Kerk en theocratie (2)
Bijbels zicht op de samenleving
Dr. W. Aalders
Liever ga ik echter eerst wat nader in op wat dr. W. Aalders zeer recent te berde heeft gebracht ten aanzien van het onderwerp, dat ons nu bezig houdt. Ik bedoel in zijn rede op de dag van bezinning en gebed, belegd door de Evangelische Omroep in de Joriskerk te Amersfoort, terzake van de abortus provocatus. Het is te betreuren dat, vanwege bezwaren, die kennelijk tegen deze rede bestonden, in een tamelijk brede kring deze rede is doodgezwegen. Me dunkt dat dat nooit de wijze is, waarop we ons af kunnen maken van verschillen, die er kunnen zijn.
Dr. Aalders is begonnen aan te geven hóé hij op dit moment de gedachte van de theocratie of de christocratie uitgewerkt ziet bij diegenen, die zoals hij zegt, zich wel op 'een zeer onreformatorische en onevangelische wijze met concreet politieke en maatschappelijke problemen bezighouden'. Hij bedoelt dan de moderne theologie. Hij noemt het Interkerkelijk Vredesberaad met zijn oproep 'De atoomwapens de wereld uit, te beginnen bij Nederland'. De Wereldraad van Kerken met de gift aan het Patriottisch Front. De Nederlandse Raad van Kerken, die via een boycot en beleggingstactiek Zuid-Afrika wil dwingen een andere politieke koers te varen.
Terecht zegt dr. Aalders hiervan, dat dit is een vallen in de verzoeking om als gemeente een werelds machtsinstituut te zijn, al val ik hem niet bij, wanneer hij dit theocratie noemt. Als Aalders daar dan tegenover stelt, dat Luther en Calvijn ons geleerd hebben, dat kerk en staat twee regimenten zijn met een verschillende taak en verantwoordelijkheid, die niet vermengd mogen worden, dan is dat ook helemaal juist. De moderne theologie is dáárom onreformatorisch omdat ze de kerk tot politieke spreekbuis heeft gedegradeerd.
Maar intussen gooit Aalders het dan over een andere boeg. Met grote hartstocht – en zó kennen we hem immers al jaren – legt hij bloot in welke toestand ons land en ook Europa zijn terecht gekomen. Toen de Europese volken nog gedoopte naties waren kon men stellen, dat de staat in haar wetgeving min of meer in het verlengde van de kerk lag. Maar uit die zoete droom zijn we de laatste jaren ruw ontwaakt. Wat wij als christenen door de wet der Tien Geboden kennen als Gods recht en gerechtigheid komt bij lange na niet meer overeen met de burgerlijke wet. De wegen van kerk en staat gaan steeds meer uiteen. Het begint niet pas nú met de nieuwe abortuswetgejang. Er is al lang zóveel mogelijk geworden, dat indruist tegen Gods recht en gerechtigheid: de wet op de kansspelen, de staatsloterij, de oprichting van casino's, de nieuwe huwelijkswetgeving met verruimde mogelijkheid van echtscheiding, de zondagswetgeving, het vrijgeven van vloeken en godslastering, de pornografie, het niet meer ingrijpen bij majesteitsschennis en bij het beledigen van leden van het koninklijk huis. Wat in dit hele proces aan de dag treedt is het onmiskenbare feit, dat het Nederlandse volk in zijn conciëntie al lang niet meer geworteld is in en gebonden is aan de Wet Gods en daarom geen normbesef meer heeft. De schuld daarvan moet niet zonder meer en niet allereerst bij de regering worden gelegd. Er is sprake van een ontkersteningsproces.
