De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Natuur en genade

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Natuur en genade

10 minuten leestijd

Er is de menselijke natúúr en er is de goddelijke genáde. Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Is de natuur vooronderstelling van de genade of is deze daar het tegendeel van? Gaat het om twee polen, die onverzoenbaar zijn of is er een vloeiende overgang, waarbij een deel van het oude (de natuur) in het nieuwe (de genade) wordt opgeheven? Over deze zaken ging het op de predikantenconferentie van Hervormd Gereformeerde predikanten, die in afwijking van andere jaren nu in april gehouden werd, omdat in januari de samenkomst wegens de weersomstandigheden moest worden uitgesteld.


‘Gerefereerd hebben prof. dr. W. van 't Spijker, chr.-gereformeerd hoogleraar te Apeldoorn, over 'Natuur en genade in de reformatorische theologie' en drs. J. Hoek, hervormd predikant te Groenekan, over 'Natuur en genade in de moderne(re) theologie'. Van beide referaten volgt hier een summiere samenvatting, ontdaan van de theologische vakwoorden.
Professor Van 't Spijker vatte drie reformatorische theologen in het oog, te weten Luther, Bucer en Calvijn. Drs. Hoek vroeg aandacht voor Kuyper, Barth en Kuitert. In korte formuleringen gaan we na hoe deze zes – naar het inzicht van de referenten – dachten over de verhouding van natuur en genade. Wie interesse heeft de hele lezingen onder ogen te zien verwijs ik naar de komende nummers van Theologia Reformata, het theologisch tijdschrift van de Gereformeerde Bond.

Luther
De reformatie kwam na de middeleeuwen. In de middeleeuwen had de scholastieke theologie geleerd, dat de genade de natuur niet opheft, niet ongedaan maakt, maar haar volmaakt. Met andere woorden: de menselijke natuur heeft het ín zich om door de genade de volmaaktheid te bereiken. Hierdoor – aldus prof. Van 't Spijker – wordt de ernst van de zonde onvoldoende gehonoreerd, wordt de mogelijkheid van 'voorbereidende genade' open gehouden, wordt in feite natúúrlijke kennis als voorbereidend voor gelóófskennis gezien, wordt aan de filosofie een invalspoort geboden en gaat het in feite om de (in de natuur) ingestorte genade.


Daartegenover heeft Luther met kracht gesteld, dat de natuur van de mens verkeerd en verdorven is. 'In de menselijke natuur is niets dan begeerlijkheid tégen God.' Daarom weet Luther niet van een natuurlijke kennis van Christus maar weet hij slechts van de theologie van het Kruis, van de rechtvaardiging van de goddeloze. Luther weet niet van natúúr en genade maar van zónde en genade. En zo was bij Luther de rechtvaardiging van de goddeloze het alles beheersende artikel, waarmee de kerk staat of valt. Dit alles had voor Luther consequenties ten aanzien van zijn zicht op wet en evangelie, op de kerk en op de verhouding van kerk en staat (de zogenaamde twee-rijkenleer: het geestelijk regiment in de Kerk en het wereldlijk regiment in de staat).

Bucer
Toch was er in dit alles een (nuance?) verschil tussen Luther en de gereformeerde theologen, zoals Bucer en Calvijn. Bij de gereformeerde theologen gaat het óók om het effect van de genade. Het gaat niet alléén om de rechtvaardiging, ook om de wedergeboorte. De genade grijpt óók in op de structuur van de dingen der natuur. Er is ook zo iets als de algemene genade, waardoor de totale ondergang der natuur met de zondeval is voorkómen. Er loopt weliswaar geen weg van de natuur naar de genade, maar door de Heilige Geest wordt wel een verbinding gelegd tússen de natuur en de genade; een verbinding 'waardoor het genade-karakter van het heil wordt gewaarborgd en waarin het scheppingswerk in de natuur van de mens wordt geëerbiedigd'. Die Geest is de Geest van Christus en werkt vanuit het Koningschap van Christus. En daarom – aldus Bucer – is de genade ook een zaak van het hele leven. De gemeente met haar verkondiging grijpt het hele leven aan: de rechtspraak, het strafrecht, huwelijkswetgeving, handel en nijverheid.

