Kerkelijke boedelscheiding?
Over de modus-vivendi
Op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond, die 16 juni ll. te Nijkerk werd gehouden, werden referaten gehouden over 'Kerkelijke boedelscheiding', door de voorzitter, ds. L. J. Geluk, en over 'Kerk en Theocratie', door ir. J. v. d. Graaf. Het eerste referaat wordt in twee afleveringen geplaatst, het tweede in drie afleveringen.De Redactie
De vraag, hoe wij als verschillende kerkelijke richtingen (men mag die dan sinds 1950 vaker aanduiden als: modaliteiten) samen leven in één en hetzelfde kerkverband, is niet van vandaag of gisteren.
Van meet af is er na de Reformatie een divergentie van stromingen geweest, die doorgaans in een zeer spanningsvolle verhouding tot elkaar stonden in onze vaderlandse kerk. Ik herinner aan de gereformeerden tegenover de humanisten, de strijd tussen de remonstranten en de contra-remonstranten, de tegenstelling tussen de Voetianen en de Coccejanen, de preciesen en de rekkelijken. In de 18e en 19e eeuw is het onder steeds weer nieuwe benamingen niet anders en niet beter geweest.
Wanneer wij ons dan vandaag bezighouden met de vraag hoe wij thans in de Nederlandse Hervormde Kerk met elkaar of niet meer met elkaar kerk zullen zijn, zullen wij dunkt me er niet omheen kunnen een terreinverkenning te gaan ondernemen, die niet volledig zal kunnen zijn maar evenwel enige tijd in beslag zal nemen.
Kerkorde mislukt
Als eerste meen ik dan te moeten vaststellen, dat de nieuwe organisatie van onze kerk, die vanaf 1951 door de invoering van de kerkorde van kracht is, ten diepste is mislukt. Het ging er immers de voortrekkers van toen niet alleen om, dat de besturen zouden verdwijnen om plaats te maken voor ambtelijke vergaderingen volgens een systeem van afvaardiging, dat een andere proponentsformule zou worden ingevoerd en betere vragen bij het afnemen van de openbare geloofsbelijdenis zouden worden gesteld, dat, kortom een reeks van incidentele verbeteringen gestalte zou krijgen, het ging er hun, althans sommigen van hun, ten diepste om, dat de Bijbel met daarnaast de belijdenis als norma normate voor de kerkelijke prediking en het kerklijk leven volstrekt gezaghebbend zou zijn. En hier nu ligt de grootste nood van onze kerk in deze tijd: dit unieke gezag van de Bijbel als het Goddelijk Woord wordt niet erkend. Voor brede kringen in de kerk mag de Bijbel dan inspirerend en stimulerend zijn, normerend voor leer en leven is hij niet. Het hermeneutisch beginsel dat men aanhangt is beslissend voor de vraag wat men de Bijbel wil laten zeggen. In feite is het eigentijdse vrijheidsdenken, meestal met een socialistische inslag en zelfs in toenemende mate een marxistische, normatief. De Bijbel is dan nog goed voor enige aanvullingen en correcties, maar komt als woord, als spreken van de levende God niet aan bod. Grondnoties uit de Bijbel raken zoek. Ik denk daarbij aan werkelijkheden als: schuld, verzoening, vergeving, genade, rechtvaardiging, geloof, bekering, wedergeboorte. Voorzover deze en andere begrippen aan de orde komen, worden ze politiek en maatschappij-kritisch gevuld. Het Evangelie wórdt tot een nieuwe wet, een pakket taken, die moeten worden verricht om de wereld leefbaar te maken. Denkt u niet gering van de gevolgen! Hele gemeenten worden aldus op een spoor gezet, dat ertoe leidt dat de Bijbel totaal anders wordt verstaan, zodat het karakter van het goddelijke, souvereine, eeuwige eruit weggenomen is. Er groeit een geslacht op, dat van de Bijbel meent dat het een puur menselijk boek is, een geslacht ook, dat van de Bijbel bijna niets meer af weet.
Prediking
De nood van de kerk is de nood van de prediking. Als de prediking verpolitiekt is en geheel staat in het kader van het maatschappelijk engagement, wordt de nood van de enkele mens in zijn schuld tegenover zijn Schepper en God niet meer erkend.
De nood van de kerk is de nood van de prediking. In feite heerst in onze kerk, evenals in de vorige eeuw, volslagen leervrijheid. Elk mag geloven en leren wat hem goeddunkt. Een voorzichtige maar weloverwogen poging tot oefening van kerkelijke leertucht te komen, is op niets uitgelopen. En als men ons uitdaagt dan toch maar processen aan te spannen, dan vraag ik: waar moeten we beginnen en waar moeten we eindigen? Wie kan voorts fysiek en geestelijk de kracht opbrengen om in een zo verworden toestand langs deze weg te trachten iets te bereiken?
