Wat predikanten mee en tegen hebben
Predikantenvergadering
‘Alles heeft z'n mee en z'n tegen', wordt wel eens gezegd. Nu wij vandaag en morgen als predikanten en mannen-broeders hier samen mogen zijn voor onze jaarlijkse contio, wil ik met u erover nadenken wat wij dan zoal in onze ambtelijke bediening mee en tegen hebben. Een kerkelijke rekening en begroting heeft als bijzonderheid, dat de rubriek uitgaven de eerste is, pas dan volgen de inkomsten. Zo wil ik ook nu eerst bij het 'tegen', het negatieve, stilstaan om vervolgens tot het 'mee', het positieve, te komen.
Mogen dienen
Wij staan allen in het ambt, het wondere ambt van dienaar van het Goddelijk Woord. Ik hoop, dat u voor u zelf zegt: ik mag daar in staan. Ook al bent u mogelijk daartoe door een heel bewuste keuze vanuit een hiertoe gedrongen worden, al verstaat u de apostel Paulus, wanneer hij schrijft: De nood is mij opgelegd, toch hoop ik, dat het voor u een mógen is, een voorrecht, een begenadiging. Alleen dan immers kunnen wij met lust en vreugde dienen. Dienen! Dienaar zijn. In de eerste plaats van God. En dan ook dienaar, helper van mensen. Dat brengt ons dus in een heel andere sfeer dan die van wereldse aanzien en eer. Het brengt ons in het gezelschap van Hem, die de minste der mensen wilde zijn en tot wiens navolging in zelfverloochening wij zijn geroepen.
Afkerig
Hier kom ik bij het eerste, dat wij tegen hebben. Wij hebben ons zelf tegen. Navolging van Jezus Christus de gekruisigde, zelfverloochening, dienen, de minste zijn – zijn in de wereld geen populaire begrippen. Maar evenmin bij ons. Wij zijn toch in onszelf 'wereld'? Alle boosheid en verzet leven immers ook in ons hart? In onszelf zijn wij immers van God afkerig, want 'vleselijk, verkocht onder de zonde'? Een groot wonder is het, dat de Heere nochtans met ons van doen wil hebben, ons wil begenadigen in Christus Jezus en ons bovendien in Zijn bijzondere dienst wil stellen. Wie is tot deze dingen vanuit zichzelf bekwaam? Het zijn immers grote en heilige dingen waarin wij bezig mogen zijn. Welke ter wereld zijn immers groter en heiliger, dan de zaken van Gods Koninkrijk? Daar mogen wij, mannetjes uit het stof verrezen, zegt Calvijn, het Koninkrijk van God in de eerste plaats door de prediking ontsluiten én dichtdoen. Want dat geschiedt in de prediking, al zijn wij ons daarvan óndanks het woord van Jezus en ondanks onze belijdenis, veel te weinig bewust. Maar dit geschiedt in de bediening van de verzoening. Wij mogen Christus prediken in Wie God zijn hart ontsloten heeft, Christus de Middelaar van het nieuwe verbond, Christus het Lam Gods, de Gekruiste en Opgestane Heiland. Wij mogen het de gemeente betuigen, dat elk die met waarachtig berouw tot Hem komt, ontferming vindt, omdat zijn bloed reinigt van alle zonden. Wij moeten ook verkondigen, dat ieder die vér van Hem blijft, zijn zonden houdt en blijft onder de toorn van God.
Verkondigers van het Woord, de wet en het Evangelie, uitdelers van de mysteriën van God, ambassadeurs van Godswege, wie is ertoe bekwaam dat te mogen zijn?
Daarin hebben wij onszelf tegen. Wij hebben onze zonden en gebreken. Die waartegen wij strijden en die welke wij lustig laten voortwoekeren omdat we er blind voor zijn. Die welke aan de mensen bekend zijn, omdat wij veelal werken en plein public (in het openbaar). Maar ook die welke voor de mensen verborgen zijn, maar ons des te meer benauwen kunnen.
Wij hebben ons ongelovig hart tegen. Want spreken wij vaak niet afstandelijk in ons preken, op de catechisatie, in ons pastoraat? Zijn wij daarbij werkelijk altijd tenvolle persoonlijk betrokken? Gaat het door ons heen? Komt het door ons hart heen, dat gloeit en brandt van liefde tot God? Getuigen wij steeds als mensen die overtuigd zijn? Moeten we niet belijden dikwijls traag en mat te zijn en dat ons geloof zwak is en aarzelend?
