Paasfeest en Sabbat
De eerste dag van de week
Wij vieren het Paasfeest op de eerste zondag na de volle maan na 21 maart (dag- en nacht-evening) Daarover is in de loop der eeuwen nogal wat onenigheid geweest, zelfs aanleiding tot grote verwijdering tussen de kerk van het Westen en die van het Oosten. Ik wil in deze bijdrage daar liever niet op ingaan. Ook niet op de door sommigen telkens voorgestane jaarlijkse vaste Paasdatum in tegenstelling tot de nu geldende regel, die het ene jaar een (zeer) vroege Paasdatum brengt en het andere jaar een late tot zeer late.
Liever wil ik wijzen op datgene, waarover geen verschil van mening behoeft te bestaan en ook niet kan ontstaan, nl. dat alle vier de evangelisten er de nadruk op vestigen, dat de opstanding des Heeren plaats vond op de eerste dag der week. Die eerste dag krijgt de erenaam 'de dag des Heeren' (Openb. 1 : 10).
Dat was voor die eerste dag gloednieuw. In de wet was alle accent gelegd op de zevende dag als sabbatdag, als rustdag. Zo krijgt ook de Nieuw-testamentische gemeente het zondag aan zondag bij de lezing van de wet nog steeds op de eerste dag der week te horen, dat zij op de zevende dag rusten moet!
En nu kan men wel zeggen, dat die eerste dag toch ook altijd een zevende dag is, omdat er toch altijd zes werkdagen aan zijn voorafgegaan. Men kan daaraan nog toevoegen, dat het door God in 't paradijs reeds ingezette levensritme als polsslag voor het leven van de mens(heid) niet ontregeld wordt door de zevende dag te laten opschuiven naar de eerste. Dat is waar. En het moet als goddelijke orde voor de menselijke samenleving en ook als beproefd gebleken regelmatige afwisseling van arbeid en rust ook door de Nieuwtestamentische gemeente opgenomen worden in haar beschouwing en beleving van de rustdag.
Meer dan een simpele verschuiving
Toch is er meer aan de hand, dan dat je kunt zeggen, dat de eerste dag ook eigenlijk een zevende dag is, zij het dan niet de zevende dag.
Het is opmerkelijk, dat God de Heere, Die alle tijden in Zijn hand heeft, alles zo, tot in bijzonderheden bestuurd heeft, dat het ware Paaslam op het Pascha geslacht is. Schaduw en werkelijkheid vielen toen samen.
De discipelen des Heeren en de vrouwen hebben op de Sabbat toen gerust 'naar het gebod'. Zo zegt het uitdrukkelijk het laatste vers van Lucas 23, onmiddellijk voor de geschiedenis van de opstanding in Lucas 24.
Rusten 'naar het gebod' is echter iets anders dan rusten 'in het geloof'. We mogen hen wel niet indelen in het leger der ongelovigen. Maar dat geloof doet toch wel denken aan een uitermate zwak plantje, dat toch nog wel bloemen draagt, maar waarvan men zegt: het bloeit zich dood. Node moesten zij wachten met de balseming van het dode lichaam des Heeren, tot na de Sabbat. Er was een dierbaar verleden. Maar een donkere toekomst. Het kruis was voor hen nog niet geworden het fundament van het grote Godsgebouw. Integendeel. Met dat kruis zonk alles voor hen weg in de donkere afgrond van dood en duisternis. Het was een Sabbatsviering naar de wet van God. Maar zonder Zijn evangelie.
De paradijssabbat
Eenmaal had zulk een Sabbatsviering 'naar het gebod' kunnen bestaan. Zelfs in grote blijdschap! Toen de mens nog niet gezondigd had en nog in het spoor van Gods geboden liep. Dat was geen gebod van 'regel op regel'. Maar van liefdevolle gehoorzaamheid. Het was het werk van het kind des Vaders, omringd van en genietende van de werken zijns Vaders. Maar dat dan ook mocht doen, wat de Vader Zelf gedaan had, toen Hij alle dingen gemaakt had en zag, dat het alles zeer goed was, en ‘rustte’.
