Uit de pers
De christenen en de jodenvernietiging
De veelbesproken film Holocaust over de lijdensweg en de vernietiging, van zes miljoen Joden in Duitsland onder het regiem van de Nazi's bepaalt ons opnieuw bij het verschijnsel van het antisemitisme en zijn schokkende gevolgen. Veler vraag is: Hoe is het mogelijk dat zoveel brave burgers deze gruwelen hebben toegelaten of er in een of andere vorm aan hebben meegewerkt? Waarom is er niet luider protest aangetekend door de wereld en waarom is men niet massaal in verzet gekomen? In Hervormd Nederland van 21 april schrijft dr. J. B. G. Jansen dat Hitler voor de rechtvaardiging van zijn vernietigingsplan gezegd moet hebben: De Joden hebben Jezus gekruisigd, daarom zijn ze niet waard te leven. Het is een ontzettende zaak dat een (dergelijke uitspraak een traditie van eeuwen heeft en dat daardoor het vuur van de Jodenhaat is opgestookt. Dr. Jansen schrijft in zijn artikel o.a.:
Maar is het antisemitisme dan niet vóór-christelijk te noemen? Verdedigde de beroemde schrijver Tacitus niet de eerste pogroms in de stad Alexandrië, die voor tweevijfde deel joods was? Was hij niet een welbespraakt verdediger van deze afschuwelijke moordpartijen? Inderdaad. Maar de godsdienstige zegen, de religieuze legitimatie van álle vormen van antisemitisme is nergens ter wereld uit het stadhuis of de straten van Alexandrië gekomen, en ook niet uit de kazernes van Rome, maar uit de basilieken en christelijke kerken, waar christenen samendromden rondom de gekruisigde Christus. In naam van deze gekruisigde Jezus werden Joden in het 'christelijk' Europa aan verschrikkingen blootgesteld, die elke beschrijving tarten. Ze werden gesard, getreiterd, beroofd en onderdrukt, opgejaagd en vervolgd, en telkens weer voor de keus gesteld tussen doop of dood. In naam van de gekruisigde Jezus gingen duizenden synagogen en leerhuizen in vlammen op, werden hun heilige geschriften de 'thora' en 'talmoed' ontwijd, vielen getto's in puin en werden hun inwoners vermoord.
Zesennegentig concilies en honderdveertien pausen hebben in de loop der eeuwen wetten geformuleerd om het joodse volk bespottelijk en belachelijk te maken, om hen te martelen en te verbannen, om hun goederen te onteigenen en hen als paria's van de samenleving te beschouwen. In het boek van André Schwarz-Bart komt dat ontroerende gesprek voor tussen Ernie, die als de laatste der rechtvaardigen getekend wordt en omkomt in Auschwitz, en zijn verloofde Golda; zij zijn voor een kort ogenblik uit het getto van Parijs ontsnapt en praten ergens op een bankje met elkaar: '… De christenen zeggen, dat ze Christus liefhebben, maar ik geloof, dat ze hem haten, zonder dat ze het zelf weten. Daarom nemen ze het kruis bij het andere eind vast en maken er een zwaard van, en daar slaan ze ons mee. Begrijp je Golda', riep hij plotseling vreemd opgewonden, 'ze nemen het kruis, en ze draaien het om, en ze draaien het om, mijn God…' 'Ssst', zei Golda, 'straks horen ze ons nog.'… 'Die arme Jesuah, als hij eens op aarde terugkeerde en zag dat de heidenen een zwaard van zijn kruis gemaakt hebben tegen zijn broeders en zusters, o, hij zou bedroefd zijn, bedroefd zijn zonder einde.’
Nu kunnen we zeggen dat in het Nederland van de 17e eeuw plaats was voor de Joden, dat met name het Calvinisme zich sterk betrokken wist en weet bij het Oude Testament en dat ook doorgewerkt heeft in de visie op de Joden, en men kan wijzen op verzet dat er geweest is van de zijde van priesters, predikanten en gemeenteleden tegen de Jodenvervolging, we moeten toch zeggen dat de kerkgeschiedenis over de gehele linie op dit punt een beschamend beeld vertoont. Wat hebben we aan Israël laten zien van de rijkdom van het heil in de Messias Jezus om hen tot jaloersheid te verwekken? Hebben christenen de eeuwen door niet veelal een afschrikwekkend voorbeeld gegeven, gunstige uitzonderingen daargelaten?