Hebben wij ook voldoende moed, om onafhankelijk van de mensen afhankelijk van God te zijn? Leven wij zelf in de vrijheid van het kindschap van God, zodat we voor mensen, critisch en sikkeneurig als ze soms zijn (zij en wij!) niet bang zijn? Kennen wij iets van heilige onbevreesdheid en onbezorgdheid, omdat wij alles, ook heel onze ambtelijke bediening (met ál haar gebrek) op de Heere afwentelen mogen? Zijn wij al maar krampachtig bezig zelf mensen te bekeren, mensen voor ons privé inzicht te winnen, mensen aan ons te binden, in plaats van dat wij God de vrijheid laten mensen te bekeren, mensen voor Christus te winnen, mensen aan Hém te verbinden?
Zijn wij met onze mooie pastoriën en dure auto's niet bezig een wekelijk en heel verwend volkje te worden, dat voor veel wereldse zaken openstaat, zodat de stille godsvrucht kwijnt, de hartelijke liefde voor gemeenteleden en collega's verkilt, de bewogenheid met hen die Christus niet kennen en de noden in de wereld zoek raakt? Zijn wij niet een heel beetje gearriveerd en tegelijkertijd benepen, terwijl iets seigneuraals als dienaren van zó grote Meester ons sieren zou?
Nog veel meer hebben wij in onszelf tegen, zó veel, dat het waarlijk een wonder is wanneer ook een dominee mag zalig worden.
Gezondheid
Maar nog enige andere dingen wil ik noemen, zij het wdt korter. Niet ieder is begiftigd met een sterk gestel en een sterke geest. Wij kunnen, soms voor korte, soms voor langere tijd, onze gezondheid tegen hebben. Ieder, die daarvan bij ondervinding weet, weet ook hoe moeilijk zulke perioden zijn. Ambtshalve komen wij veel met zieken in aanraking. Maar het is nog weer heel iets anders zélf ziek te zijn, van de ene naar de andere dokter te worden gestuurd. Of een geestelijke inzinking te moeten doorleven. Soms moet een gedeelte van het werk aan anderen worden overgedragen, soms moeten wij alles uit handen geven. Voor de één duurt het kort, voor de ander duurt het lange tijd. Dat zijn tijden van beproeving, die toch vol geestelijke winst kunnen zijn.
Het lijkt mij goed er in dit verband ook op te wijzen, dat wij dominees vallen onder het vierde gebod. De Heere weet, dat wij niet 7 dagen van de week kunnen arbeiden. Hij wil dat ook niet. Het is méér verantwoord één dag in de week vrij te nemen dan ook die dag door te werken. Wij mogen niet wijzer zijn dan God. Ik zeg dit hier, omdat ik zelf door schade en schande probeer te leren.
Gezin
Wij kunnen ook bij de uitoefening van ons ambt dingen in ons gezin tegen hebben. Er kan ziekte zijn bij onze vrouw of bij de kinderen. Er kan een gehandicapt kind zijn, hchamelijk of verstandelijk, dat meer tijd van ons vergt dan de andere kinderen. Er kunnen moeilijkheden met het leren van de kinderen zijn. Of, als ze wat ouder zijn geworden, een stil verdriet, omdat zij zo andere wegen gaan dan wij graag zouden zien. Deze en andere dingen kunnen aan ons knagen, maar brengen ons, als het goed is, ook dichter bij de Heere en doen ons de noden van de mensen des temeer verstaan.
Het is een bekend feit, dat uit domineesgezinnen ook veel ongelovige kinderen voortkomen. Mannen broeders, is het niet zaak, dat wij, als wij kinderen hebben, toch vooral ook niet onze taak als vader verwaarlozen? Moeten wij in elk geval niet zwijgen van allerlei negatieve zaken in de aanwezigheid van onze kinderen? Die kunnen immers het fundament leggen voor een houding van afkeer en vijandschap.
Kerkeraad en gemeente
Voorts kunnen in ons ambtswerk mensen uit de kerkeraad of de gemeente ons voortdurend hinderen. Of bepaalde toestanden. Ik behoef hier nauwelijks in bijzonderheden te treden. Wij weten allemaal dunkt me, hoe verdrietig het is, wanneer in een college of in de gemeente, mensen al maar moeilijk doen, dwars liggen, soms totaal onbijbelse methoden hanteren. Mensen, met wie niet te eggen of te ploegen valt. Staart u zich dan toch niet op hen blind. Er zijn ook anderen, bescheiden mensen, gelovige mensen, flinke mensen, die constructief willen meedenken en meedoen. Laten wij bij zulke lieden die ons een plaag zijn bidden om Jobs geduld, Salomo's wijsheid en Daniëls moed.
Onze kerk
Wij hebben, mijne vrienden, het wordt met verdriet gezegd, onze kerk tegen.
