Melkvoeding en vaste spijs (2)
Pastorale overwegingen
Noodzakelijke groei
Als de apostel Petrus over 'de goede melkvoeding' schrijft, zoals we de vorige keer zagen, dan doelt hij ook op de groei in het geloof; 'opdat gij door dezelve moogt opwassen.' In dat verband ligt er nog een klein vraagje op beantwoording te wachten. De briefschrijfster wijst op het verschil tussen het natuurlijke en geestelijke leven. Kleintjes moeten groot worden. Voedt de moeder het kind zelf, dan komt telkens de weegschaal er aan te pas om na te gaan, of het kindje groeit. En het is ook te merken, als het kleintje bij komt. Maar – aldus de vraag – geestelijk is het toch niet goed, als er 'grote mensen voor de dag komen?' Nu moeten we opnieuw goed vasthouden, dat Petrus beeldspraak bezigt. Calvijn kan terecht bij onze tekst opmerken 'Petrus prijst alzo het gedurig voedsel der melk aan, want hij wil dat wij, daarmede opgevoed zijnde, groot worden en tot ouderdom komen'. Het zal duidelijk zijn, dat het er om gaat krachtig te worden in de Heere, en niet in eigen vermogens. Krachtig in de Heere en in Zijn Woord kunnen de gelovigen de verleidingen en de aanvallen van de zonden en de duivel weerstaan. Bovendien is daar onlosmakelijk mee verbonden een toenemende blijdschap in God door de genieting van Zijn gemeenschap. Alles wat van Boven komt in het leven der genade maakt klein, verootmoedigt en… maakt krachtig en groot in de Heere. Alles wat van beneden kom maakt groot in eigen kracht en hoogmoedig. Petrus ziet er naar uit, dat de gelovigen bevestigd worden in de oefeningen van het geloof, in het zoeken en kennen van de gemeenschap met God. Het is niet goed, als het geestelijk leven in de geboorte blijft steken, dan zouden er onwijze kinderen voortkomen. Er is bij Gods kinderen een opwassen in de genade en de kennis van Christus.
Een tegenwerping
Een andere briefschrijver stelt de vraag of Petrus dan niet met Paulus in strijd is. Want de heidenapostel verwijt het de gemeente van Korinthe, dat hij haar nog steeds met melk moet voeden, dat die gemeente nog maar uit kleine kinderen bestaat en geen spijs kan verdragen. En in Hebreeën 5 : 12 klinkt eenzelfde verwijt. Het is toch niet een compliment, wanneer er nog maar zo weinig vordering is, dat men niet verder komt dan de eerste beginselen?! Zijn dan Petrus en Paulus met elkaar in onenigheid over de prediking en het geestelijk leven? Ik denk niet, dat iemand zo ver wil gaan, ook al blijkt me, dat ook Calvijn zich dat voor de voeten geworpen zag, dat de schrift in onderlinge tegenspraak is.
Vaste spijs te zwaar
In 1 Korinthe 3 : 1 vv. moet Paulus de gemeente bestraffen. Vaste spijs verdragen ze niet. Dat kan onmogelijk betekenen, dat we moeten denken aan. 'een lichte prediking', waarbij Christus niet in al zijn heerlijkheid wordt gepredikt als een volkomen Zaligmaker voor volkomen verloren zondaren, of, dat er zelfs vervalsing der leer zou zijn. Ik geloof ook niet, dat men hier moet aannemen, dat er alleen maar heel simpele dingen kunnen worden gezegd en vooral geen zware stukken. De gemeente van Korinthe kon in dit opzicht wel wat hebben, ze betoonde zich zeker niet dom en onkundig, ze wist eer te veel van de wereldse wijsheid dan dat ze als bepaald nietsnugger moest worden aangemerkt. Calvijn merkt op, dat in deze plaats 'kinderen worden vergeleken bij hen, die in de leer der godzaligheid altijd nieuwelingen en ongeleerde scholieren zijn, die in de eerste beginselen blijven steken en nimmer tot een hogere kennis van God geraken'. Elders schrijft de hervormer 'een voorzichtige leraar komt het toe zich te voegen naar het begrip dergenen, die hij aanneemt om te onderwijzen. Allengs laat hij de zuivere leer indruppelen, opdat zij niet bij milder ingieten overvloeie en weglope. Maar deze beginselen zullen niet minder al wat nodig is bevatten, dan de meer volkomen leer, die aan sterkeren gegeven wordt. De melk is immers voedsel en geen vergif'. Het is mogelijk, dat we bij dit verwijt van Paulus aan de gemeente moeten aannemen, dat, gezien op haar vleselijke levensinstelling, de prediking daar nog steeds meer zendings-prediking moest zijn dan verkondiging aan een gevestigde gemeente. Dat schrijf ik nu maar op gevaar af, dat er weer iemand in de pen klimt om mij te verwijten, dat ik niet juist en minder vriendelijk over de zending zou spreken. Maar dan reken ik toch meer op het verstand en begrip van de lezers en lezeressen dan op hun onbegrip. Korinthe was tenslotte een gevestigde gemeente, en u begrijpt dat de prediking in dat verband in andere trant geschiedt dan daar, waar nog een gemeente komen moet. Maar soms leek het er op, alsof men daar nog nooit van het evangelie had gehoord. En dat is niet zo best, nietwaar?
W. Chr. Hovius, K. a. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's