Vindenstijd
Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen.(Joh. 21 : 5)
Boven de meditatie van de vorige week plaatsten we het opschrift 'Wachtenstijd'. Deze week mediteren we verder over dezelfde geschiedenis, maar het opschrift 'wachtenstijd' kunnen we nu veranderen in 'vindenstijd'. Waar ligt het recht tot deze verandering? Zit er in de wachtenstijd des geloofs iets verdienstelijks, waardoor het noodzakelijk wel een keer vindenstijd moet worden?
Ik moet hier denken aan het diepzinnige woord van Noordmans naar aanleiding van de gelijkenis van de schat in de akker. Hij zegt: Vindt nu de del ver de schat of vindt de schat de delver? We zullen maar zeggen: de schat vond de delver.
Waardoor verandert eens en telkens weer in het leven van Gods kinderen hun wachtenstijd in vindenstijd? Is het niet, omdat de Schat, de zichzelf openbarende God, de delver vindt? In ieder geval kan voor elkeen, die Joh. 21 leest, duidelijk zijn, dat 'vindenstijd' hier een aanduiding is niet van het vinden van de discipelen, maar van het vinden van Jezus. Hij vindt hen, terwijl zij hem verwachten, maar toch ook op een moment, dat ze het helemaal niet verwachten. Wanneer God zich in ons leven laat vinden, dan gaat dat meestentijds niet buiten ons zoeken om, maar zijn vindenstijd is altijd wel zo verrassend en zo anders dan wij ons voorgesteld hadden, dat wij achteraf nooit zullen zeggen: Hij heeft mij gevonden, omdat ik Hem zo ijverig zocht.
Hoe vond Jezus zijn discipelen, hoe openbaarde Hij zich aan hen? Wel, inderdaad op zijn verrassende manier. U kent de geschiedenis: De discipelen gaan vissen, proberen het een hele nacht lang, maar het is alles tevergeefs. Hoe ze ook hun best doen, ze krijgen geen visje in het net. Het eerste morgenrood verschijnt reeds aan de hemel, maar ze hebben nog niets gevangen. Daar ineens horen ze iemand roepen vanaf de oever. Hebben jullie ook iets te eten? Eén zet z'n hand aan z'n mond en roept: Nee!
Ik denk niet, dat de discipel die dat geroepen heeft, dat in een allerbeste stemming gedaan heeft. U zult dat zelf ook wel weten, hoe een mens zich voelt, wanheer hij een hele tijd iets geprobeerd heeft, maar het wilde telkens niet lukken. Daar word je op 't laatst gemelijk en geprikkeld van. En als dat vergeefse gepruts dan nog maar ongemerkt aan de anderen voorbijgaat… nou ja, dan kunje in ieder geval nog doen alsof er niets aan de hand is. Maar wanneer er dan ook nog iemand komt vragen of het nogal aardig gelukt is…?! Nu dan is het op z'n best zó, dat je wat kort en bits antwoordt: Nee! Wij willen wél graag, dat opvalt wat ons goed gelukt is. Dan is het zelfs nog wel eens zo, dat we een ander erbij halen en zeggen: nu, wat vind je ervan? Maar we willen niet graag, dat opvalt wat ons slecht gelukt is. Nee, dat moet maar zo onopvallend mogelijk passeren.
Jezus is echter de mislukking van zijn discipelen opgevallen en Hij loopt daaraan niet voorbij, maar stelt die mislukking in 't volle licht door te vragen: Hebt ge ook wat te eten?
Waarom doet Jezus dat?
Om dat te begrijpen, moeten we goed zien, dat deze geschiedenis uit Joh. 21 een diepere betekenis heeft. U zult zich herinneren, dat we op een andere plaats in de evangeliën nóg een geschiedenis tegenkomen over een wonderlijke visvangst (zie o.a. Luc. 5 : 1-11). U herinnert zich misschien óók, dat de Heere Jezus aan 't einde van die geschiedenis tegen zijn discipelen zegt: Van nu aan zult gij mensen vangen.