Calvijn
Dit alles vinden we met name bij Calvijn terug, helderder en klaarder nog dan bij Bucer. Calvijn heeft recht gedaan aan wat hij bij Paulus heeft gelezen omtrent Gods openbaring in de natuur. God openbaart zich wérkelijk in de natuur. Maar dat betekent niet, dat wij via een natuurlijke Godskennis tot het werkelijk kennen van God kunnen komen. Want sinds de zondeval is er een tekort in ons kenvermogen.
Calvijn onderscheidt een kennis van God als Schepper en een kennis van God als Verlosser in Christus. De eerste kennis zou voldoende zijn geweest wanneer Adam stáánde was gebleven. Nu echter Adam gevallen is, is er weliswaar sprake van een kennis Gods, die de mens van nature is ingeplant ('zaad der religie') maar die kennis is niet genoegzaam tot zaligheid. De mens van nature zoekt God niet. Ten opzichte van Gods openbaring in de natuur is de mens blind en doof. Wij hebben een totaal nieuwe gezindheid nodig. 'En die nieuwe' gezindheid komt tot stand door een onverdiende rechtvaardiging door het geloof alleen.' Calvijn schrijft in zijn brief aan kardinaal Sadoletus:

‘Wij laten de mensen met zelfkennis beginnen, niet lichtvaardig en oppervlakkig, maar hij moet zich in zijn gedachten voor God geplaatst zien, en wanneer hij dan van zijn zonde overtuigd is, dient hij de gestrengheid te herdenken van het vonnis, dat over alle zondaren gaat. Zo valt hij, vernietigd en verslagen door zijn ellende, deemoedig voor God neer, laat hij alle zelfvertrouwen varen, en klaagt hij, verloren in het uiterste verderf. Dan tonen wij hem de enige anker grond: de barmhartigheid Gods, die Zich in Christus aan ons openbaart. Want alles wat tot ons heil noodzakelijk is, is in Hem vervuld. Omdat zo alle stervelingen voor God als zondaren verloren zijn, noemen wij Christus onze enige gerechtigheid. Want Hij heeft met zo'n gehoorzaamheid onze overtredingen uitgedelgd.’

'De absolute concentratie op Christus maakt het voorgoed onmogelijk een aanknopingspunt in de mens te vinden', aldus prof. Van 't Spijker, in aansluiting op deze passage. Maar wél is aan de rechtvaardiging de heiliging onlosmakelijk verbonden: de hele menselijke natuur wordt geheiligd. De majesteit van God betrekt zich op het hele leven. God geeft aan ieder mens zijn eigen roeping. En zo wordt dan de natuurlijke aanleg van de mens in dienst genomen van Gods plan en doel. De genade heiligt de krachten van de natuur. En zo ook heeft Calvijn (theocratisch) zicht op kerk en staat, op handel en maatschappij. In het Corpus Christi (de gemeente) neemt de genade de natuur in haar dienst. In het Corpus Christianum, het christelijke gemenebest, gebeurt dit op nog groter schaal. Zo heeft Calvijn de dualiteit, de tweeheid, van natuur en genade bij Rome afgewezen (natuur en bovennatuur), maar ook bij de Dopersen, waar de genade niet werkelijk op het hele leven ingaat, maar waar de natuur als waardeloos terzijde wordt gesteld. En sterker ook dan bij Luther, bij wie de rechtvaardiging van de goddeloze zo allesbeheersend is, heeft Calvijn de heiliging van de natuur benadrukt.

Kuyper
Drs. J. Hoek ging – als gezegd – in op de visie van Kuyper, Barth en Kuitert. Kuyper heeft over de 'gemene gratie', de algemene genade, veel breedvoeriger gehandeld dan Calvijn. De algemene genade heeft een eigen positie in de praedestinatie-in-bredere-zin, namelijk in die zin, dat het verloop van de wereldgeschiedenis, met opkomst en verval van de wisselende culturen, plaatsvond als ontplooiing van de mogelijkheden, die God in de Schepping had gelegd. De satan heeft niet kunnen voorkomen, dat deze ontplooiing tot stand kwam. Daarin triumfeert de Schepper over zijn duistere tegenstander. 'De wereld valt mee', constateert Kuyper. Er zijn buiten de stroom van de particuliere (persoonlijke, bijzondere) genade vele schatten van wijsheid en schoonheid, van wetenschap en cultur aan te wijzen, die te danken zijn aan de algemene genade.