Theologie en Anti-Judaisme
In enkele ardkelen in het Geref. Weekblad waarin dr. C. J. den Heyer ingaat op literatuur over de verhouding tussen Jodendom en Christendom, memoreert hij o.a. ook het boek van Charlotte Klein, Theologie und Anti-Judaismus. Den Heyer doet dat in het kader van een opmerking waarin hij erop wijst, dat we ten aanzien van de joodse achtergronden van het Nieuwe Testament allerlei wetenschappelijke werken kritisch moeten lezen, omdat er zo heel makkelijk vertekende beelden b.v. ten aanzien van de Farizeeërs of de joodse toekomstverwachting gegeven worden. Hij schrijft in het nummer van 6 april:
Ik wil in dit verband wijzen op een boek dat enkele jaren geleden in Duitsland gepubliceerd werd: Charlotte Klein, Theologie und Anti-Judaismus. In haar voorwoord vertelt de schrijfster de reden waarom zij het boek geschreven heeft. Gedurende een aantal maanden had ze college gegeven aan een Universiteit over 'Einleitung in das Neue Testament' en daarbij geprobeerd een zo objektief mogelijk beeld te geven van het Jodendom in de eerste eeuw van onze jaartelling. Na afloop werd aan de studenten gevraagd een scriptie te schrijven over het onderwerp: 'Wie erklären Sie das allgemeine Unverständnis seiner Urn welt Jesu gegenüber?' Charlotte Klein vertelt dan dat het resultaat haar soms verbijsterde. Terwijl zij het Jodendom zoveel mogelijk van binnenuit had trachten te verstaan, las ze in scripdes van de studenten alle bekende vooroordelen, voortkomend uit het eeuwenoude christelijke superioriteitsgevoel: het Jodendom komt niet boven het niveau uit van een typisch wettische godsdienst en de Farizeeën zijn daarvan de meest uitgesproken vertegenwoordigers; zij leggen alle nadruk op uiterlijke dingen en zijn daardoor meestal echte huichelaars. Hoe komt het toch dat deze voorstelling van zaken zoveel invloed kreeg bij de studenten? Het antwoord is eigenlijk erg eenvoudig: het overgrote deel van de nieuwtestamendsche literatuur geeft een dergelijk beeld van het Jodendom. Dat toont Charlotte Klein in haar boek zeer overtuigend aan. Ook in de meest recente studies worden maar uiterst zelden joodse bronnen geciteerd, over het algemeen volstaat men met 't verwijzen naar oudere – christelijke – standaardwerken. Daarbij doet zich nog een uiterst pijnlijke omstandigheid voor. De schrijfster wijst erop dat een aantal bekende nieuwtestamentici uit Duitsland in de dertiger jaren studies publiceerden waarin twijfel werd geuit over het jood-zijn van Jezus. Na de tweede wereldoorlog schreven zij commentaren op de bijbelboeken en andere boeken over nieuwtestamentische onderwerpen alsof er niets gebeurd was. Maar kan dat? Kunnen deze werken betrouwbaar zijn? Zal de gebruiker ervan niet uiterst kritisch moeten zijn?
Tussen Auschwitz en Jerusalem
Dat is de titel van een artikel van ds. J. G. K. Littooy in het Centraal Weekblad van 21 april. Littooy merkt op dat maar zo weinig christenen in de wereld beseffen dat de Holocaust ook een les, is aan de kerk. Misschien wel de belangrijkste les van de twintigste eeuw. Joden en christenen kunnen niet verder gaan alsof er niets gebeurd is. In dit verband citeert de schrijver de joodse auteur Elie Wiesel:
In zijn laatste boek 'Een Jood Vandaag' staat een verhaal met als titel: 'Waarom ik bang ben.'
