Diensttijd
Jezus zeide tot hen: Brengt van de vissen, die gij nu gevangen hebt.(Joh. 21 : 10)
Het zou wel een erg grote fout zijn, wanneer we Joh. 21, de geschiedenis van Jezus' openbaring aan de zee van Tiberias, alleen zouden zien als een geschiedenis, waarin de discipelen getoond wordt hoe groot hun ellende is (wij hebben niets gevangen) en anderzijds hoe groot de rijkdom is in Christus; Ontegenzeggelijk gaat het óók om deze dingen, maar dan helemaal ingebed in het grote verband van de roeping tot het apostelschap. Wachtenstijd en vindenstijd (de titels van de vorige overdenkingen) hebben de bedoeling heen te leiden naar de diensttijd. Van nu aan zult gij mensen vangen (Luk. 5 : 10). Het draait wel eens en telkens weer om de wonderlijke openbaarwording van Jezus Christus middenin onze volstrekte armoede, maar het gaat tenslotte om nog iets anders. Het gaat erom, dat wij met ons leven en met ons werken God verheerlijken zullen. Het gaat om de heiliging van zijn Naam. En daarom gaat het om het apostolaat. Nadat de Zoon de zending (het apostolaat) volbracht heeft, zijn nu de discipelen de gezondenen (apostelen). Dat is de situatie na Pasen en deze situatie duurt voort totdat Hij komt. Wee hem of haar, die daarom van een diensttijd niet zou willen weten. Het is niet mogelijk wel het wachten op God en het gevonden worden door God te kennen, maar intussen in 't geheel niet te weten van een diensttijd. Discipelschap (leerling zijn) en apostelschap (gezondene zijn) zijn na Pasen de twee helften van het ene christenzijn.
Een van de dingen waaruit blijkt, dat het in Joh. 21 inderdaad gaat om het apostolaat, het uitgezonden worden naar alle volkeren, is de vermelding van het aantal gevangen vissen: honderd drie en vijftig. Want het meest waarschijnlijk is m.i. toch wel de uitleg van de kerkvader Hiëronymus, die zegt dat in die tijd aangenomen werd, dat er honderd drie en vijftig vissoorten waren. De vervulling van de belofte: Van nu aan zult gij mensen vangen, zal dus veel rijker zijn dan de discipelen zich ooit hadden kunnen indenken. Niet alleen de joden, maar ook de heidenen zullen gevangen worden; mensen uit alle geslachten, talen en volkeren. Wanneer de discipelen op het Woord van Christus het net uitwerpen, zullen al deze soorten van mensen in het evangelienet gevangen worden. Dat is het ongelooflijk grote wonder, dat hier beloofd wordt en zich tot onze verbazing nog steeds voltrekt. Gods Woord overschrijdt alle grenzen die wij trekken tussen rassen en volken; en ook vandaag nog worden uit alle geslachten, talen en volkeren mensen toegebracht tot die gemeente, die zalig wordt.
Wat bij mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God. Werp het net uit aan de rechterzijde en gij zult vinden… Gij zult vinden, niet dankzij uw eigen krachtsinspanning, maar dankzij het woord en de belofte van Christus. Dat geeft hoop voor een ieder, die door God gesteld is tot visser van mensen. Dat zijn dan in 't bijzonder wel de ambtsdragers, maar dat is uiteindelijk ieder christen, die zijn roeping en taak verstaat.
Dat is bijvoorbeeld ook een vader en moeder in 't gezin. Dat is iemand, die als enige of bijna enige christen zijn werk heeft temidden van niet-christenen. Gesteld tot een visser van mensen… Heeft u al wel eens gevraagd aan God of Hij u voor die onmogelijke taak wilde bekwamen? Of heeft u daar nog nooit om gevraagd omdat u misschien de taak zelf niet eens zag, laat staan de onmogelijkheid van die taak?
Discipelen van de Here Jezus, die Hem als de Opgestane ontmoet hebben, zijn per definitie gezondenen. Discipelen, die zich opsluiten en terugtrekken, mogen zich wel afvragen of ze ooit de Opgestane ontmoet hebben. Vóórdat de Opgestane hen ontmoette zaten de discipelen teruggetrokken bij elkaar zonder oog voor hun omgeving. Trouwens, wat zouden ze toen aan hun omgeving hebben moeten vertellen? Maar wanneer Hij hen is verschenen, dan hebben ze wat te vertellen: Zijn trouw, zijn roem, zijn onverwinb're krachten.
Maar heeft Christus onze dienst dan nodig, zal iemand vragen? Hem is toch gegeven alle macht, kan Hij dan niet zonder zijn discipelen werken? Bovendien, zijn discipelen lopen Hem vaak meer voor de voeten, dan dat ze iets goeds presteren.
