Cornelis Carel Callenbach (2)
Zij die bleven (16)
Afscheid van Nijkerk
Na één derde deel van een eeuw in de gemeente Nijkerk gearbeid te hebben, vertrekt ds. Callenbach naar zijn laatste gemeente: Elburg. Het kost hem grote moeite de gemeente Nijkerk te verlaten. Er is zoveel gebeurd; kinderen en een kleinkind blijven daar wonen. De graven van vrouw en kinderen zijn op het Nijkerkse kerkhof. Hij verzekert in de afscheidsdienst de gemeente: 'Er is een voornemen des harten bij ons, om geen dag voorbij te laten gaan, zonder u Gode en den woorde zijner genade op nieuw bevolen te hebben, en geen ding, dunkt mij, kan mij zoo aangenaam wezen, als te vernemen, dat het u in- en uitwendig wel gaat, en geen zaak zou mij meer bedroeven dan de geestelijke kwijning en achteruitgang der gemeente. In ons geval kan het niet zijn: 'uit het oog uit het hart'.'
Wat moet hem toch bewogen hebben, om op 58 jarige leeftijd, de gemeente te verlaten, die hem zo na het hart ligt? Iets daarvan laat zich vermoeden, als wij zijn afscheidpreek lezen. Februari 1861 neemt hij afscheid met de tekst Hand. 20 : 32a. Er moet iets gebeurd zijn wat de goede verhouding predikant-gemeente heeft verstoord. In de inleiding van de preek zegt hij o.a. dit: Hoe ik mij waardig zal kwijten, is mij eene zaak van zorg, strijd en gebed geweest. Geene beschuldigingen, geen scherpe zinsnedenmogen gehoord worden.' De dienst is begonnen met het zingen van psalm 130 : 2 en de predikant zegt dat hij die psalm, met een gebed om vergeving, niet alleen heeft laten zingen, maar ook zelf heeft meegezongen.
Het is in ieder geval niét de verhouding met zijn collega, ds. De Hoest, die verstoord is. Hartelijk spreekt hij hem toe en beveelt hem met de gemeente in Gods trouw en liefde aan. Wat ons opvalt is dat ds. Callenbach in deze preek zich meerdere malen richt tot een groep, die in andere uitgegeven preken nauwelijks ter sprake komt: de 'overgereformeerden'. Fel bestrijdt hij, die doorgaans zo mild is in zijn prediking, hen die zich op openbaring buiten de Schrift beroepen. 'God openbaart zich in het woord', zegt hij, 'omdat wij buiten dat woord zijner openbaringen niet op Hem rekenen mogen; omdat wij buiten het gebied der openbaringen ons van Hem afkeren ter regterof ter linkerzijde. Die het woord der genade niet hoog schat, die liever op eigen bevindingen en aandoeningen afgaat, die is of wordt een versmader Gods.' Even verderop bindt hij, met bewogen woorden, de gemeente op het hart alleen de Schrift te stellen tot een regel van het geloof en van de dagelijkse levenswandel. 'Dat zij het stelle als een wapen tegen de verzoeking en aanvechting van de vijand der ziel en tegen al wat boven en beneden regtzinnig is.'
Het Woord te verlaten acht hij een dodelijk gevaar: 'Ik acht niemand veilig onder de invloed van menschelijke meningen en van wat overgereformeerd is en door onze wijze vaderen nooit voor regtzinnig zou erkend zijn geweest, en waarvoor zij teruggebeefd zouden hebben… daarom, o mensch, die u door dat Woord niet vergaderen liet, noch leiden tot nu toe, begin het heden waard te schatten… De Heilige Geest wil dat die onkunde plaats ruime voor kennis, voor grondige kennis, niet voor het krampachtig vasthouden van ééne waarheid of twee, waarbij ze u toch tusschen de vingeren wegglijden, maar voor helderheid van inzigt in alle geopenbaarde waarheid. De lijdelijkheid vooral is een kanker, die, wordt ze niet ter goeder ure uitgesneden uit het lid, het geheele lichaam dreigt met eenen vreselijke dood. De onbedrevenheid, of, wat erger is, de kwade trouw moge in uwe tegenwoordigheid beweren geen ander christendom dan een lijdelijk te kennen, beklaag haar en zeg: het wordt tijd dat ge wat anders en beters kennen leert. Zeg 'amen' op het woord des Heeren: 'zonder Mij kunt gij niets doen', maar ook op het woord onzes apostels: 'ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft'.'