Ikabod, de eer is weg, zo is dan zijn hartstochtelijke uitroep. En in deze situatie, zo luidt Aalders conclusie, kán een overheid ook niet veel anders meer doen dan een verruimde abortuswetgeving, zoals die nu ter tafel ligt, mogelijk maken. Op het gebied van de gewelddadige vruchtafdrijving is een strikt christelijke wetgeving en wetshandhaving onmogelijk geworden. Als christenen komen we terecht in het isolement van de gemeente, die duidelijker dan ooit in antithese staat met de wereld. We zullen dan ook een heroriënteringsproces moeten doormaken, waarin ons slechts overblijft de geestelijke wapenrusting van Efeze 6. Alleen als mensen, die met hart en ziel de Heere zijn toegewijd en die leven onder het beslag van Woord en Geest, zullen we de nieuwe situatie aankunnen.
Aansprekend
Er is ongetwijfeld bij alles wat dr. Aalders zegt iets dat aanspreekt, dat misschien zelfs bijna (ik zeg bijna) overtuigt.
De wijze waarop hij met de dingen bezig is is voor ons, als reformatorische christenen, veel méér herkenbaar dan wat we tegenkomen bij Kuitert en bij de moderne theologie. En toch waag ik het erop met dr. Aalders op dit punt in kritische dialoog te gaan. Daarvoor wil ik toch eerst kort ingaan op Calvijns visie op de verhouding van kerk en staat, omdat Aalders zo heel nadrukkelijk Luther en Calvijn erbij haalde in hun onderscheiding van het wereldlijk en geestelijk regiment.
Calvijn
Uitgangspunt bij alles was voor Calvijn de gloria Dei, de ere Gods, Gods absolute souvereiniteit. Alle ambtsdragers, of het nu in de kerk of in de staat is, zullen aan Hem als de hoogste Koning eenmaal verantwoording afleggen. Daarbij onderscheidt Calvijn dan inderdaad een geestelijke en een burgerlijke regering. De geestelijke regering vindt plaats in de kerk, waar de mensen door de prediking worden onderwezen hoe ze voor God rechtvaardig en vroom zullen leven. De kerk hanteert daarbij nooit het zwaard en ook wil zij niet door dwang tot goede werken brengen. De kerk vraagt vrijwillige boetvaardigheid. Haar kracht ligt in het Woord, haar straf is geestelijk en haar motief is liefde om te behouden. Maar tegelijkertijd raakt de boodschap van de kerk het totale leven, omdat de Schrift met het totale leven van mens en samenleving te maken heeft.
Met de burgerlijke regering ligt het anders. Die gaat over goeden en kwaden en heeft ten doel een leefbaar leven voor allen mogelijk te maken. Zij kan daarbij gehoorzaamheid áfdwingen. Zij is, naar Rom. 13 vers 4, een wreekster tot straf voor diegenen, die kwaad doen. Maar intussen heeft de overheid ook alles te maken met de rehgie. Calvijn zegt:
'Maar deze tijdelijke en uitwendige regeering is verordend en bestemd om, zoolang als wij onder de menschen verkeeren, den uiterlijken godsdienst te onderhouden en te beschermen, de gezonde leer der godzaligheid, en den staat der kerk voor te staan, ons leven te fatsoeneeren tot welstand van de menschelijke sociëteit en gemeenschap, onze zeden en manieren te schikken naar de burgerlijke gerechtigheid, ons met elkander te vereenigen, en den gemeenen vrede en rust te voeden. Want de burgerlijke regeering dient niet alleenlijk (gelijk alle anderen dingen) hiertoe, te weten, opdat de menschen mochten leven, eten, drinken, en onderhouden worden, alhoewel ze voorwaar dit alles in zich begrijpt, wanneer ze maakt dat de menschen tezamen kunnen leven, nochtans dient ze, zeg ik, hiertoe niet alleen; maar ook opdat er geen afgoderij of lastering tegen Gods naam, en tegen zijne waarheid, of andere dergelijke schandalen en ergernissen tegen de religie openbaarlijk zouden ontstaan en onder het volk gezaaid worden; opdat de gemeente rust niet worde verstoord: opdat iedereen zijn goederen geheel en onverkort zou behouden; opdat de menschen zonder bedrog en hinder met elkander mochten trafijkeeren en handelen: opdat eerbaarheid en zedigheid onder hen betracht worde. Kortelijk, opdat er onder de christenen zij een openbare vorm en gestalte der religie, en dat vriendelijkheid en beleefdheid besta onder de menschen.'