Wij weten allen hoe verdeeld zij is, hoe verscheurd en machteloos. Dertig jaar geleden werden er grote verwachtingen gekoesterd (hoewel echt niet door allen, en zeker niet in onze gelederen), dat zij nu waarlijk een herstelde, belijdende kerk zou worden. Nu weten wij wat ervan geworden is! Zij is verdeelder en machtelozer dan ooit. Men heeft daarvoor de laatste jaren een nieuw woord uitgevonden: polarisatie. Een mooi en deftig woord, voor een vreselijke zaak. Want in feite zijn wij in een situatie beland, waarin voor elke mening in de kerk plaats is. De kerk is als Athene, waar iedereen recht had iets nieuws te zeggen en iedereen verlangde iets nieuws te horen. Voor de prediking geldt in de praktijk geen enkele norm. Alles mag beweerd worden, want wij moeten immers inklusief denken! De band van de confessie doet er absoluut niets meer toe. De band van de financiën daartegen des te meer. Ik vermoed, dat wij verder van huis zijn, dan in de 19e eeuw.
Wie is echter bedroefd over deze breuk van Sion? Passen we ons niet te gemakkelijk aan? Zoeken we het verval niet te vaak buiten onze gemeenten, buiten onze kring, buiten onszelf? Hebben wij er erg in, dat ook in ónze gemeenten een uithollingsproces plaats vindt, dat echt niet te stuiten is door het oprichten van bijzondere stichtingen, het beleggen van buitengewone samenkomsten. Laten wij ons, zo veel maar kan, vér houden van al die eigenwillige dingen en ons met des te meer inzet werpen op de drie hoofdpijlers van ons werk: de prediking, de catechese, het pastoraat. Daarbij zullen wij van de kerk in haar ambtelijke vergaderingen vaak weinig steun ontvangen. Maar laten wij ons hoeden voor het bestaan als een parasiet, die leeft bij de gratie van de patiënt. Want dit komt ook onder ons voor. Laten wij ons, zo veel maar kan, houden aan de regels van de orde van onze kerk; want werden die dan nog maar nageleefd! En laten wij onze kerk des te meer liefhebben en trouw zijn, naarmate zij, als onze moeder, zieker wordt.
Verval
Nauw hierbij aan sluit het geestelijk en zedelijk verval in Nederland. Wij beleven immers een tijd van saecularisatie en nihilisme, van verwording en apocalyptische dreigingen als nooit tevoren. Toch zijn vele christen-mensen gerust als zij maar het natje en droogje hebben. Zij slapen voort. Als zij niet tijdig ontwaken, zullen zij straks hardhandig wakker geschud worden. Maar zijn wij zelf voldoende wakker en waakzaam? Moeten wij het zelf nog niet helemaal beginnen te leren te leven en te werken in een maatschappij die bijna alle christelijke normen en waarden heeft uitverkocht? Bereiden wij onze mensen, met name onze jónge mensen, daarop voldoende voor?
De boze
Nog veel meer zou genoemd kunnen worden. Nog één factor van belang wil ik vermelden. Last but not least: de boze is een vreselijk, grimmig en verbeten tegenstander, die op de achtergrond van al deze dingen staat en die alles bedenkt en aanwakkert wat tegen God en tegen de loop van het Goddelijk Woord ingaat. Geen enkele methode schuwt hij, noch om de bredere verbanden van gemeente en kerk te verwoesten, noch de kinderen Gods persoonlijk te treffen. Naarmate de tijd verstrijkt en ten einde gaat, wordt zijn woeden gruwelijker. Laten wij zijn macht niet onderschatten.
Overwonnen
Maar wij mogen weten, dat hij niet álle macht heeft. Wij hebben het juist nu weer met Pasen mogen verkondigen, dat deze vijand overwonnen is, omdat Jezus Christus over alle machten van duivel en dood heeft getriomfeerd. Hij is immers opgestaan als de Eerstgeborene uit de doden. Geen macht hoe hels en duivels ook krijgt Hem ooit weer in haar greep. De poorten van de hel woeden. Maar zij winnen niet.
En laat ik daarom nu tot het positieve komen, tot datgene wat wij 'mee' hebben als wij dienaren van het Woord mogen zijn, bij alles wat tussen door al naar voren werd gebracht aan positiefs.
In de eerste plaats hebben wij (en ik besef dat het een grote uitspraak is, waarbij grote ootmoed past) God mee. In de zin van Rom. 8: zo God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? Wat is dat geweldig, wanneer wij dit in het geloof mogen weten. Hij is het immers, die niet van mensen afhankelijk, niet aan hen gebonden is, maar ze wél wil gebruiken. Hij is het die roept en zendt. Hij is het die toerust en kracht geeft. Dat God vóór ons is is een werkelijkheid, die vanwege het volbrachte werk van de Middelaar Christus, alle gelovigen geldt. Maar zij geldt dan ook allen die de Heere roept tot een bijzonder werk in Zijn wijngaard. Het is niet óns werk dat wij doen. Hij draagt ons iets van Zijn werk op. Niet óns woord brengen wij, maar het Woord van God. Wij wijzen niet op onszelf, maar wij wijzen van ons af op de Zaligmaker. 'Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.' Dit Woord zal niet tevergeefs zijn. Het zaad draagt vrucht. Weinig of veel vrucht, maar er zal vrucht zijn, zowaar Koning Jezus altijd onderdanen hebben zal.
