De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Gebruik en misbruik van woorden
In Woord en Dienst (overgenomen in Scheps' Kerknieuws van 20 april) heeft dr. S. Gerssen zijn onbehagen onder woorden gebracht inzake de wijze waarop woorden als 'reformatorisch' en 'calvinistisch' gebruikt worden in onze tijd.

‘Er wordt terecht geklaagd over verruwing in de sport. Minstens zo ernstig lijkt mij echter de toenemende verruwing in de taal. Daarmee bedoel ik nu niet, dat het progressief lijkt te zijn openlijk te vloeken en woorden te gebruiken, die vroeger door opgeschoten jongens stiekem op een schutting werden geschreven. Wat daar voor progressiefs aan is heb ik nooit begrepen; mij lijkt het eerder iets infantiels. Maar daar wil ik het nu niet over hebben. Ik vind het ook verruwing in de taal als mensen bepaalde begrippen exclusief voor zichzelf claimen of er een gevoelswaarde in leggen, die ze tot een scheldwoord stempelt. Zo ergert mij allang de manier waarop het woord 'reformatorisch' wordt gebruikt. Het is als ik het goed heb met een dagblad begonnen en voortgegaan met scholengemeenschappen en diverse andere instituten, die de bedoeling schijnen te hebben een soort 'reformatorische' zelfverzorging mogelijk te maken. Ik heb altijd gedacht, dat het woord reformatorisch een prachtig woord is dat de positieve en oecumenische breedheid van de geestesbeweging der reformatie tot uitdrukking wilde brengen. Maar de laatste tijd krijgt het woord een lading waardoor het alleen slaat op gereformeerde en oud-gereformeerde gemeenten, op de S.G.P. en op mensen, die de Gereformeerde Bond rechts proberen in te halen. Nu heb ik niet zo veel tegen de gereformeerde gemeenten en nog minder tegen de S.G.P., maar ik heb er wel iets tegen als ik mij alleen maar reformatorisch zou mogen noemen als ik mij volledig bij deze kringen zou willen aansluiten. Ik vind dat verruwing van de taal, een soort chantage: Pas wanneer ik deze nieuwe lading van het woord accepteer mag ik mij blijkbaar weer met recht 'reformatorisch' noemen. Iets navenants, maar dan van de andere kant, is tegenwoordig aan de gang met het woord 'calvinistisch'. Dat schijnt, zo wil men ons doen geloven, de isegrimmige houding te zijn van mensen aan wien alles wat menselijk is volstrekt vreemd is. Ze lopen als ware ketterjagers voortdurend met de meetlat rond en keuren alles af wat niet met hun strenge partij in overeenstemming is. Zo las ik een verhaal over sexuele moraal, over striptease en dat soort zaken. Als men dat zou willen verbieden zou men zich het verwijt op de hals kunnen halen censuur te plegen en preuts te zijn: 'Kortom, dan kom je gevaarlijk dicht in de buurt van de calvinistische kruisvaarders van Van Agt. In dezelfde week las ik een stuk over bisschop Gijsen en zijn bezwaren tegen abortus, homofilie e.d. In dat verband werd gesproken over zijn 'calvinistische achterban' waarvan hij steun zou ondervinden. Calvinisme lijkt op deze manier een geesteshouding te zijn, die geen straaltje levensvreugde in een donkere en verworden wereld kan verdragen en met het diepste wantrouwen alles bejegent waar een gewoon mens plezier aan kan beleven. Zo'n houding, dat ligt voor de hand, werkt de vooruitgang van onze beschaving tegen en moet daarom, terwille van de humaniteit, aan de kaak gesteld worden. Tegen een dergelijk taalgebruik zou ik willen protesteren. Als mensen zich niet thuis voelen in de levenssfeer van het calvinisme is dat natuurlijk hun goed recht, maar er is geen enkel belang mee gediend als men er eerst – niet gehinderd door enige kennis van zaken – een felle caricatuur van maakt en het daarna naar een gruwelkabinet verwijst. In een opstel over 'Calvijns' betekenis voor West-Europa' zegt Van Ruler dat door hem de christenheid heeft geleerd op een geheel eigen wijze te gaan leven 'onder het gesternte van de heiliging van de wereld'. Hij spreekt ook over 'een ridderlijke geest en een verfijnd gevoel voor stijl’.
Het calvinisme heeft ons geleerd het natuurlijke leven, inclusief de sex en de politiek, als gave Gods volstrekt serieus te nemen en daarom allereerst te vragen naar wat God in Zijn geboden van ons vraagt. Ik ben geen kruisvaarder en hoor naar ik meen ook niet tot de achterban van Gijsen, maar ik ben wel met volle overtuiging 'calvinist.