Elie Wiesel gaat daar in op de vraag of een nieuwe Holocaust voor het joodse volk mogelijk is. In de eerste jaren na de oorlog geloofde hij van niet: 'Het antisemitisme, zo zei ik tegen mijzelf, is weggesmolten onder de asgrauwe hemel ergens in Polen; wij hebben niets meer te duchten; men zal onze angsten willen begrijpen… Ik had ongelijk… Er zijn tekenen aan de wand verschenen en zij zijn verbijsterend. Het walgelijk schouwspel van een opgewonden bijeenkomst van een internationale organisatie waar een woordvoerder van de terreur feestelijk werd ontvangen. De redevoeringen, het votum tegen Israël. Het tragische isolement van dat volk met zijn universele roeping. Een Arabisch vorst biedt zijn gasten exemplaren aan van luxe-edities van de laaghartige Protocollen van de Wijzen van Zion, Kerkhoven in Frankrijk en in Duitsland geschonden. Perscampagnes in Sovjet-Rusland. De tegenstroom van de reacties die ons lijden bagatelliseren en de anti-zionistische, anti-joods pamfletten die onze verwachtingen de bodem inslaan. Men moet wel blind zijn om 't niet te willen erkennen: de jodenhaat is weer in de mode gekomen.'
Natuurlijk kan men zich vragen stellen, kritische vragen, wanneer men de concrete politiek van Israël volgt. Maar men dient minstens zozeer vragen te stellen over de politiek van de Arabische landen, van Rusland en West-Europa.
Natuurlijk moet er een oplossing voor het Palestijnse volk komen. Hoe eerder, hoe beter. Dat dat overigens veel moeilijker is dan het bij oppervlakkige kennisneming van dit vraagstuk lijkt, ontgaat velen. Hoe weinigen doorzien dat een oplossing van het Palestijnse vraagstuk ten koste van Israël een probleem zal scheppen, dat gigantischer en afschuwelijker zal zijn. Wij laten nog even Elie Wiesel aan het woord:
‘Het is daarom niet verwonderlijk dat, bijna overal, aan een duurzaam joods volksbestaan wordt getwijfeld. Toen in oktober 1973 het Israëlische leger met zeer ernstige, bijna noodlottige, tegenslagen te kampen kreeg, weigerde West-Europa – op een enkele uitzondering na – iedere hulp. En wat nog erger is, zij poogde de bijstand die Israël door Amerika werd geboden te saboteren. Het Europa dat agressoren hun gang liet gaan, aanvaardde bij voorbaat de zekere nederlaag van Israël, dat wil zeggen zijn waarschijnlijke liquidatie. En wat nu? Zal dit zo jonge en tegelijkertijd zo oude volk de volgende aanval weten te overleven, en tot welke prijs? Hoe vaak zal het nog de besten onder zijn zonen en dochters moeten offeren? Hoe lang kan een menselijke gemeenschap in staat van beleg leven, omringd door vijanden? Is een posthume overwinning van Hitler denkbaar?’
Voor ons die het mens-zijn en het jood-zijn tot in de laatste consequentie beleefd hebben, bestaat er geen twijfel aan dat op dit ogenblik in de geschiedenis het joodse volk en de joodse staat onverbreekbaar verbonden zijn met elkaar; de een kan niet overleven zonder de ander. Wij zijn zelden zo vereend geweest. En zo alleen.'
Auschwitz en Jeruzalem
Daartussen speelt zich de geschiedenis van het joodse volk op dit moment af. Auschwitz en Jeruzalem. Dat zijn de coördinaten van de joodse ziel. De – het zij toegegeven – wat lang uitgevallen citaten uit het werk van een overlevende duiden dat op een authentiekere wijze aan, dan ik het zelf zou kunnen verwoorden. Tussen Auschwitz en Jeruzalem vindt ook het gesprek van de kerk met het joodse volk plaats.
Helaas blijkt het antisemitisme niet weggesmolten te zijn. Het neo-nazisme in Duitsland leeft weer op. Zionisten worden als racisten uitgekreten. En rechts fascisme en ultra-linkse bewegingen reiken elkaar op dit punt de hand. Laat de christelijke gemeente waakzaam zijn. Het stemt tot vreugde dat op allerlei wijze Israël in de theologie en de prediking aan de orde komt. Dat allerlei vertekeningen uit het verleden als vertekeningen herkend worden.
Maar het griezelig verschijnsel van de Jodenhaat blijkt telkens weer op te duiken. Soms heel onschuldig vermomd. De kerk zal in getuigenis en dienst hier hebben te waarschuwen. Zij belijdt immers Hem als Here en Koning, die de Messias van Israël is, de Koning der Joden. En dat opschrift stond boven het kruis.
A. N., Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's