In navolging van prof. dr. J. Douma stelde drs. Hoek, dat de onderscheiding van algemene en particuliere genade, als bij Kuyper geschiedt, niet over te nemen is. Het gaat meer om 'de ene stroom van Gods souvereine, onweerstaanbare, zaligmakende genade', die zich voortbeweegt in een bredere bedding van genadebetoon, die niet zaligmakend is, hoewel zeker in verband staande met het werk van de Zaligmaker. Hier ging drs. Hoek terzijde ook kritisch in op de uitspraak van de generale synode van de Gereformeerde Gemeenten in 1945, waarin wordt afgewezen de gedachte, dat de algemene genade vrucht is van Christus' zoenverdienste.
Ten aanzien van Kuypers opvatting stelde drs. Hoek intussen, dat deze met zijn 'de wereld valt mee' onbedoeld een aanknopingspunt heeft gegeven voor de doorbraakgedachte en op gang heeft gebracht een optimistische cultuurbeschouwing; een gedachte die Calvijn bezworen heeft door de algemene genade veel dichter bij de particuliere genade te houden.

Karl Barth
Karl Barth ontkent niet alleen elke natuurlijke Godskennis, maar hij stelt ook, dat er vanuit de Schepping geen enkele sprake uitgaat van de Schepper, tenzij die sprake er vanuit Gods ene unieke openbaring in Christus ingelezen wordt. Maar vanuit de concentratie op Gods ene openbaring in Christus komt Barth dan tot een uiterst brede en uiterst optimistische benadering van mens en wereld. 'De schepping is de uitwendige grond van het verbond, het verbond de inwendige grond van de schepping.' De particuliere genade wordt helemáál algemene genade, zelfs universele (alomvattende) genade. De mens is als mens al deelgenoot van het heil. In de latere Barthiaanse theologie wordt dit zo uitgewerkt (o.a. in de kortgeleden verschenen dogmatiek van de hoogleraren Beker en Hasselaar), dat de volken God reeds loven, zónder dat dit hangt aan hun eigen bewustzijn daaromtrent. Alle mensen mogen worden aangesproken op hun saamhorigheid met de gekruiste Christus, 'want Christus is niet de mogelijkheid maar de werkelijkheid van het leven van allen.' De conclusie van drs. Hoek was: 'met kracht zal tegenover dit Barthiaanse spreken over natuur en genade de particulariteit van de genade moeten worden beklemtoond.’

Kuitert
De Gereformeerde hoogleraar Kuitert stelt, dat godsdienst een puur menselijke aangelegenheid is. Een mens dóét aan godsdienst, daar is hij mens voor. De functie van de godsdienst is: de mensen, bij het veranderen van de wereld die zij aantreffen, begeleiden. Het christelijk geloof – aldus Kuitert – neemt intussen op het brede terrein van de godsdiensten geen uitzonderingspositie in. De waarheid van de christelijke traditie kan alleen maar blijken uit wat het uitwerkt. Beroep op het gezag van de Bijbel is een uitvlucht. In de Bijbel vinden we niet directe openbaring van God. De Bijbel is een menselijk document, neerslag van de Openbaring in Israël en in Christus. De Bijbel staat principieel op één lijn met andere heilige boeken. Maar zo valt dan ook bij Kuitert de genade helemaal samen met de natuur. Het heeft geen zin meer van algemene en bizondere openbaring te spreken. In de wereld van nu komen we God en Zijn heil tegen. 'We doen God óp aan onze ervaringen.' De kerk moet daarom bij haar gang door de eeuwen mee ontwikkelen met de historische veranderingen, al is het in 'een respectvol gesprek met de bijbelschrijvers.' Schepping en verlossing vallen bij Kuitert geheel samen. Prof. dr. W. H. Velema heeft daaruit de conclusie getrokken, dat Kuiterts benadering er niet toe leiden zal, dat buitenstaanders gelovigen worden, maar dat gelovigen buitenstaanders worden. De krachtige conclusie van drs. Hoek op deze visie was, dat heel het theologiseren van Kuitert als een 'onwettig bedrijf en illegitiem experiment moet worden afgewezen.’

Breuk
We hebben slechts kortelijks iets weergegeven van de diepgravende referaten, waarbij we allerlei nuanceringen en theologische begrippen ongenoemd lieten, als zal het geheel nóg complex genoeg zijn.

Uit het bovenstaande moge intussen duidelijk blijken hoezeer de moderne(re) theologie afwijkt van de reformatorische. De reformatorische theologen, welk onderscheid er ook tussen hen mag zijn, staan als één man tegenover de moderne theologen, die in feite het zicht op de particuliere genade, op het persoonlijke heil hebben prijsgegeven en ingeruild voor het universele, alomvattende heil. Men kan zich in gemoede afvragen of zó nog van heil gesproken mag worden.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Natuur en genade

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's