Individualisme
Niet alleen in de prediking, in het hele kerkelijk werk heerst een volslagen individualisme. Ieder doet wat in eigen ogen goed is. Daarbij noem ik enige voorbeelden. In hoeveel gevallen zou de catechese nog afgestemd zijn op de Confessie? In hoeveel gevallen zal aan hen die zich voorbereiden op de openbare belijdenis des geloofs nog zulk een onderricht en leiding worden gegeven, dat er voor hen werkelijk nog een relatie is met het belijden der vaderen? Ik heb de indruk, dat bij de bediening van de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal, bij het afnemen van de openbare geloofsbelijdenis, de inzegening van het huwelijk, de bevestiging van ambtsdragers (om maar niet meer te noemen) de reinste willekeur heerst. Wat kan hier de visitatie uitrichten, de visitatie, die in een reformatorische kerk beoogt na te gaan hoe ter plaatse het gemeentelijk leven verloopt, of het nl. strookt met de Heilige Schrift, de Confessie en de kerkorde. Immers nauwlijks iets!
Helaas moet in dit verband gezegd worden (maar we kunnen ook moeilijk iets anders verwachten als we letten op de toestand in onze kerk), dat van de generale synode bitter weinig leiding uitgaat als het zaken van het gemeentelijk leven betreft. De rapporten over politieke, maatschappelijke en oecumenische vraagstukken die naar de uitgaan uitgaat zijn daarentegen een steeds wassende stroom.
Blik naar binnen
Wanneer ik deze dingen noem is dat niet met vreugde. Evenmin met de pretentie, dat het in onze gelederen alles goud is wat er blinkt. Ook aan eigen adres wil ik een aantal kritische vragen stellen, waar wij niet om heen kunnen.
Komt in onze prediking de rijkdom en volheid van de Heilige Schrift tot zijn recht? Of zijn daar ook thema's en aspecten die nimmer aan de orde komen? Kennen wij werkelijk onze belijdenis? Zijn voor ons het Woord en de belijdenis norm voor geloven en leven? Is er onder ons niet veel starheid en onvruchtbaar conservatisme? Waar is de bewogenheid met de God-vergetende mens van onze tijd? De bewogenheid met de noden van onze wereld nu? Is er niet veel gezapigheid? Is er naast veel goeds in onze gemeenten, waarvoor wij de Heere niet dankbaar genoeg kunnen zijn, ook niet veel dat ons zorgen geeft? Zijn de ogen van de ambtsdragers vaak niet beangstigend gesloten voor de uitholling van onze gemeenten door de geest van onze tijd? Wordt er onder ons ook niet dikwijls zo individualistisch en zo weinig kerkelijk en ambtelijk gedacht? En moeten wij niet gewonnen geven, dat ook onder ons over verschillende zaken ongelijk wordt gedacht? Terwijl het in 'onze gemeenten' vaak maar betrekkelijk kleine kernen van bewust en overtuigd gereformeerde, meelevende, meewerkende, meestrijdende mensen zijn, die de gemeente een gereformeerd aanzien geven?
Broeders en zusters, moeten wij onszelf en elkaar niet vermanen het Woord Gods waarlijk ernstig te nemen, met de diepste eerbied in de heilige dienst en met de heilige dingen bezig te zijn, de beide sacramenten die eer te geven die God eraan gegeven wil hebben, ijverig te zijn in catechese, pastoraat en gemeenteopbouw. Moeten we niet tegen onszelf en elkaar zeggen, dat we trouw de ambtelijke vergaderingen hebben te bezoeken en daar geen verstek zullen laten gaan. Dat we ook de kerkorde, die immers ook vele goede bepalingen heeft, zo trouw mogelijk zullen naleven? Alleen wanneer deze dingen ons ernst zijn, wanneer de dingen van de Heere God in onze botten en ons merg zijn doorgedrongen, kunnen wij de kerk voorhouden, dat zij kerk heeft te zijn. Kerk. Dat wil zeggen: wat van de Heere is. Zij is iets anders dan een op de politiek of maatschappij gerichte aktiegroep. Iets anders dan een genootschap dat aan religie doet. Iets anders dan een school waar voor de meningen van de dag alle ruimte is. Maar zij is de hoedster van het Evangelie van de barmhartigheid Gods, uitdeelster van Gods geheimenis. Zijn naam heeft zij uit te roepen. Zijn daden, zijn recht en genade te verkondigen. De levende Christus te prediken. Hem, die in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken.
L. J. Geluk, Zwolle
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's