Triest, maar tegelijk grootmoedig voegt de scheidende leraar er aan toe: 'Er mag in de laatste vijf vierendeelen jaars gebeurd zijn, wat er wil, mijne zucht is onveranderd gebleven voor uw behoud… ik heb mij ertegen verzet, maar daarom bleef ik mijne gemeente liefhebben… ik koesterde de vrees alleen, dat mijn dierbare Heere Jezus Christus in zijne volheid en algenoegzaamheid plaats zou moeten ruimen voor eene onmagtsleer, gelijk die van sommige verstaan en gedreven wordt.'
Aan het einde van de prediking betuigt ds. Callenbach éven bevreesd te zijn voor de overorthodoxie, als voor de moderne theologie van zijn dagen. 'Een engel uit de afgrond, d.i. de moderne theoloog, brengende een ander evangelie, is vervloekt; maar ook een engel uit de hemel, een zogenaamd vroom, veel geruchtmakend leeraar, brengende wat anders, verkeerende het evangelie in eene wet, en vriezende, dat de kudde der geloovigen te groot zal worden, hij is vervloekt.'
Al met al een triest afscheid. Na 35 jaar moet de dienaar, die niets anders gewild heeft dan het Woord aan het woord laten, constateren dat, althans bij een deel van de gemeente en waarschijnlijk ook bij de kerkeraad, zijn prediking geen weerklank heeft gevonden, maar juist verzet opgeroepen heeft. Niettemin mag hij ook dankbaar opmerken dat er velen van hen die gestorven zijn en van die nog leven, mede door zijn woordbediening tot geloof mochten komen. Over allen breidt hij de handen uit en herhaalt, aan het eind van de prediking gekomen, de tekstwoorden: 'En nu, broeders, ik bevele u Gode en den woorde zijner genade.'
Elburg
De laatste gemeente die ds. Callenbach als dienstdoent predikant gediend heeft is beleeft, geweest; hij zal er zes jaar blijven en (voorzover ik kon nagaan) met vreugde en zegen het Woord bedienen. Enkele van zijn daar gehouden preken geeft hij in het voorjaar van 1863 uit, onder de titel 'Geloof en geloofsleven'. Deze uitgave, die reeds na twintig dagen een tweede druk beleefd, wordt verkocht ter leniging van de nood die ontstaan is door een overstroming van de gemeenten Doornspijk, Oosterwolde en de buitenwijken van Elburg. Tweemaal is in de winter 1862-1863 de dijk van de Zuiderzee gebroken en stroomde het zeewater genoemde gemeenten binnen. Ds. Callenbach ziet dat duidelijk als de straffende hand Gods die het Vaderland bezoekt vanwege de 'treurige dagen van afval, die wij beleven.' Ja, 'de schromelijke en hemeltergende zonden van ons volk' zijn de diepste oorzaken van deze ramp. Waarschuwend, heeft Callenbach gepreekt n.a.v. Amos 5 : 6 'Zoekt de Heere en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het huis Jozefs als een vuur, dat verteert, zodat er niemand is, die het blusse in Beth-el.'
Als de dijk weer het begeeft, vraagt hij zijn gehoor in een preek over Hebr. 4 : 15 en 16: 'Ziet gij niet en beweent gij niet den zoo beschreijenswaardige toestand der kerk? Ziet gij niet en betreurt gij niet toenemende ligtzinnigheid en ontaarding in eigen gemeente?'
