De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wachtenstijd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wachtenstijd

7 minuten leestijd

Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen…(Joh. 21 : 3)

De discipelen in ons tekstgedeelte verkeren in een zekere leegte. Een soort niemandsland. Of, om in het beeld van ons tekstgedeelte te blijven: ze zijn tussen de wal en 't schip geraakt. Een vroegere periode ligt achter hen, maar de nieuwe is nog niet aangebroken. Wat voor een gevoel zo'n niemandsland geeft, dat weet u misschien zelf wel, wanneer u ook wel eens zo'n periode hebt meegemaakt. Je kunt zo'n gevoel bijvoorbeeld hebben tijdens een verhuizing. Je hebt afscheid genomen van je oude huis, maar in het nieuwe huis voel je je bepaald nog niet op je gemak. Nu lag dat voor de discipelen echter allemaal nog wel wat dieper. Want waardoor was hun 'niemandsland' eigenlijk ontstaan? Wel, u weet 't, drie jaren lang waren ze intensief omgegaan met hun Meester, de Here Jezus Christus. Alles hadden ze achtergelaten en ze waren Hem gevolgd. Maar toen plotseling, toen was dit leven met Hem afgebroken. Hij was gekruisigd en begraven. Aanvankelijk waren de discipelen totaal in paniek geraakt. Ze waren gevlucht als schapen, die hun herder kwijtgeraakt waren. Doch, de herder had hen weer opgezocht. Verrezen uit de dood verscheen Hij hen, eenmaal en andermaal. Groot was de vreugde van de discipelen daarover. En tóch, het was alles zo anders geworden. Jazeker, de Gekruisigde was opgestaan – Zie, Hij leeft! –, maar het oude leven van dagelijks met Hem rondtrekken was voorbij. Slechts van tijd tot tijd verscheen Hij hen en binnenkort zou Hij definitief van hen scheiden. Dan was het wachten op de Trooster; de Heilige Geest, die komen zou.
Christus had zelf gezegd, reeds voor zijn sterven: 'Het is u nut, dat ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.'
Ziet u nu het 'niemandsland', waarin de discipelen op dit moment verkeren? Christus is niet meer van dag tot dag bij hen en de Heilige Geest is nog niet gekomen. Wat moeten ze doen in die tussentijd?
Ja, Christus heeft wel tot hen gezegd: Gelijkerwijs de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook ulieden… Dat is wel het doel, dat vóór hen ligt: uitgaan in de gehele wereld als gezanten van Christus…, maar ze hebben het gevoel, dat het zover nog niet is. En… zonder de Geest, die hen leidt in alle waarheid, hebben ze ook de kracht niet daartoe. Moeten ze dan nu maar in deze tussenperiode de tijd in ledigheid doden?
Petrus zegt tot de andere discipelen, die bijeen zijn: Kom, ik ga vissen. Een heel nuchtere opmerking. U weet, de discipelen waren vissers geweest, toen Christus hen riep en nu vatten ze dus dit oude werk weer op.
Misschien valt ons dat wat tegen van die discipelen. Zijn dat nu mensen, die de Opgestane Christus ontmoet hebben? Zijn dat nu de gelovigen van na Pasen, mensen die heel gewoon weer gaan vissen? Ja, dat zijn ze. En Christus valt ze daar straks ook helemaal niet op aan.


