Künneth en Douma – waarom gaan beiden uiteen? (1)
In het blad Oe Reformatie (vrijgemaakt-gereformeerd) heeft prof. dr. J. Douma scherpe kritiek geleverd op de Duitse belijdenisbeweging, met name op de theoloog Künneth, één van de sprekers op het laatst gehouden belijdenis-convent in Frankfurt. Drs. J. A. E. Vermaat, medewerker van het Theologisch Konvent, waarvan prof. Künneth voorzitter is, zond ons in twee artikelen een reactie op Douma's bijdrage, een bijdrage waaraan in onze 'Persschouw' reeds aandacht werd besteed. Terwille van de discussie geven we ruimte aan deze artikelen van drs. Vermaat, terwijl aan prof. Douma de gelegenheid gegeven is te reageren op deze artikelen.
Inleiding
In februari 1979 vond in Frankfurt een vergadering van het zgn. 'Theologisch Konventvan Belijdende Gemeenschappen' plaats. Op zulk een bezinningsbijeenkomst, die over het algemeen druk bezocht wordt komen sprekers van verschillende theologische achtergrond. Hoewel het gaat om een internationale vergadering is er over het algemeen een sterk Duitse en met name lutherse inslag. Verontruste christenen en theologen uit heel Duitsland hebben zich in dit Konvent aaneengesloten om allerlei kerkelijke en theologische problemen gezamenlijk te kunnen bespreken, maar de laatste jaren is er ook grote belangstelling vanuit het buitenland.
Onlangs schreef prof. dr. J. Douma, vrijgemaakt ethicus uit Kampen, een aantal uitvoerige bijdragen over deze beweging, van verontrusten. In zijn atikelen in 'de Reformatie' viel hij met name de lutherse tweerijkenleer aan, zoals deze in Frankfurt door de Erlangse theoloog prof. dr. Walter Künneth werd verdedigd. Bij die gelegenheid deed Douma in de Reformatie ook een scherpe aanval op de persoon van Künneth en op de Duitse verontrusten in het algemeen.
Nu gaat het mij er niet om Douma op het punt van de tweerijkenleer te weerleggen. In veel heeft hij volstrekt gelijk, hoewel ik toch iets genuanceerder hierover denk dan hij. Evenmin gaat het mij erom met Douma over deze kwestie een felle polemiek te beginnen.
Het gaat mij erom dat Douma in Künneth een man laat vallen die zijn sporen wis en zeker wel verdiend heeft. Wie het op bepaalde theologische onderdelen niet met de man eens is, behoeft hem daarom nog niet zó af te schilderen dat er helemaal niets van hem over blijft. Dat nu doet Douma in De Reformatie, en de vraag is: wat steekt daarachter?
Wie is Künneth?
Voordat we die vraag beantwoorden moeten we eerst weten wie Walter Künneth eigenlijk is. Künneth werd op 1 januari 1901 in een streng luthers gezin geboren. Hij studeerde theologie te Erlangen en Tübingen en kwam al spoedig onder invloed van de bekende Duitse theoloog Karl Heim. De dogmatiek ('systematische theologie') sprak hem sterk aan en in de twintiger jaren werd hij docent aan de 'Apologetische Centrale' te Berlijn. Kort daarna werd hij direkteur van die Centrale en hij bleef dat totdat de nazi's de Centrale ontbonden. Künneths grote verdienste in die tijd was de toerusting van gemeente en van theologen. Hij publiceerde verschillende bekende werken, waaronder zijn meest bekende studie over de 'Theologie van de Opstanding' (1933). Dit boek was een glasheldere verdediging van het opstandingsgegeven als historisch (niet mythisch) feit.
In 1933 kwamen de nazi 's onder Hitler aan de macht. Künneth had al in 1932 waarschuwende geluiden tegen het nationaal-socialisme laten horen. Een van meest invloedrijke filosofen in het derde rijk was Alfred Rosenberg, de schrijver van het boek 'Mythe van de Twintigste Eeuw'. Dit boek rekent met geloof en kerk radikaal af en het is hier dat Künneth tegen de nationaal-socialistische filosofie in het geweer komt. In verschillende publikaties neemt hij het op voor de Joden, het Oude en Nieuwe Testament en voor de kerk. Zijn bekendste studie 'Antwoord op de Mythe' (een weerlegging dus van Rosenbergs boek) brengt hem in aanraking met de Gestapo, de geheime politie van de nazi's. Inmiddels is er in Duitsland een kerkelijke groepering ontstaan die zich verzet tegen het opdringend nationaal-socialisme in de kerk. Dit werd de zgn. 'belijdende kerk' waarvan Künneth, Niemöller, Karl Barth en Hans Lilje de belangrijkste spreekbuizen werden.
De leiders van de belijdende kerk, waaronder Künneth werden voortdurend door de geheime politie (Gestapo) lastig gevallen. Tijdens een der onderhouden laat Künneth weten: 'Indien u mijn boeken verbiedt, verbiedt dan ook de Bijbel, want ik fundeer mij geheel en al op de Bijbel.' Künneth ervaart het als een wonder dat hij niet als zoveel andere predikanten (waaronder Niemöller) in de gevangenis of in het concentratiekamp terecht komt.
