschap van n.s.b. en c.d.u. voor kerkleden verbiedt.
Het is heel nuttig om Schilders brochure 'Geen duimbreed'! uit 1936 in onze discussie te betrekken. Ook Schilder kreeg te maken met mensen die hem voor de voeten wierpen dat de kerk het terrein van de politiek betrad. Maar voor dat argument is hij niet opzij gegaan, net zo min als Barth dat deed. Want over de n.s.b. en de c.d.u. merkte Schilder op dat het maar niet alleen 'politieke partijen' waren, maar dat zij met een belijdenis kwamen waartegen de kerk háár belijdenis moest tellen. Is de kerk werkelijk kerk, dan moet zij zich tegen elk ander evangelie dan het evangelie van Christus verzetten. Dat was in Duitsland zo, dat was niet minder zo in Nederland.
Met alle verschillen die er tussen Schilder en Barth zijn aan te wijzen (men leze in 'Geen duimbreed'! ook de pagina's 70-82), is er overeenstemming op dit punt dat men zich niet moet laten wijsmaken dat de kerk zich buiten de politiek kan houden als de politiek zich aan het evangelie en aan de kerk vergrijpt.
Neem b.v. de discriminatie en vervolging van de joden. Dan houdt de jong-reformatorische beweging (Künneth) nog een slag om de arm. Zij zei in 1933 dat het uitsluiten van niet-ariërs uit de kerk berustte op verwisseling van staat en kerk. De staat heeft te richten, de kerk heeft te redden (Wilhelm Niemöller, a.w., 83). Dat klinkt heel mooi, maar het scheidt hier terreinen die niet te scheiden zijn. Als nu eens Hitler had gezegd dat de kerk rustig joden in haar midden mocht toelaten, maar dat de staat desondanks de politiek van de vernietiging der joden zou doorvoeren – had men dan als gemeente van Jezus Christus niet behoeven te protesteren? In naam van het evangelie dat ook een zgn. politieke maatregel krachtig onder schot moet nemen?
Barth heeft tot Widerstand opgeroepen. Maar wie dat zomaar een politieke, en dus revolutionaire aangelegenheid noemt, weet niet wat hij zegt. Barth heeft nooit met een pistool op zak gelopen of een knokploeg georganiseerd. Hij verzette zich tegen de aan de kerk toebedeelde verstikkingsdood en wist dat zijn tegenstanders (tot in de kerk toe) dat politieke rebellie zouden noemen (Karl Barth zum Kirchenkampf, 57). Maar wat een ander politieke rebellie noemde, was voor Barth kerkelijke Widerstand.
Zeg gewoon nee tegen een door Hitler opgedrongen rijksbisschop, weiger gewoon de eed op Hitler af te leggen, bid voor zijn bekering, doe niet mee aan het afslachten van joden en de vernietiging van zgn. 'lebensunwertes Leben' – dan ben je kerkelijk bezig, in gehoorzaamheid aan het evangelie.
Natuurlijk maakt een totalitair regiem ervan dat je je tegen haar politiek keert. En dat is ook zo. Want het is onmogelijk om een totalitair regiem dat de mens met lichaam en ziel aan zich wil binden, niet voor de voeten te lopen. Wie het meent met het ware evangelie, komt onherroepelijk overhoop te liggen met het valse evangelie. Hij kan niet doen alsof kerk en politiek elk hun eigen terrein hebben, want dat laat een totalitaire staat eenvoudig niet toe. In haar naïviteit (en haar angst!) kan de kerk zich op Luthers twee rijken-leer beroepen, maar zij verloochent heel gemakkelijk haar profetische opdracht wanneer het nationaal-socialistisch bewind één rijk proclameert: dat van Adolf Hitler met zijn ras-, bloed- en bodemwaan. De kerk wil misschien de politiek buiten de deur houden, maar de politiek, denkt er niet over de kerk buiten de deur te houden. Gelijkschakeling is haar parool. En wie zich daartegen verzet omdat de kerk zoiets niet mag nemen, die zal als een politieke revolutionair gebrandmerkt worden. De een wordt dan vanwege zijn Widerstand de grens overgezet naar Zwitserland, de ander wordt in Arnhem in de gevangenis opgesloten omdat hij eenvoudige evangelische en kerkelijke waarheden ronduit in de krant zet.