Soms zijn er in ons leven van die perioden, dat we geestelijk in een soort 'niemandsland' verkeren. Ik wil u daar enkele voorbeelden van geven. Misschien herkent deze of gene zich daar dan in.
Iemand, die zonder God leefde, wordt onrustig gemaakt. Zo kan het toch niet langer, beseft hij. Hij gaat breken met zijn oude leven en in de verte ziet hij als het ware het nieuwe leven wenken. Het nieuwe leven met en door Christus. Hij verlangt naar dit leven, maar hij heeft er nog niet persoonlijk deel aan. Zo iemand leeft eigenlijk tussen twee werelden in. Het oude leven zonder God bekoort hem niet meer, maar het nieuwe leven mét God, dat ligt nog vóór hem. En ik weet niet of u daar enige ervaring mee heeft, maar het is met de dingen van Gods Koninkrijk zó, dat wij die zelf niet zomaar kunnen pakken. Wanneer je geestelijk als het ware tussen twee werelden leeft, dan pak je niet zomaar even het geloof. Nee, in plaats van het woord 'pakken' is hier veeleer op zijn plaats het woord 'wachten'. Ergens in de bijbel staat: 'Indien Hij (God) vertoeft, zo verbeidt Hem, want Hij zal zeker komen.'
Alles wat wij hebben als kind van God is ons eens geschonken. Dat betekent, daar is eens, maar ook telkens weer in het leven des geloofs een wachtenstijd… totdat Hij komt en mij geeft dat, waarnaar ik verlang, dat, waarnaar mijn ziel hijgt.
Bij de discipelen had dit wachten vooral ook betrekking op het getuige zijn. Zij moesten uitgaan in de wereld om getuigen te zijn. 'Gaat dan heen, onderwijst alle volken…', maar de kracht was nog niet daar en de gelegenheid was nog niet daar. Immers de Geest was nog niet daar. Ook in dit opzicht is het in het leven van Gods kind vandaag nóg vaak 'wachtenstijd'. Wachten op de van God gegeven gelegenheid om volop van Hem te kunnen spreken. Heere, schenk mij die vrijmoedigheid die ik nog mis om te spreken over het ene nodige met die collega op mijn werk, met mijn zoon, met mijn dochter, met mijn man, met mijn vrouw.
Soms is het ook zo, dat wij wel willen, maar dat het is alsof we op een muur stuiten. De tijd is er nog niet rijp voor.
Nu weet ik zeer wel, dat dit alles wat ik zoëven neerschreef aanleiding kan geven tot groot misverstand. We moeten het dus blijkbaar allemaal maar afwachten…
Afwachten tot de Heere ons bekeert… Afwachten tot we misschien een keer getuigen kunnen… Maar u moet goed begrijpen: dát bedoel ik niet. Ik bedoel geen vroom verkapte onverschilligheid. Maar ik bedoel het pure feit, dat ieder die met de Heere omgaat telkens tot de ontdekking komt, dat Hij in alle dingen van de Heere afhankelijk is. Wij ondernemen niets uit onszelf en wij maken niets klaar uit onszelf. Wij zullen leren wachten totdat Hij zich aan ons openbaart. Totdat Hij een muur doorbreekt en een deur opent. En in die wachtenstijd vraagt de Heere van ons, dat we gewoon ons werk doen. Niet maar piekeren, niet maar tobben, maar gelovig, kinderlijk vertrouwend doen wat onze hand vindt om te doen… wetend, dat de Heere zeker op zijn tijd komen zal.
Ik las ergens: in zulke omstandigheden mogen we getroost gaan vissen.
Ik ga vissen, zegt Simon Petrus. Wij gaan met u, zeggen de andere discipelen. Kijk, en terwijl zij nu dit hun gewone werk gaan doen, gaat de Heere Jezus zich aan hen openbaren. Op zijn tijd. Dat Jezus dit inderdaad gaat doen, dat worden we meteen al gewaar in het eerste vers, waar ons teksfhoofdstuk mee begint. Immers dit is de openingszin: 'Na dezen openbaarde Jezus zichzelf wederom aan de discipelen aan de zee van Tiberias…' En het gedeelte sluit af met: 'Dit was nu de derde' maal, dat Jezus zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was.’
Jezus, de Opgestane en 'uit het gezicht verdwenene', gaat zich opnieuw aan zijn discipelen openbaren, zodat ze Hem gaan zien, herkennen en komen tot de belijdenis: Het is de Heere!
Hoe Hij dit doet, wil ik graag de volgende week met u overdenken.

W. Dekker, Loenen aan de Vecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Wachtenstijd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's