Inderdaad. Daarom wordt ook niet alleen 'vindenstijd' als pure genade ervaren, maar ook 'het in dienst mogen zijn' en 'het in dienst mogen blijven ondanks herhaald wangedrag'. Waarom blijft u mij eigenlijk gebruiken, u zou het zelf veel beter kunnen, Here Jezus? Maar ook op dit 'waarom' krijgen we geen antwoord. We mogen ons alleen verwonderen. Zo zal het ook de discipelen aan het meer van Tiberias vergaan zijn. Want het is heel merkwaardig: Wanneer de discipelen met hun honderd drieënvijftig vissen aan land komen, dan blijkt, dat Christus, die hen eerst om vis vroeg, al lang vis heeft! Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen en vis daarop en brood' (vs. 9). Jezus heeft de vis van hen niet nodig. Maar dan tóch lezen we in vers 10, dat Jezus zegt: Brengt van de vissen, die gij nu gevangen hebt. Wat wonderlijk. Jezus laat nadrukkelijk blijken: Ik wil van uw vverk en van uw dienst gebruik maken. Het is niet tevergeefs, dat ge gezwoegd en geploeterd hebt om het net aan land te krijgen. Zó richt Ik mijn koninkrijk op op aarde en breid Ik het uit. Doordat u in mijn kracht en op mijn bevel mensen vangt in het net van het evangelie. U hoeft er nooit trots op te worden en te denken: wat ben ik toch belangrijk; want Ik kan zonder u. Maar u behoeft ook niet neerslachtig te worden en te denken: Al mijn bezig zijn in het Koninkrijk van God is vergeefs. Want dóór uw werk, wil Ik werken. Zó vergader Ik mij een gemeente ten eeuwigen leven, doordat Ik mensen maak tot vissers.
De geschiedenis eindigt met te vertellen, dat Jezus met zijn discipelen de maaltijd gebruikt. Samen de maaltijd gebruiken, dat betekent voor de oosterling: gemeenschap hebben met elkaar. Jezus is de gastheer, breekt het brood en deelt de vis. Dat betekent: de discipelen worden er nu wel op uitgestuurd, de wereld in, maar de gemeenschap met hun Here, Jezus Christus, zal hen voortdurend begeleiden.
Zo is dat vandaag nóg. Daar is in het leven van Gods kind een wisselwerking tussen leven in de gemeenschap met Christus (het mystieke) én heengaan, uitgaan naar de ander (het apostolaire). Daartoe begeleiden de gemeente, die in deze wereld gezonden is als schapen temidden van de wolven, de tekenen van Woord en sacrament.
Hoemeer wij nu gedurende zes dagen leven als geroepenen en gezondenen, des temeer zullen we op de zevende dag behoefte hebben aan versterking. We hebben de maaltijd nodig, het voedsel van het Woord; we hebben de gemeenschap nodig, het smaken en zien van de goedheid des Heren aan zijn tafel. Anders houden we het eenvoudigweg niet vol.
Het is dan ook een teken van een onvruchtbaar leven, wanneer we 's zondags gemakkelijk een keer overslaan of wanneer onze kerkgang slechts geschiedt uit kracht der gewoonte. Het is dan ook de vraag of wij wel weten wat de diensttijd inhoudt, wanneer wij op het appèl van de avondmaalstijd immer ontbreken.
Wij hebben dan toch blijkbaar weinig behoefte aan versterking en gemeenschap met Christus. Maar dan is het ook de vraag of wij wel echte discipelen zijn, gezondenen. Want de discipelen van Christus, zij zijn wel uitgezonden in deze wereld om een getuige te zijn tot aan de einden der aarde, maar zij zullen zich in deze wereld nooit geheel thuisvoelen. Zij zijn wel in deze wereld, maar zij zijn niet van deze wereld. Zij zijn van Christus. En dat willen ze weten. Dat willen ze ook elke keer weer beleven. Vandaar dat ze ook elke keer weer door Hem bediend willen worden.
Ze kunnen hun diensttijd niet vervullen, zonder elke keer weer Zijn dienst aan hen te ervaren. Vandaar dat ze ook elke keer weer dáár willen zijn, waar Hij uitdeling houdt. In zijn huis. Onder zijn Woord. Aan zijn tafel.
Tenslotte: Hoe zit dat nu met het visnet? Die honderd drieënvijftig vissen? Al die soorten van mensen, die in het net van het evangelie gevangen worden en omspannen door de hand van de kerk? Worden die allen behouden? Iemand zegt meteen: natuurlijk niet! Laten wij beginnen met iets anders te zeggen. Laten wij beginnen met te zeggen hoe groot het voorrecht is in het evangelienet terecht te komen. Hoe groot het voorrecht is gedoopt te worden en christelijk opgevoed te worden. Daar sleepte een groot net over de bodem van de mensenzee (Matth. 13 : 47-50).
Het is het net van de evangelieprediking en het verzamelt binnen de ruimte van de ene kerk over heel de wereld allerlei soorten van mensen. Dat is iets geweldigs. Want daardoor zijn al deze mensen gebracht binnen het bereik van Gods heil. Zijn erbarmen in Jezus Christus.
En tóch, daar is onderscheid. Een onderscheid, dat nu voor ons veelszins verborgen is. Nu hebben wij niets anders te doen dan zoveel mogelijk te verzamelen in de netten. Want (de gelijkenis uit Matth. 13 zegt het ons): pas het einde der eeuwen zal het onderscheid openbaren. Dan zullen de engelen als vissers het grote volgeworden net trekken op het strand der eeuwigheid en zij zullen de goede vis scheiden van de slechte. Door de ene kerk loopt een onzichtbare scheiding, die dan zichtbaar zal worden.
Iemand vraagt: wat is dan het kenmerk van de goede vis? Hét kenmerk is, dat deze zich als slechte heeft leren kennen. Als zodanig werd hij omhoog gevist. Toen nog tot zijn grote verbazing tot visser gemaakt ook. Diensttijd!
W. Dekker, Loenen aan de Vecht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's