Vangen, nl. met het net van het evangelie, zodat zij eigendom worden van Jezus Christus. Vissers van mensen zijn. Dat was de dienst waarvoor de discipelen uiteindelijk bestemd waren. Deze dienst zullen ze binnenkort ook ten volle gaan vervullen. Binnenkort zullen ze erop uit moeten trekken. Petrus en Jacobus en Johannes en al de anderen. Kijk, en nu gaat Jezus zich in onze tekstgeschiedenis aan zijn discipelen openbaren met het oog daarop. Heel deze visvangst en wat daarin gebeurt en vooral welke plaats Jezus daarin inneemt, is een beeld, een afschaduwing, een gelijkenis van het vangen van mensen. Straks zullen de discipelen de netten uitzetten om mensen te winnen voor Gods Koninkrijk. 'Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een net, geworpen in de zeeën, dat allerlei soort van vissen samenbrengt' (Matth. 13 : 47). Maar zullen de discipelen ook mensen vangen? Zal er iets van terecht komen? Jezus wil zijn discipelen in onze tekstgeschiedenis leren: Zonder Mij kunt gij niets doen. Wanneer Ik u overlaat aan uzelf, dan zult ge niets waard zijn voor Mij en mijn Koninkrijk. Dáárom Iaat Hij hen deze nacht op het meer niets vangen. Daarom stelt Hij hen de pijnlijke vraag: Hebt ge ook iets te eten? Opdat de discipelen het eens en voorgoed zullen weten: wijzelf, overgelaten aan onszelf, kunnen niets. Zó, zoals wij zijn, zijn wij ongeschikt en onbruikbaar voor God en zijn Koninkrijk.
Na dezen openbaarde Jezus zich wederom aan de discipelen en Hij openbaarde zich aldus. Hij openbaarde zich aldus, dat Hij hen grondig kennis leerde maken met hun eigen ongeschiktheid en non-produktiviteit als het ging om het Koninkrijk Gods. Uiterst onaangenaam voor de discipelen. En toch… het was niet alleen, maar troosteloos en uitzichtloos, want in dit alles openbaarde zich Jezus.
Wij hebben altijd weer de neiging om te denken, dat wij in allerlei opzicht bij Jezus wat op tafel moeten leggen. Wij bekennen niet graag tegenover een mens, dat wij er niets van maken, maar zeker ook niet tegenover Jezus Christus. Wij willen Hem wat aanbieden. Hebt ge mij iets aan te bieden? Nee, antwoordden de discipelen. Maar voordat dát hoge woord bij ons eruit is! Heere, ik ben, wanneer het om u en uw Koninkrijk gaat, totaal niet produktief. Zonder U is 't met mij helemaal niets gedaan. Zonder U ben ik zo ongeestelijk als wat. Zonder U beteken ik in geestelijk opzicht niets voor man, vrouw, kinderen, de wereld om me heen. Heere, U roept me tot uw dienst elke keer, maar ik sta voor uw aangezicht met lege handen.
Bent u al eens tot deze belijdenis gekomen? Hoe eerder deze belijdenis er bij ons uitkomt, hoe beter. Dan kan de Heere tenminste die lege handen gaan vullen. Hij immers laat zijn hopeloze discipelen niet met lege handen stáán.
Ik las ergens: 'Wie geen geneesheer is, heeft niet het recht om wonden bloot te leggen'. Jezus legt een diepe wond bloot bij zijn discipelen: Wij hebben niets en wij kunnen niets, maar Hij is óók de geneesheer. Het behoort beide tot het ene gebeuren van zijn openbaring, het bloot leggen van de wond én de genezing. Juist daarom legt Hij de wond bloot, opdat Hij zal kunnen genezen. Dat doet de Heere Jezus eigenlijk altijd. Want wat Hij uiteindelijk wil, dat is: Zichzelf openbaren in zijn macht, majesteit en heerlijkheid. Wat Hij uiteindelijk is, dat is: Mensen, die in allerlei opzicht met lege handen voor Hem staan, de handen volstoppen met wat Hij te geven heeft. Vandaar het bevel: Werpt hef net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden. Op zich zelf een vreemd bevel, een bevel, waar weinig van te verwachten was, want de discipelen hadden de hele nacht links en rechts en overal gevist, maar ze hadden niet gevangen. Zouden ze dan nu ineens aan de rechterzijde van het schip wel iets vangen? Toch doen de discipelen het én… vanwege de menigte der vissen kunnen ze het net niet meer trekken. Hoe bestaat 't?
Ja, hier wordt iets bewaarheid van wat we zingen in ps. 95: Zijn is de zee, z' is door zijn kracht,/met al het droge voortgebracht./'t Moet alles naar zijn wetten horen.
Jezus heeft macht over alle dingen, zelf over de vissen der zee.
Vindenstijd. Het is de tijd waarin wij verrast worden, dat de Schat de delver vindt. Hoe groot deze schat is en hoe rijk deze schat maakt wordt o.a. daaraan duidelijk, dat wij bij 't naderen van deze schat armer gemaakt worden dan ooit tevoren. Wij worden verrassend arrn, maar dan ook verrassend rijk. Want Gods macht en mogelijkheden zijn temidden van onze onmogelijkheden verrassend groot.
Waartóe gebeurt nu dit alles aan ons? Opdat op de vindenstijd een diensttijd volgen zal. Daarover willen we het dan de volgende keer hebben.
W. Dekker, Loenen aan de Vecht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's