Op de Heere mogen wij dan ook terugvallen met alle persoonlijke en ambtelijke zorgen en verdrietelijkheden die zich voordoen. Het is toch Zijn zaak waarvoor wij staan. En als wij ook in onze ambtelijke dienst het kruis op ons moeten nemen, mag het toch getroost zijn?! Het is niet onwaarschijnlijk, dat wij in deze boze tijd verdere afval en inkrimping van kerk en gemeente moeten meemaken. Laten wij evenwel niet mismoedig worden, maar ook dan trouw blijven.
Kerk der eeuwen
Verder hebben wij de kerk der eeuwen en haar geloofsschat mee. Wij verkondigen niet de meningen van de dag, ontleend aan een marxistisch of ander eigentijds filosofisch denken, maar de vastigheden van het Woord van God, waarvan Jezus Christus als het vleesgeworden Woord het levend middelpunt is. Wij weten ons verbonden mèt en deel ván de éne katholieke kerk. Christianas nomen, reformatus cognomen (Christen is onze naam, gereformeerd onze bijnaam). Al is onze prediking in relatie met deze tijd en de mensen van deze tijd, wij hebben Christus te prediken, de Christus der Schriften die gisteren en heden dezelfde is en in der eeuwigheid. En daarin kunnen wij machtig veel hebben aan de geloofsschat van de kerk der eeuwen.
Het is een geweldige hoogmoed te menen, dat pas in onze tijd de eigenlijke waarheid van het christelijk geloof naar voren treedt. Er is nauwelijks een vraagstuk in de Schrift en in de theologie te bedenken waarover vroeger al niet is nagedacht en geschreven. Hoe meer wij dan ook de Schrift, doorzoeken en bezig zijn met de kerkvaders en de grote denkers der christenheid, hoe vaster wij ook zullen staan in de stormen van deze tijd.
Al zullen wij weinig steun ontvangen van de empirische kerk, laten wij evenwel altijd weer bedenken, dat wij in haar ambtelijk dienen en door haar het ambt ontvangen hebben. Dat moet ons steeds weer voor de geest staan, opdat wij deernis met haar lot hebben en niet schamper over haar spreken en onkerkelijk handelen. Hier geldt hetzelfde wat het klassieke huwelijksformulier de man voorhoudt ten opzichte van zijn vrouw: gij zult niet bitter tegen haar zijn.
Uiteindelijk ontvangen wij veel meer van de kerk dan wij ooit haar kunnen teruggeven: het Woord, de sacramenten, het ambt, de gemeenten die wij mogen dienen en ook nog ons traktement en oudedagsvoorzieningen!
Gedragen
En mogen wij ons ook niet gedragen weten door die kerkeraadsleden en leden van de gemeente, die het Woord waarlijk verstaan, de liefde van de Heere kennen en Hem beminnen? En wat een voorreecht als we naast ons een vrouw tot steun hebben, als God ons die geeft!
Wij moesten eigenlijk een boek aanleggen, waarin wij met grote letters schrijven alle goeds dat wij nog in de gemeente aantreffen, alle ritselingen van leven, alle blijken van werking en doorwerking van het Woord onder ouderen en jongeren, alle zegen die door Gods genade vallen mag.
Wij hebben in ons domineesbestaan veel tegen. U hebt wellicht nog meer dingen bedacht dan werden opgesomd. Maar we hebben méér mee. Het staat er immers mee, ook in deze tijd vol ontreddering, als met Elisa die tegen zijn jongen mocht zeggen: die bij ons zijn zijn méér dan die bij hen zijn. Maar we hebben er wel door het geloof, door Gód geopende ogen voor nodig het te zien.
Stáát in dit geloof. En waakt. En laten wij ons ervoor hoeden dat het heilige door gewenning ontheiligd en profaan wordt. Alleen wanneer wij in ons ambt eerbiedig, bijna zou ik zeggen schuchter zijn en blijven, kunnen wij ervaren hoe bemoedigend het is, dat Paulus 1 Kor. 15 besluit met de woorden: Zo dan, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere.
Openingswoord op de vergadering van Hervormd Gereformeerde predikanten op woensdag 25 april 1979 in het Henri Dunanthuis, Zeist, door ds. L. J. Geluk, voorzitter van de Gereformeerde Bond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's