De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Cornelis Carel Callenbach (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Cornelis Carel Callenbach (4)

Zij die bleven (18)

9 minuten leestijd

Geen afscheiding
Hoewel ds. Callenbach een beslist antwoord geeft op de vraag: moet ik in de Hervormde kerk blijven, en zeer bewust niet met de Afscheiding meedoet, spreekt hij in al zijn werkjes niet of nauwelijks over die kwestie. Ik verwacht dat hij alleen in het, helaas onvindbare, boekje De roeping en uitzichten van den getrouwen evangeliedienaar (van net na de Afscheiding, 1835) verantwoording doet van zijn keuze de Hervormde kerk trouw te blijven. Gezien de titel, zal hij in dit boekje ook wel zijn mededienaren van het Woord oproepen op hun post te blijven.
Opmerkelijk is dat hij in de prediking de vraag van het al of niet zich afscheiden van de Hervormde kerk nooit uitdrukkelijk aan de orde stelt. Sommigen van zijn geestverwanten doen dat herhaaldelijk; enkelen laten in de prediking zich zelfs soms nogal laatdunkend uit over hen die zich van de Hervormde gemeenten hebben afgescheiden. Callenbach doet dat nooit; hij spreekt, uiteraard, wel over de kerk als de gemeenschap der heiligen, maar nooit zal hij in dit verband een kerk bij name noemen. De enige kerk waar hij zich fel tegen keert is de Rooms Katholieke. Land, volk en koning waarschuwt hij in het openbaar meerdere malen voor het samengaan, op politiek en kerkelijk vlak, met Rome. Daar is geen heil, enkel onheil van te verwachten.
Ds. Callenbach verheerlijkt de kerk die hij liefheeft, de Nederlands Hervormde, zeker niet. Hij spreekt over 'de betreurenswaardige toestand' van de kerk; ziet op alle gebied, ook in de kerk 'de scepter van het ongeloof zwaaien'; en het gehoor van het kerkvolk is, zijns inziens, voor een groot deel van de waarheid afgewend. De spraakverwarring op staatkundig en kerkelijk gebied is, zo belijdt Callenbach, een oordeel Gods over de zonden van ons volk. Toch is het zich van die verworden kerk afscheiden niet de weg die de Heere God wijst. Slechts eenmaal hoor ik hem fel uitvaren tegen hen die deze weg tot herstel van de kerk anderen aanprijzen. Als hij een oudcatechisant, dr. W. Astro, in 1859 mag bevestigen tot predikant in de gemeente Amerongen, zegt hij: 'Ach in onze dagen van scheuring en zucht tot scheuren is men er op uit om al wie geen grote en veelkleurige vlaggen uitsteekt, in verdenking te brengen, ook onder de flauwste voorwendsels. Hoort naar die opruijers niet. Geloof mij, die verwaardigd wordt in den weg van godzaligheid nabij God te leven, kan zich daar onmogelijk toe leenen; maar alleen hij, die niet voor den Heere Jezus, maar voor zichzelf, een naam en aanhang zoekt.'
Callenbach doet echter meer dan alleen het zich-van-de-kerk-afscheiden afwijzen. Positief wijst hij een andere weg tot herstel, als hij ergens schrijft: 'Wat is er te doen of wat moet er gedaan worden voor de kerk, die onder de scepter van het ongeloof weeklaagt en zucht?… De vraag is gewigtig. Ieder welgezinde, die ziet en hoort en nadenkt, herhaalt haar en wacht met ongeduld op antwoord. Men heeft meer dan één antwoord gegeven (denkt ds. C. hier aan de Afscheiding? Ik meen van wel. H.), maar te weinig op het bovenal nodige gehecht. Wij hebben ons, en hierin vergis ik mij niet, eenvoudig door het Woord te laten leiden, dat ook hier de lamp is voor onzen voet, en helder schijnend licht op ons pad. En wat zegt dat Woord? Zegt het niet: 'op dezen zal ik zien, op de armen en verslagenen van geest en die voor Mijn Woord beven?' Zegt het niet op ieder blad: 'bidt en u zal gegeven worden?'
Wederkeer tot Woord en belijdenis, gepaard met gebed om herstel door de Heilige Geest is de weg, in Callenbachs ogen, en niet het zich van de, met het modernisme hoererende, kerk afwenden. Krachtig betuigt hij: 'Ik ben er zoo zeker van als van mijn leven, dat hier de redding is der kerk in den lande, dat hier gezocht moet worden 's lands behoud… Ik blijf erbij, dat aan het volk van Nederland, dat aan de gemeente Gods in den lande geen beter, geen groter dienst bewezen kan worden, dan bij den Heere aan te houden…'