Die prediking op zondag 25 januari 1863 is vol van dodelijke ernst: 'Alle omstandigheden dringen mij', zo zegt ds. Callenbach, 'om op het donderdagavond ingeslagen voetspoor voort te gaan, dat is, u en mijzelven te bidden en te dringen tot zien van onze schuld, tot toevlugt nemen tot de goddelijke barmhartigheden in Christus Jezus de Heere. Voor de tweede maal met overstroming bezocht, zijn wij na vijf dagen nog niet van de watermassa bevrijd, die ons belet gemeenschap te hebben met de buitenwijken van onze gemeente. Nog huilt gestadig de wind, en nog dezen voormiddag dreigde hij zich tot storm te verheffen. Door Gods goedheid waait hij uit het westen en zuidwesten, maar hoe weinig is er noodig, en hij jaagt weder eenen volle zee op onze kusten en door en over onze geteisterde zeeweringen.' De daarop volgende preek is een aangrijpende en hartelijke oproep tot verootmoediging en gebed.
Eveneens vol ernst is de in 1864 daar gehouden prediking 'Een verwijt des Heeren' n.a.v. Jes. 1 : 3b. In deze tijdrede schildert ds. Callenbach de geschiedenis van Nederland, als de geschiedenis van de afval van de levende God. God kan dat niet ongestraft laten. 'Worden niet in onze streken tot heden de gevolgen gezien en ondervonden van de dijkbreuken en overstroomingen, die ons allen vers in het geheugen liggen?' Weer is zijn prediking een oproep tot bekering en zoeken van Gods aangezicht, met de betuiging dat God dan zeker horen zal en uithelpen.
Laatste jaren
30 juni 1867 is de afscheidsdienst te Elburg. Gezondheidsredenen nopen Callenbach tot het neerleggen van zijn ambt. De toon van dit afscheid, over de woorden uit Hand. 15 : 29 'Vaart wel', is totaal anders dan de laatste dienst in Nijkerk. Zijn krachten zijn, blijkens zijn zeggen, uitgeput. Maar dat is niet 'omdat verborgen hartzeer mijne gezondheid geknakt en het woord der genade en verzoening, dat ik verkondigde, nergens ingang gevonden heeft, zoodat ik al den tijd van mijn verblijf onder u mijn werk zuchtende verrigt heb… Ik had echter hiér dit harteleed niet te doorstaan, (Denkt hij aan Nijkerk? Ik meen van wel. H.) schoon ik toch wel reden heb gevonden te wenschen, dat er meer boetvaardigheid, meer diepte van schuldgevoel, meer geloof des harten, meer algemene toewijding aan den Heere en zijne dienst, meer liefde mogt hebben plaats gevonden. Doch ik heb, ootmoedig dank zij den Heere, niet uitsluitend op steenrotsen geploegd.'
Wat hemzelf betreft past alleen het woord: 'o, God wees mij zondaar genadig.' De gemeente houdt hij nog één keer voor: 'Weet en vergeet nimmer, dat in Christus uw welvaart ligt, in Christus alleen, in Christus geheel. Dat de kleinste der zondaren zonder Christus onherstelbaar verloren is; dat de grootste, in de weg van boetvaardigheid en geloof, zalig wordt om niet, uit loutere genade. Ei, kiest dan uwe welvaart boven uwen ondergang; kiest haar heden…'
Nog zes jaar zal ds. Callenbach als rustend predikant mogen leven. Nog is hij niet uitgesproken. Die tijd besteedt hij aan het schrijven en herschrijven van stichtelijke boeken en brochures. Zijn zoon, de uitgever in Nijkerk geeft er vele uit. Een preek kost 20 cent; een 'welgelijkend' portret 50 cent! Zijn meest systematische werk 'Bijbelsche moraal' komt vlak voor zijn dood van de pers. In Elst (bij Nijmegen) is ds. C. C. Callenbach 25 oktober 1873 gestorven. Zijn zoon schrijft in een voorrede van een, door hem uitgegeven, boek: 'Het is mij niet meer vergund mijn onvergetelijke vader nog een woord ter aanprijzing te verzoeken, omdat het Gode behaagd heeft hem, na een zorgvol leven, op te nemen in het Vaderhuis, waar vele woningen zijn.'
Een arbeidzaam leven in de dienst des Heeren is, althans op aarde, beëindigd.
H. Harkema, Brakel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's