Zo heeft Calvijn dan ook zicht op de functie van de wet in het politieke leven, op de usus politicus van de wet, zowel van de eerste tafel als van de tweede tafel. Wat de eerste tafel betreft, het gaat ook in de samenleving om de dienst aan God. Het gaat om zo te zeggen om de liturgie van het leven, om de lofzegging tot op de straat, tot in het politiek leven. Van de tweede tafel zegt hij dan:
'Wat de tweede tafel betreft, Jeremia vermaant de koningen recht en gerechtigheid te doen, den onderdrukten door geweld van de band des lasteraars te verlossen, den vreemdeling, de weduwen en weezen niet te bedroeven, niemand te verongelijken, en het onschuldig bloed niet te vergieten. Hiertoe dient ook de vermaning, die in den tweeëntachtigsten psalm gelezen wordt, dat ze den armen en gebrekkigen recht doen, den armen hulpeloze bevrijden en den zwakke en arme van de hand des onderdrukkers verlossen en redden zullen. Wederom Mozes gebiedt den gouverneurs, die hij in zijn plaats gesteld had, dat ze de zaak van hun broederen zullen hooren, dat ze tusschen den eenen broeder en den anderen, en tusschen den vreemdeling zullen oordeelen, dat ze geen aangezicht zullen kennen in het oordeel, dat zo zoowel den kleine als den groote hooren, en niemand vreezen zullen, dewijl het Gods gericht en oordeel is' (IV, 20, 9).
Dít is bij Calvijn theocratie, bijbels zicht op staat en maatschappij. De aardse gerechtigheid krijgt bij Calvijn van hieruit intussen wel het volle pond. Een les tot op vandaag om onrecht te noemen wat onrecht is en het recht te bevorderen waar dat nodig is, of het nu in Nederland of Zuid-Afrika is, of het nu Chili betreft of Libanon. Maar het staat bij Calvijn wel allemaal in de context van Gods recht op het leven. Calvijn heeft beseft, dat enerzijds de wet der zeden, de tweede tafel, niets anders is dan een getuigenis van de wet der natuur – zoals hij het noemt – die God in het hart van alle mensen heeft ingedrukt (niet stelen, niet doden). Maar anderzijds heeft Calvijn ook een onlosmakelijke verbinding tussen de eerste en de tweede tafel der wet gelegd. Alleen zo zal de overheid 'ons ten goede' kunnen zijn, wanneer het maatschappelijke leven wordt ingericht naar Gods goede gebod, met erkenning van Gods souvereiniteit. Calvijn heeft op deze wijze, dunkt me, niet gesproken en geschreven omdat het in zijn tijd nu eenmaal zó was, dat van een christelijk Europa kon worden gesproken, maar omdat hij zó de roeping voor kerk en staat vanuit het Woord had ontdekt. Mij dunkt dan ook, dat dr. Aalders kerk en staat verder uiteen heeft gehaald dan Calvijn in zijn onderscheiding van de geestelijke en de burgerlijke regering heeft gedaan te meer omdat Calvijn wel gesteld heeft: twee regimenten maar eraan toegevoegde één Heere. Het effect van de levensheiliging raakt ook de inrichting van staat en maatschappij. Bovendien heeft Calvijn deze dingen zo frank en vrij gesteld toen wel de kérk gezaghebbend was in het openbare leven, maar niet het Woord, verziekt als de kerk was. Was het Woord niet opgeborgen onder de stolp van de uitleg en de traditie van de kerk? Calvijns visie was in zijn tijd revolutionair, omdat hij het Woord uit de kerk haalde en midden in het openbare leven wierp.
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's