Adres aan de synode
Niet alleen het kerkvolk, ook de ambtelijke vergaderingen van de kerk spreekt Callenbach aan met zijn oproep tot verootmoediging en gebed. Als. ds. Moorrees in 1841 zijn grote adres, met ruim 8000 handtekeningen op de synodale tafel legt, besluit de Nijkerkse kerkeraad een zelfstandig schrijven van dezelfde strekking te doen uitgaan. Ook de kerkeraden van Oostewolde, Elspeet en 's Grevelduin-Cappelle dienen een vrijwel gelijkluidend adres in. Waarom niet met Moorrees c.s. meegedaan? Ten eerste omdat de kerkeraden liever de ambtelijke weg bewandelen, dan die van de macht van het getal. Ten tweede vindt men dat het adres van Moorrees te formeel is, niet de weg aangeeft hóe de oude gereformeerde leer weer kan terugkeren in kerk en vaderland.
De kerkeraden vragen in hun adres om vier dingen:
a. Vernietiging van het nieuwe ondertekeningsformulier en herinvoering van het oude.
b. Zorg voor de nakoming van de met dat oude formulier afgelegde eed.
c. Aanstelling van hoogleraren in de theologische faculteit, die van harte achter de belijdenis staan.
d. Herinvoering van de Heidelbergsche Catechismus (of daarop geënte leerboekjes) voor het catechetisch onderwijs.
Om formele redenen kan de synodale commissie van rapport de adressen van de kerkeraden van de tafel vegen. Alleen ds. Moorrees krijgt, omdat zijn adres formeel wel juist is ingediend, antwoord, zij het dan zeer uit de hoogte.
De kerkeraad van Nijkerk heeft geen nieuw adres meer ingezonden. De predikanten echter laten het er niet bij zitten. Het volgende jaar gaat er uit Nijkerk een nieuw schrijven richting Den Haag. Het heet: Nader Adres door de leeraren der Hervormde Gemeente van Nijkerk op de Veluwe. De schrijvers zijn: ds. C. C. Callenbach en ds. S. J. de Hoest. De inhoud is vrijwel gelijk aan het adres van vorig jaar.
Ook dit adres richt, althans voorlopig, net als de vele adressen uit 1842, weinig uit. Dat is niet de schuld van Callenbach of de andere adressanten, maar van de, tot bestuur gedegradeerde, synode. Men kan 'hen die bleven' niet verwijten dat zij lijdelijk toezagen bij de verwording van de kerk. Alle wettige middelen nemen zij te baat om de dolende kerk haar dwaling te doen inzien en haar ervan terug te roepen. Dat is immers de diepste bedoeling van de adresbeweging uit de jaren veertig van de vorige eeuw.

