Cornelis Carel Callenbach (3)
Zij die bleven (17)
Prediker
Prediker
Ds. C. C. Callenbach was, zoals gezegd, in eerste instantie een dienaar van het Woord. De prediking heeft de volle liefde van zijn hart. Zijn tijdgenoot prof. Doedes in Utrecht noemt hem op één van zijn colleges zelfs 'de profeet van de Veluwe'. Vooral in de kring van het Reveil, waaruit hij zelf ook voortkwam, werd hij om zijn prediking telkens met ere genoemd. Reeds voor dat Callenbach bevestigd is in Kortenhoef maakt Bilderdijk voor hem een gedicht waarin hij hem als 'Leeraar' begroet. Een andere voorman van het Reveil mr. J. J. L. van der Brugghen, president van de rechtbank in Nijmegen, later zelfs minister-president, heeft eens gezegd, dat Callenbachs leerredenen het hare hebben bijdragen 'om zijn nog duistere ziel op den rechte weg te helpen'. Trouwens de vele uitgaven en herdrukken van zijn preken bewijzen wel dat zijn prediking bij velen gehoor vond. Als hij veertig jaar het ambt heeft mogen bedienen en een gedachtenisrede houdt, kiest hij dan ook een tekst die duidelijk met de prediking verband houdt: Ps. 71 : 17 en 18a 'O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik uw wonderen. Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet o God!' Hij zag zichzelf dus vooral als verkondiger van Gods wonderen.
Niet moeilijk te beantwoorden is de vraag: wat is voor ds. Callenbach het meest wezenlijke van de prediking? Uit al zijn preken is nl, duidelijk dat hij direkt zelf antwoorden zou: Uitleg van het Woord. Al zijn preken getuigen van diepe schriftstudie en een groot deel van van de 'punten' van zijn prediking zijn gericht op de verklaring van het tekstgedeelte. De toepassingen, waar zijn preken mee eindigen, zijn dan ook niet gezocht, maar komen uit de tekstuitleg op.
Zijn exegetische methode verklaart hij ergens zo: 'Schrift door Schrift verklaren', was een gulden regel onzer vaderen… Men verstaat niet dan in verband met de overige Schrift.
Zijn uitleg is nuchter en, in de goede zin des woords, zakelijk. In een preek zegt hij eens heel eerlijk: Dit is niet te verklaren en moet ook 'in den volstrekste zin onverklaarbaar blijven, wilden wij niet tot een allerongerijmdst zoogenoemd 'vergeestelijken' onze toevlugt nemen.’
Het hele Woord, Oud en Nieuw Testament, predikt Christus. En m.i. is Callenbachs prediking te typeren als: prediking van de Christus der Schriften. Er is tussen de vele uitgegeven preken niet één te vinden, waarin die enige naam, tot zaligheid gegeven, niet wordt bekend gemaakt en aangeprezen. Als hij een leerling tot predikant bevestigen mag, zegt hij: 'want dit staat bij de dienaar vast: die hij voor de Heere Christus wint, zijn zalig.' Daarom ook 'predikt hij niet zich zelven', in navolging van de apostel 'maar Jezus Christus de Heere, en zich zelven, dat hij dienaar der gemeente is om Jezus' wil.’
Christus wordt door hem in zijn volle scherpte aan de gemeente verkondigd. Wie Hem niet erkent als volkomen zaligmaker wordt telkens gewaarschuwd voor een zelfgezocht, eeuwig verderf. Meerdere malen laat hij na de prediking Ps. 2 : 7 zingen: 'En kust de Zoon, van ouds u toegezeid, eer u Zijn toorn verdelg' voor aller ogen.' Aan de andere kant klinkt telkens weer een ruime nodiging. Van een dienaar van Christus is het immers, zo zegt Callenbach in diezelfde bevestigingspreek, de roeping 'dat hij u geen algemeene zahgheid verkondigen zal, maar wel eene algerneene roeping, gedachtig altijd aan den hooge en heilige eed Gods: oo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere Heere, zoo ik lust heb in den dood des goddeloozen!’
Hoe kon deze bijbelse prediking in de laatste jaren in Nijkerk zoveel verzet opwekken? In de eerste plaats omdat de prediking van Christus niet naar de mens, en vooral niet naar de vrome mens is. Christus Zelf botste in de prediking voortdurend op het farizeïsme. Zijn dienaren hebben evenzeer te lijden van het verzet van de mens die in godsdienstigheid zich zelf wil redden.
Toch is er ook een andere kant: Na zijn ziekte en de daarin doorgemaakte geestelijke ervaringen is Callenbach in de prediking niet veranderd, maar valt het accent op andere dingen dan voorheen. Voor die tijd hield hij ook in Nijkerk waarschuwende tijdredes, en sprak hij indringend over de ernst van de zonde. De noodzakelijkheid van wedergeboorte is in zijn eerste jaren een thema dat telkens in de prediking aan de orde is. Na de dagen van de ziekte valt het accent sterker op het geloof en het aannemen van Christus' weldaden. De hele gemeente heeft kennelijk deze, op zich begrijpelijke, verandering niet kunnen meemaken. Spijtig blijft het dat dit ontstane onbegrip voor elkaar, én de gemeente én de predikant in de reactie dreef.