Rusten – dat is bij God niet 'niets doen'. Jezus zegt op een Sabbat: 'Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook' (Joh. 5 : 17). Ik denk dan aan een kunstenaar (zo wordt God Zelf toch ook genoemd in Hebr. 11 : 10), die een beeldhouwwerk of een schilderstuk voltooid heeft; en die dan niet volstaat met nuchterweg te zeggen: ziezo, dat is af, maar die, als het werk zijner handen de geslaagde uitvoering is van wat hij in de geest zich had voorgesteld, daarvan afstand neemt en zijn blik met welgevallen daarop laat rusten. Zo was het ook met de grote Schepper aller dingen. En nu mocht ook Zijn, naar Zijn beeld geschapen kind, op de zevende dag zich verlustigen in de werken zijns Vaders, gelijk Deze Zich op den zevenden dag 'verkwikt' had (Exodus 31 : 17). En dan heeft God de Heere telkens Zijn kind nog weer meegenomen in Zijn grote werkplaats om het de ogen voor nog weer ongeweten schoonheden te openen.
De Sabbat na de val
Aan die oorspronkelijke opzet herinnert het vierde gebod. Ook aan de koppeling van de in liefdevolle gehoorzaamheid volbrachte levensopdracht en deze verlustiging in het werk des Vaders. Wel houdt de wet rekening met de veranderde omstandigheden. Het paradijs is veelszins een woestijn geworden. Het werk is moeizaam in plaats van speels. Daarom de opdracht om die zevende dag dan ook wel geheel en al vrij te maken voor de liefdedienst Gods.
Als zodanig is dat gebod goed. Maar het oorspronkelijke 'doe dat en gij zult leven' is totaal gefrustreerd. Niet zozeer door de woestijn rondom ons als wel door de wildernis in ons. Daarom voelen we 'vrijmaken' van die dag als een knellend juk. We springen uit de band in allerlei werken des vleses. Of we proberen God tevreden te stellen met een vormelijke gestrengheid, waaraan hart en ziel ontbreken. We maken dan van het middel – de zevende vrije dag – doel. Of door hem te misbruiken voor onszelf, of door God een ledige beker aan te bieden, een ledige huls, verworden tot platgetrapt en vunzig stro.
Jezus en de Sabbat
Op dat peil stond de Sabbat onder Israël, toen de Heere Jezus op aarde was. Hij herkende dan ook in dat samenstel van dorre, kleine voorschriften, niet het levende, vurige en voor de mens ontdekkende gebod Zijns Vaders. En het botste telkens weer. Tal van voorvallen laten dat zien. Maar Jezus ging daarbij Zijn eigen koninklijke gang, al wist Hij, dat de farizeeën Hem 'waarnamen'.
Hoe wordt het weer Sabbat?
De Sabbat! Wat doen we er mee? Een Sabbat zonder de verlossing, die in Christus is, doet mij denken aan een arts, die alleen een diagnose stelt, een röntgenoloog, die ons doorlicht en de verborgen ongeneeslijke kwalen van ons hart aan den dag brengt. Want de kwaal zit veel dieper, dan dat we niet krampachtig genoeg de dag vrijmaken. In het paradijs zong de mens een psalm, een lied op de Sabbatdag (Ps. 92). Maar ons hart zingt van nature een ander liedje; het is zelfs al 'het oude liedje'. Zelfs op de Sabbatdag. En als God ons Zijn gebod doet verstaan en ook de taal van ons diepe hart, dan kunnen we alleen maar beschaamd en bedroefd worden – verslagen zoals de discipelen en de discipelinnen des Heeren, toen ze wel rustten naar het gebod, maar Jezus kwijt waren. Ze stonden voor een muur. Dit was het einde. Daarachter was niets meer. 'Wij meenden, dat Hij het was, Die Israël verlossen zou.' Ze konden net zo min zingen als Israël eens in Babel. En ze zagen niet, dat Jezus was de Christus, Die de gevangenis was ingegaan, om haar gevangen te nemen. Die de dood was ingegaan om hem te overwinnen en het leven en de onverderfelijkheid aan den dag te brengen.