Nadat de nazi's ervoor gezorgd hadden dat hij uit al zijn theologische functies was ontslagen kreeg hij van zijn goede vriend Landsbisschop Meiser uit Beieren de uitnodiging predikant te worden in een Beiers dorpje.
Künneth aanvaardde dit aanbod maar al te graag, hoewel hij ook daarna nog meermalen met de Gestapo te maken kreeg.
Na de oorlog werd Künneth hoogleraar dogmatiek en ethiek in Erlangen. Inmiddels is er in Duitsland een theologie gekomen die de wonderen uit de Bijbel en met name de opstanding 'mythen' noemt. De bekendste vertegenwoordiger van die theologie was de Marburgse theoloog Rudvlf Bultmann. Künneth, die in 1933 al een boek over de opstanding geschreven had, kwan in de vijftiger en zestiger jaren in een heftig conflict met de volgelingen van Bultmann. Niet alleen in woord en geschrift (zo pubhceerde hij een zeer leerzaam boekje over 'Geloven in Jezus?'), maar ook in diverse debatten voor de Westduitse televisie weerlegde Künneth de grondstellingen van Bultmanns theologie volkomen. Dit optreden bracht Künneth in aanraking met een beweging van verontruste christenen en predikanten die meenden dat Bultmann in feite 'een ander Evangelie' predikte. Deze beweging noemde zich dan ook 'Belijdenisbeweging Geen Ander Evangelie'. Künneth werd gevraagd te spreken voor de eerste grote belijdenisbijeenkomst in Dortmund. (1966). Daar sprak hij voor meer dan 20.000 mensen over het thema 'Kruis en Opstanding van Jezus Christus'.
In 1969 werd op zijn initiatief het 'Theologisch Konvent' opgericht, waarvan eerst hij en later prof. Peter Beyerhaus uit Tübingen de voorzitter werd. In het kader van dit Konvent werd onder meer de bekende 'Berlijnse Oekumene Verklaring' uitgegeven. Zeer onlangs publiceerde Künneth nog een soort van 'kleine dogmatiek' onder de titel 'Fundamenten van het Geloof' (een boek, dat inmiddels een vierde druk beleefde).
Künneths boeken, hoewel niet altijd even eenvoudig, vinden in Duitsland en daarbuiten goede aftrek. Hij is een persoonlijkheid met een achtergrond, iemand die op grond van zijn levenservaring en belezenheid met een zeker gezag kan spreken.
Douma’s kritiek
De kritiek van Douma nu richt zich met name op Künneths optreden in de dertiger jaren. Hij meent dat Künneth niet radikaal genoeg is geweest. Barth was in dit opzicht heel wat voorbeeldiger, zo meent Douma. Künneth, aldus Douma, was 'een man van het compromis' en Barth was dat niet.
Dit is natuurlijk bijzonder interessant. Men kan Barth missen als kiespijn, maar als men hem ergens tegen iemand in het geweer kan brengen, laat men dat niet na. Künneth een man van het compromis en Barth niet? Ik denk zo dat Barth ten aanzien van de na-oorlogse ontwikkelingen heel wat ernstiger is uitgegleden dan Künneth ten aanzien van de voor-oorlogse situatie. Künneth heeft van Hitler niet gezegd wat Barth van Stalin heeft gezegd. Stalin was voor Barth een 'man van formaat'; Hitler was voor Künneth een vogelverschrikker die zijn machtsovername vooral aan Von Hindenburg te danken had.
Douma negeert ook het feit dat de hele belijdende kerk een kerk met vele fouten en gebreken was. Mannen als Künneth, Lilje, Niemöller en zovele anderen uit die belijdende kerk waren in Duitse en nationalistische geest opgevoed. De kerk die zij dienden was hun dierbaar en wat er in de dertiger jaren met die kerk aan de hand was verscheurde hun hart.
Als Zwitser en calvinist keek Barth daar wat anders tegen aan. Barth was veel radikaler en duidelijker in de vragen van de eed, de dienstplicht van predikanten of zelfs het lidmaatschap van de partij. Veel voormannen in de belijdende kerk wisten niet beter of de hakenkruisvlag hoorde in de kerk. Bonhoeffer en Niemöller, om er maar twee te noemen, meldden zich zelfs aan voor de militaire dienst toen de oorlog uitbrak. Deze dingen laten zich op geen enkele wijze rechtvaardigen, maar wie op grond van zulk een verblinding de gehele belijdende kerk afschrijft, handelt onjuist.
Men kan in zijn kritiek formeel volstrekt gelijk hebben, maar het gaat erom: hóe zeg je het en waaróm zeg je het? Maak je de splinter in andermans oog zó groot dat hij een balk wordt zodat de balk in eigen oog niet meer gezien wordt, of ga je naast deze broeders uit de belijdende kerk, met al hun fouten en gebreken, staan en zeg je: 'Ondanks alles gevoel ik mij ten diepste met u verbonden!' En dan blijkt dat mannen als Künneth, Lilje en ook Niemöller in die jaren nog heel wat goeds hebben mogen verrichten en dat dat vele goeds hun door de nazi's maar al te kwalijk werd genomen.
J. A. E. Vermaat, Hilversum
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's