Douma wijst erop dat Künneths visie ook in Frankfurt weersproken werd. Ik meen dat het goed is dat Douma dit alles signaleert. Verzet tegen een verpolitisering van de prediking door bepaalde soorten maatschappijkritische theologie mag ons er niet toe verleiden om de politieke implicaties van de belijdenis van Christus heerschappij te ontkennen. In dat opzicht bieden de getuigenissen van onze gereformeerde vaderen m.i. meer bijbels perspectief dan de door Künneth e.a. voorgestane twee rijken-leer Ongetwijfeld is het goed beide rijken te onderscheiden. Maar tegelijk dient gezegd dat zij onder dezelfde Here en Koning staan. Niet elk kerkelijk verzet is gelijk te stellen met revolutie. Hier liggen tal van vragen die ook ten onzent dringend doordenking vragen.
Welke sleutel?
In het maartnummer van Credo gaat ds. J. Overduin kritisch in op de uitlegmethode van de feministische theologie. In de worsteling om het verstaan van de Schrift moeten we zorgen dat we de verkeerde sleutel niet hanteren.
Wij moeten proberen zonder opzettelijk vooroordeel te luisteren wat er dienaangaande in de tekst van de vier evangeliën staat. Ik zeg zonder opzettelijk, want niemand kan als een geheel onbeschreven blad papier naderen. Wij brengen wel het een en ander mee, waarvan we ons meestal niet voldoende bewust zijn: onze geestelijke opvoeding, onze karakterstructuur, de stand van ons geestelijk leven op dit moment, maar ook een stuk tijdgeest of een te sterke reactie op de tijdgeest.
Toch is het een wetenschappelijk gebod zo zindelijk en eerbiedig mogelijk te luisteren naar 'wat er staat'. Ik heb liever te doen met Bijbel-kritische exegeten, die zo eerlijk mogelijk zeggen 'wat er staat' en dan zeggen 'maar ik ben het er niet mee eens' dan met hen, die beweren te buigen voor het gezag van Gods Woord, maar intussen Gods Woord annexeren en laten buikspreken, omdat zij eerst hun gedachten ingelegd hebben om die later er uit te halen. Dat eerbiedig luisteren 'wat zegt de Here God' in deze tekst past in het bijzonder elk reformatorisch christen. Dat wil niet zeggen, dat wij – met de beste bedoelingen – daarin altijd ten volle slagen. ledere vertolker van Gods Woord zal, wanneer hij b.v. al z'n preekarbeid overziet, moeten zeggen: dit of dat zou ik nu niet meer zó zeggen of toen had ik daar nog geen goede kijk op. Wij kennen immers 'ten dele'.
Het is ondoenlijk in het korte bestek van dit artikel de ongeveer drie en dertig plaatsen uit de evangeliën, die betrekking hebben op Jezus en de vrouwen, stuk voor stuk te behandelen. Voor mij zelf ben ik die nagegaan. Ik kan alleen mijn conclusies geven en slechts een enkele greep ter illustratie doen.
Ik begin met de lofzang van Maria
Maria heeft ootmoedig zich bereid verklaard de weg van het heil, waarbij zij zo geheimnisvol betrokken werd, te aanvaarden. 'Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar Uw Woord.' Deze onderworpenheid was geen 'slaafse' onderworpenheid en geen accepteren van een zekere discriminatie, integendeel, het was de wondere weg tot bevrijding, tot zich-zelf-zijn in relatie tot de Here God. Zo kwam zij tot haar recht als Moeder des Heren in de weg van dienstmaagd des Heren. Wanneer Maria en Elisabeth elkaar ontmoeten, dan zingt Maria haar lofzang. (…).
Het is onbegrijpelijk hoe theologen tegen alle behoorlijke regels van de uitlegkunde in deze lofzang annexeren voor hun feministhsche theologie. En dit alles kan gebeuren onder de vlag van 'vertolken' voor de moderne mens. Inderdaad moet er vertolkt worden, maar niet zó dat men van alles alles weet te maken.
In het heil van Christus zijn alle aspecten (ook tot nog toe niet ontdekte) aanwezig, maar het is ongeoorloofd van elk nieuw ontdekt aspect een hele theologie te maken. Het is wel geoorloofd en zelfs geboden om een bepaald aspect in aktuele omstandigheden een zwaar accent te geven maar nooit met gelijktijdige discriminatie van andere aspecten. Elk deel moet functioneren in de totaliteit van het heil. Indien dat niet gebeurt, krijgen wij flodderaktualiteit. Prof. Berkhof zou zeggen: dat zijn van die mensen, die van de ene zegekar op de andere springen.
Behartigenswaardige en nuchtere overwegingen waarvan het te wensen is dat zij meer gehoor zouden krijgen! Niet de sleutel van de tijdgeest past op de deur van de Schriften, maar die sleutel die ontleend is aan de totaliteit van de Schriftopenbaring.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's