Dát is wat openbaar wordt op de eerste dag der week. Dat is meer dan een verschoven zevende dag. Dat is het loflied van het paradijs in een hogere toonzetting. Zoals een organist na het 4e vers van Ps. 79 begeleid te hebben, dat vraagt: 'gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven.' daarna de gemeente meeneemt een trede omhoog in een hogere toonaard, wanneer zij zingt: 'zo zullen wij, de schapen Uwer weiden, in eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden.'
We vieren pas Sabbat wanneer ons hart daarin meegaat. Dat brengt de strengste, uiterlijke viering niet teweeg. Daarom is het zulk een voorrecht, dat op Pasen Pinksteren volgt. En dat ook al weer op de eerste dag der week. Die Geest is het. Die levend maakt, het vlees is niets nut. Dat bekommert zich hoogstens om de buitenkant van de drinkbeker.
Pasen predikt, dat God, hetgeen der wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, de zonde veroordeeld heeft in het vlees, opdat het recht der wet vervuld zou worden, in ons. die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.
Pasen verkondigt, dat God Zelf een tweede Adam gegeven heeft, gehoorzaam geworden tot de dood, ja de dood des kruises. Maar aan dat kruis klinkt Zijn; het is volbracht! Pasen is Gods voldaantekening onder de kwitantie, die de Zoon voldeed.
Op die dag mogen wij met ons faillissement, met al onze schuld, met al onze werken, die voor God, niet bestaan kunnen, komen en horen, dat Gods orde in Christus voor ons niet is: eerst onze werkweek, uitlopende op de ware rust; maar dat het Evangelie dat ons gebracht wordt, ons als vermoeiden en belasten roept om rust te vinden in het volbrachte werk van Christus. Pasen toegepast door de Pinkstergeest leert meer zingen: dit werk is door Gods alvermogen, door 's Heeren hand alléén geschied.
De zondag brengt niet alleen het Evangelie. Hij is een Evangelie. Dan raken we allerlei moeizame redeneringen kwijt over wat er in het vierde gebod 'ceremonieel' was en wat 'moreel'. Daar raken we ook alle krampachtigheid kwijt. Maar niet de Sabbat zelf. Integendeel. We willen hem ook niet kwijt. Dan gaan we verstaan dat in het lied der triomferende kerk ook Gods scheppende daden betrokken worden (Openb. 4). Maar de toonzetting van Openbaring 5 ligt nog hoger.
Dan komt ook de werkweek te liggen in het licht van de nieuwe Sabbat. Zoals voor Israël de woestijnreis alleen recht volbracht kon worden in het krachtveld van het Pascha met het bloed van het lam. Maar zingen horen we pas als het lied van Mozes gezongen wordt na de doortocht door de Rode Zee. Dan is het Pascha pas voltooid. Het is alles één geheel. Aan de glazen zee klinkt het lied van Mozes en het lied des Lams (Openb. 15).
Op reis komen dan de Maria's en de Elim's in een nieuw licht te staan. De moeilijke dingen kunnen zelfs zoet gemaakt worden. De mooie dingen worden wat gerelativeerd, omdat Elim nog niet Kanaän is. Zelfs de ontspanning maakt deel uit van het bijbelse sabbatsbeeld (Deut. 5 : 14, 15).
Met Pasen leren we met onze zwakke, schuchtere, schorre, onzuivere stemmen iets van het sabbatslied zingen:
Des HEEREN werken zijn zeer groot;
Wie ooit daarin zijn lust genoot
doorzoekt die ijv'rig en bestendig.
C. van der Wal
[Test foto: Vroeg in de morgen.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's