Als Callenbach in Elburg komt, een gemeente waar hij het schuldbesef en de zondekennis weinig diep vindt, wordt zijn prediking weer van dezelfde rustige, bijbelse toon van voorheen. Weer Christus-prediking, die prediking is van ellende, verlossing en dankbaarheid, alle drie.
Gereformeerde theologie
Theologisch is Callenbach voluit onder de gereformeerden te rekenen. Zijn sympathiebetuiging aan de Cock, na diens eerste brochure, bewijst al dat hij de theologie van Calvijn en diens leerlingen liefheeft. Telkens horen wij hem in zijn prediking waarschuwen tegen de moderne 'Verlichtings-theologie' van zijn dagen. De Verlichting is in Callenbachs ogen een groot kwaad voor kerk en staat. 'De Franse en Duitsche verlichting moest ons, het koste wat het wilde, de oogen doen opengaan. Ja onze oogen gingen open, maar als die van Eva, wij verlieten de springader des levende waters…’
De theologie van de Groningse en Leidse hogeschool is een doorn in zijn oog. Hij zegt ergens: 'Of nu de Leijdsche en Groningsche wetenschap wat anders wil leeren, en Jezus Christus tot den rang der schepselen verlagen, wij willen daar het oor niet aan leenen, zelfs op het gevaar af, voor 'weetnieten' verklaard te worden.’
Het allerergste vindt Callenbach in deze theologie de verloochening van Christus' plaatsvervangend sterven. 'Wat', zo roept hij toornig in een preek uit, 'moet toch dat smadelijk spreken van 's Heilands bloed beteekenen, daar de hedendaagsche geleerde wereld vol van is…? Satan heeft er de hand in; Satan zet heele en halfgeleerden op ten heirtogt tegen de leer en leeraars van de dierbaarheid van het bloed van Christus.’
Tegenover deze theologie weet Callenbach slechts één middel: Houdt U bij het Woord. Dikwijls zegt hij tijdens, de prediking, als hij de dwalingen der modernen heeft aangeduid: 'Ik sta hier achter de Schrift en die zegt ons…' Ook in de gereformeerde belijdenisgeschriften ziet Callenbach een machtig middel een dam tegen de leugenleer op te werpen.
Dat blijkt wel uit een uitspraak als deze: 'De regte toetssteen, welke is hij? Zeker niet de uiteenlopende meeningen van menschen, die een bedorven verstand hebben, maar Gods Woord, waardoor wij verstaan den bijbel, den geheele bijbel; en waarom zouden we ons, als hervormden of gereformeerden, schamen er bij te voegen: onze belijdenis?’
Telkens blijkt zijn, diepe respect voor het geloof der vaderen. Rechtzinnig-zijn betekent voor hem: bij de belijdenis blijven. Tegenover de overgereformeerden, 'die regtzinniger zijn dan de belijdenis zelve onzer hervormde kerken' komt hij voor de waarheid van deze geschriften vurig op. Evenzeer gebruikt hij de formulieren van enigheid om de dwalingen van zijn vrijzinnige tegenstanders aan het licht te brengen. Er is zo weinig verzekerdheid van het geloof, zo betuigt ds. Callenbach tot een ieder, omdat er zo weinig kennis is, ook van de belijdenis. 'Menschelijke meeningen worden in strijd met de uitspraken van Gods Woord goedgekeurd, en wat wezenlijk tegen onze gereformeerde belijdenis aandruischt, moet, of het wil of niet, voor gereformeerd gelden.'
Ook in de kring van het Reveil, waarin Callenbach zich bewoog, is hij één van degenen die voor het gezag der belijdenis opkomt. In de vergadering van de 'Christelijke Vrienden' verschijnt hij regelmatig en daar bepleit hij bijvoorbeeld, als er een protestverklaring moet worden opgesteld, de vermelding van de uitverkiezing niet te schrappen uit de 'kenmerkende waarheden' van de gereformeerde religie.
Niet alleen dogmatisch stemt Callenbach met de gereformeerde waarheid is. Zijn prediking doet ons gevoelen dat hij het meent, als hij spreekt over de bevinding als vrucht van het geloof. 'Ik noem de bevinding gevolg van het geloof. Bevinding? Ja. Men hoort daar niet gaarne van. Hoevelen houden in hunne diepe blindheid en onkunde de woorden dweeperij en bevinding, voor woorden van dezelfde beteekenis. Maar ik zeg: geen geloof zonder bevinding.’
H. Harkema, Brakel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's