Kwestie Meyboom
Nog een keer zal ds. Callenbach in het openbaar zijn protest laten horen tegen de oprukkende vrijzinnigheid in de Hervormde kerk. In 1854 is er in de gemeente Amsterdam veel beroering rond het beroep van dr. L. S. P. Meyboom. Toen in 1853 erin Amsterdam een vakature ontstond, deed het in 1847 opgerichte 'Vereeniging ter Verbreiding der Waarheid' de kerkeraad het verzoek een predikant te beroepen van orthodoxe signatuur. Men dacht daarbij met name aan dr. N. Beets. De kerkeraad bracht echter een beroep uit op één der kampioenen van de Groninger richting, dr. Meyboom. Een storm van protesten kwam los! Classis en synode werden erin gemoeid, met als gevolg dat Meyboom toch naar Amsterdam kwam. In een groot 'Eind-protest' schrijft een groot deel van de gemeente: 'Dr. Meyboom, zoolang hij in zijn tegenwoordige gevoelens volhardt, geenzins als wettig predikant van de Nederduitsche Hervormde Gemeente te Amsterdam te zullen erkennen.'
Heel het rechtzinnige deel van de Hervormde kerk leeft in deze zaak mee. Ook Callenbach en enkele geestverwanten uit de omgeving mengen zich in de strijd met de volgende verklaring: '… ondergetekenden, predikanten bij de Ned. Herv. kerk, gelezen hebbende het protest van de leden der Amsterdamsche Nederduitsche Hervormde gemeente tegen de handelingen van de kerkeraad, het Klassikaal Bestuur, het Provinciaal Kerkbestuur, de Algemene Synodale commissie, en dr. Meyboom, dd. 3 okt. jl., vinden zich gedrongen niet alleen de adressanten hunne dankbaarheid te betuigen voor het krachtig en waardig getuigenis daarin afgelegd, maar ook openlijk voor de geheele Vaderlandsche kerk, van hunne volle en hartelijke instemming met gemeld Protest te doen blijken, wenschende en biddende, dat de Koning der Kerk het met zijnen rijken zegen moge bekronen en doen dienen tot nog betere en grondiger kennisneming van de diep betreurenswaardige toestand der Hervormde Kerk in deze Gewesten en tot hare verlossing van onder eene magt, die niet haar heil maar haren ondergang bewijst te zoeken.' De verklaring is ondertekend door Callenbach, Eijkman, Gildemeester, Ten Bokkel Huinink, Binnenweg en Witteveen, predikanten te Nijkerk, Nunspeet, Elburg, Doornspijk, Harderwijk en Ermelo.
Ook deze verklaring is niet meer, maar ook niet minder, dan een stem van een roepende in de woestijn.

Tenslotte
Nog veel meer zou van deze ijverige, waardige dienaar van het Woord te schrijven zijn. Van zijn praktisch christendom bijvoorbeeld dat o.a. openbaar komt in een boekje waarin hij werkelozen vertroost en bemoedigt. Zijn laatste geschrift Bijbelsche Moraal beschrijft heel concreet het hele christenleven en daarin legt hij de Wet uit als regel der dankbaarheid. Schitterende dingen zegt hij daar, de Schrift vertalend naar het leven van elke dag. Alle dagen hebben wij, zo zegt dit boekje telkens, 'Gode te leven'. Dat alles bewijst dat Cornelis Carel Callenbach trouw bleef aan de kring waaruit hij voortkwam: de kring van het Reveil.
Tenslotte laat ik hem echter nog één keer zelf aan het woord. Zijn zoon G. F. Callenbach verzorgt een uitgave van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Vader voorziet deze van een inleiding waarin hij oproept bij deze belijdenis te volharden. Na 7 jaar is een herdruk nodig; deze geeft ds. Callenbach de, hem zeer kenmerkende, voorrede mee:

‘Sedert zeven jaren zijn, helaas, de zaken in onze Nederlandsche Hervormde Kerk niet verbeterd. Het moge niemand te zeer schokken, want de afval is voorspeld, 2 Thess. 2 : 3, en heeft niet de Heer aan het slot der gelijkenis van de weduwe en den regter gevraagd: 'de Zoon des menschen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?' Luk. 18 : 8. Wat wij dus van onze kansels en in boeken hooren verkondigen en aanprijzen, in strijd met het Woord, dat den toets der eeuwen heeft doorgestaan, tot het ruwste en grofste ongeloof toe, moet ons bewijs te meer zijn voor de waarheid des Woords, dat dezen afval heeft voorzien en voorzegd. Daarom laat ons aan onze belijdenis, door Gods genade, getrouwer zijn dan ooit, en met de meeste beslistheid op de vraag des Heeren: 'wilt gijlieden ook niet weggaan?' antwoorden: 'Tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens, en wij hebben geloofd en bekend dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.' Joh. 6 : 67-69.’

H. Harkema, Brakel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Cornelis Carel Callenbach (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1979

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's