Niet alleen is de vraag in het geding: Wat is gereformeerd?, maar ook welke ruimte laat het gereformeerd belijden toe. De kerkgeschiedenis kan ons leren dat er ook in vroeger eeuwen aan dit woord verschillende inhoud gegeven werd. Het gereformeerd protestantisme kende altijd zijn modaliteiten en accents-verschillen. Terecht pleit Gerssen voor de positieve en oecumenische breedheid. Anderzijds valt niet te ontkennen dat met een beroep op wat reformatorisch en gereformeerd is ook allerlei vreemde lading binnengesmokkeld kan worden. Het komt voor dat men zich ver verwijdert van de centrale aspecten van het gereformeerd belijden en het gereformeerde ethos en toch aanspraak wil maken op de naam 'gereformeerd'. Dat roept dan van de weeromstuit weer allerlei reactiebewegingen op.

Verruwing of verschuiving
Gerssens' artikel kreeg ook aandacht in het orgaan van de Geref. Gemeenten 'De Saambinder' van 10 mei jl. In een kort kommentaar wordt het volgende gezegd:

Het gaat in geen geval over een nieuw woord. In alle woordenboeken die ik bij de hand had en ouder zijn dan het R.D. en de eerste reformatorische scholen, komt het al voor. En toch moeten en willen we de schrijver toegeven dat in onze kringen het woord een eigen gebruiks- en gevoelswaarde heeft gekregen. De oorzaak ligt meen ik, in de devaluatie van de woorden die voordien meer gangbaar waren. Woorden als christelijk en gereformeerd en calvinistisch hadden ook al ieder hun eigen kleur. Toen het onder invloed van de Schrift-kritische visie in tot voor kort nog Schriftgetrouwe kringen tot steeds verder afdwalen kwam, ontstond er steeds meer behoefte aan voorzieningen, waar de Schriftgetrouwe opvattingen nog tot gelding kwamen. Eigen bladen en scholen kwamen van de grond, en een naam moest er voor zijn. Namen dienen ter onderscheiding en ter afbakening, en daarom konden de zojuist genoemde woorden, die tot nu toe in allerlei situaties gebruikt waren, niet meer voldoen. Namen dragen ook wat uit, geven een karakter weer, denk maar aan de Bijbelse namen. Bij instellingen tracht men via de naam iets kenbaar te maken van dat karakter. Daarom is het woord reformatorisch gekozen om aan te geven dat we willen staan in het spoor van de reformatie, willen werken volgens de beginselen daarvan. Niet om anderen uit te sluiten, maar om eigen plaats duidelijk te stellen en het zou tot vreugde zijn, als velen daar ook willen staan. Het valt me moeilijk te zien, dat hier iets onrechtmatigs gebeurd is. Als dr. Gerssen dacht dat het woord de positieve en oecumenische breedheid van de geestesbeweging der reformatie tot uiting wil brengen, dan is dat zijn verklaring van het woord, dat ik alleen maar kan beamen als ik weet wat hij met al die termen als positieve en oecumenische en breedheid bedoelt. Als grondslag en doelstelling en verwerkelijking daarvan bij de reformatorische instituten in overeenstemming zijn met de beginselen der reformatie, dan en slechts dan hebben zij het recht de naam reformatorisch te gebruiken. Dat hier moeilijkheden kunnen ontstaan, is in de gebrokenheid van de kerkelijke situatie in ons land een gegeven. De woorden gereformeerd en hervormd die dezelfde betekenis hebben, hebben, soms in combinatie gebruikt, al tot velerlei verwarring gezorgd. Het is een schrijnende zaak, dat ik maar vaag kan vermoeden wat er gezegd wordt, als iemand zou beweren dat dr. Gerssen een gereformeerde prediking brengt. Wil de schrijver nog een voorbeeld van verschuiving in woordgebruik, dan zou ik hem willen wijzen op het woord evangelisch. Naast evangelische prediking hebben we nu een evangelische omroep, een evangelische partij, evangelische politiek en een evangelische stroming bij de Wereldraad van Kerken. Al deze woorden hebben een bepaalde kleur. Verruwing? Ik betwijfel het. Verschuiving in betekenis, vereniging misschien? Ik geloof het wel. Betekenisverschuivingen zijn in de taal geen abnormaal verschijnsel, geen zaak van ergernis. Voor ons moet het een zaak zijn, de begrippen die we ons min of meer toeëigenen, zo zuiver mogelijk te bewaren. Als we niet voorzichtig omgaan met woorden op dit gebied, dan kunnen er elementen indringen die er niet horen. Reformatorische chalet-verkoop in Zwitserland, reformatorische vakantie-centra op de Veluwe en reizen op reformatorische grondslag zijn aanwijzingen dat we de grens naderen, of al gepasseerd zijn. De commercie moet van principiële begrippen maar af blijven, waarmee ik overigens van de commercie geen kwaad woord wil zeggen. Laat ons waken dat we het reformatorisch erfgoed mogen bewaren. We hopen dat niet spoedig, of nog beter nooit, ook dit omstreden woord aan een zodanige uitholling heeft blootgestaan, dat het weer moet worden vervangen. Dat zou erger zijn voor hen die daaraan schuldig staan dan voor het woord.

Ik laat rusten wat de schrijver over het woord 'evangelisch' zegt al hangt dat ongetwijfeld met één en ander samen. Er is nogal wat verschil tussen de evangelische omroep en de onlangs opgerichte evangelische politieke partij van ds. K. v. d. Sluys! Het gaat me nu om de vraag, verruwing of verschuiving. De kommentator in De Saambinder bespeurt het laatste en hij is van oordeel dat dat min of meer een normale zaak is: Betekenissen verschuiven nu een keer. Dat zal waar zijn. Toch is daarmee m.i. Gerssens' bezwaar niet weggenomen.
Ik kan erin komen wanneer de kommentator in De Saambinder wijst op de gevaren van de invloed van Schriftkritische visies in gereformeerde en algemeen-christelijke organisaties die anderen er toe brachten reformatorische voorzieningen te stichten. Maar dat neemt toch niet weg dat men hier vragen kan stellen. Gaat het bij alles wat zich als 'reformatorisch' aandient inderdaad om die terecht bepleite concentratie op de inhoud van het belijden naar de Schrift en om het gaan in het spoor van de Reformatoren? Of dreigt 'reformatorisch' soms een aanduiding te worden die niet zozeer betrokken is op de inhoud van het belijden als wel op allerlei uiterlijke en vaak secundaire zaken waarin men zich dan onderscheidt van anderen? Terecht bepleit men een voorzichtig hanteren van begrippen. En ik zou er aan toe willen voegen: Laten we, ook als we menen eigen voorzieningen te moeten treffen, toch het oecumenisch aspect niet vergeten. De versplintering van de gereformeerde gezindte is een aanklacht, die we niet lichtvaardig naast ons neer kunnen leggen. Het blijkt in de praktijk niet eenvoudig elkaar vast te houden. Het blijkt bovendien in de praktijk dat we over en weer elkaar slecht kennen. Men zoekt het vaak ook nauwelijks. Een beweging als het CGGG leeft in vele sectoren ternauwernood, is nauwelijks bekend, krijgt ook weinig aandacht.

Geen perfektionisme
Ik herinner u nog even aan de zin: 'Als grondslag en doelstelling en verwerkelijking daarvan bij de reformatorische instituten in overeenstemming zijn met de beginselen der reformatie, dan en slechts dan hebben zij het recht de naam reformatorisch te gebruiken.’
Ten aanzien van 'grondslag' en 'doelstelling' begrijp ik deze zin. Mijn moeilijkheden beginnen bij het woord 'verwerkelijking'. Wat bedoelt de schrijver daarmee? Neem nu een middelbare school, die in haar grondslag en doelstelling de beginselen dèr reformatie, concreet gezegd: de Drie Formulieren van enigheid, vermeldt. Men zou kunnen zeggen: Dat is dus een reformatorische onderwijsinstelling. Maar mag men eisen in deze gebroken, zondige werkelijkheid, dat men alleen dan de naam 'reformatorisch' mag hanteren, als ook de verwerkelijking in overeenstemming is. Verraadt zich hier niet een hang naar een perfektionisme, dat zeker niet naar de Schrift is en evenmin calvijns of gereformeerd? Blijft die verwerkelijking niet altijd ten dele? Wie iets weet van de problemen, waarmee een chr. middelbare school in deze tijd te kampen heeft om de identiteit te handhaven, zal dit moeilijk kunnen ontkennen. Ook daar waar men waken wil voor een gereformeerde identiteit, ervaart men dagelijks hoe moeilijk het is het ideaal, in grondslag en doelstelling uitgedrukt, te realiseren. En bedoelt de schrijver van het kommentaar te suggereren dat men – wanneer de verwerkelijking niet in overeenstemming is met de beginselen van een dergelijke school – afscheid moet nemen en een eigen reformatorische school moet oprichten? Of begrijp ik hem verkeerd? Mocht mijn interpretatie van de hierboven aangehaalde zin juist zijn, dan vrees ik dat hier toch af scheidingstendenzen aan de dag treden die ons m.i. verder van huis brengen dan dat ze waarlijk genezend werken. Afscheidingen blijken vaak repeterende breuken te zijn. Ik vrees wel eens dat dat zich ook rondom woorden als 'evangelisch' en 'reformatorisch' kan gaan voordoen. Moeten we niet proberen om binnen bestaande kaders te blijven appelleren aan de grondslag, zolang het nog enigermate mogelijk is? En zullen we, hoezeer we ook hebben te waken voor uitholling, ook niet de christelijke deugd van het geduld hebben te betrachten, wetende dat in een zondige wereld ook de realisering van gereformeerde beginselen een torso blijft. Dat is geen vrijbrief voor luiheid en gemakzucht. Dat moet ons wel ootmoedig en bescheiden maken.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's