De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijdenis der Hugenoten (7)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijdenis der Hugenoten (7)

De Confessio Gallicana

9 minuten leestijd

Een algemene verdorvenheidArt. 11 Wij geloven ook, dat dit kwaad waarlijk zonde is, erg genoeg om het hele menselijke geslacht, tot en met de kleine kinderen, reeds vanaf de moederschoot, te verdoemen, en dat God het ook voor zonde houdt; ja dat dit kwaad zelfs na de doop nog steeds zonde is, namelijk wat de schuld betreft, hoewel de kinderen Gods van de verdoemenis, die daaraan kleeft, verlost zijn, doordat God, naar zijn vrije goedheid, hun deze zonden niet meer toerekent. Bovendien is zij een verdorvenheid die gedurig vruchten van boosheid en rebellie voortbrengt, zozeer dat zelfs de allerheiligsten, ofschoon zij tegenstand bieden, niet ophouden met zwakheden en gebreken bevlekt te zijn, namelijk zolang zij in deze wereld zijn.

Waarlijk zonde
De erfzonde is wáárlijk zonde! Toen de Hugenoten dit opnamen in hun belijdenis stelden zij zich te weer tegen Rome. In de middeleeuwse theologie was men ertoe gekomen te stellen dat de erfzonde pas zonde wordt als men er aan toegeeft. Zolang men niet ingaat op de prikkelingen van het hart tot zondige lusten en tot zondige daden, kan men, aldus de middeleeuwse theologen, nog niet spreken van zonde in de eigenlijke zin van het woord.
Reeds Luther heeft zich hier scherp tegen afgezet. Calvijn en de gereformeerden hebben dat niet minder gedaan. Zij zagen de verdorvenheid van de mens veel radikaler. Reeds de eerste roerselen in ons hart tot hetgeen zondig is is op zich al zondig. Even volkomen als de verlossing in Christus is, is de verdorvenheid waarvan men verlost wordt.

Blijvende zonde
Zelfs de allerheiligsten komen hun verdorvenheid niet geheel te boven. Onze vaderen waren geen 'perfectionisten'. Dat waren bepaalde soorten van dopers; en dat waren later de Wesleyanen; en dat zijn heden bepaalde 'Pinkstermensen'. De klachten van Paulus uitgesproken in Rom. 7 lezen zij als betrekking hebbend op zijn nog onbekeerde levensstaat. Hier zou dus de onbekeerde Paulus aan het woord zijn. Maar Luther, Calvijn, Kohlbrugge lazen Rom. 7 anders; beluisterden daar de Paulus die 'Damaskus' achter de rug heeft. De volmaaktheid is er niet zolang wij nog, zoals de CG zegt, 'in de wereld' zijn.
Er wordt in de Gallicana onderscheid gemaakt tussen 'schuld' en 'verdoemenis'. Ook voor de kinderen Gods is de erfzonde nog schuld, maar zij brengt voor hen niet meer de verdoemenis met zich mee. Van de verdoemenis der zonde zijn de kinderen Gods verlost. De schuld die zij hebben en steeds opnieuw maken is vergeven schuld; daarom volgt er geen verdoemenis op.
Zo blijft de christen tegelijk ootmoedig en getroost. Ootmoedig als hij ziet op zijn schuld, een schuld die hij telkens opnieuw maakt, én getroost als hij mag geloven dat deze schuld vergeven is.

Vruchten van boosheid
De erfzonde is als een oude boomstam, waar toch telkens weer nieuwe loten aan groeien. Zij is als een vieze sloot die niet ophoudt te stinken. De Gallicana spreekt van gedurige vruchten van boosheid en rebellie. Wel is er de strijd, de tegenstand, maar dat wil niet zeggen dat het kwaad wordt uitgeroeid. De hervormers maakten onderscheid tussen zonden die heersen en zonden die bestreden worden. In de ware gelovigen is altijd de strijd tegen de zonden, de zonden heersen in hen niet. Als de zonden nog onbeperkt in ons heersen, dan missen wij alle grond om ons te rekenen tot de kinderen Gods. In het al of niet onbeperkt heersen van de zonden in ons hangt af of ons geloof een waar geloof is of niet.

De doop
Evenals in de NGB (art. 15) wordt bij de erfzonde ook de doop ter sprake gebracht. De erfzonde is 'zelfs na de doop' nog zonde. Dat wijst er op dat volgens Calvijn en de opstellers van de CG bij de doop iets gebeurt wat van wezenlijke betekenis is voor het voortbestaan van de erfzonde. Ter vergelijking legge men eens naast dit artikel wat er staat in art. 15 van de NGB. Daar lezen wij, dat de erfzonde de wortel van alle kwaad is; en dan wordt gezegd: 'Zij is ook zelfs door de doop niet ganselijk te niet gedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt, gelijk uit een onzalige fontein; hoewel zij nochtans de kinderen Gods tot verdoemenis niet toegerekend, maar door zijn genade en barmhartigheid vergeven wordt.' Opmerkelijk zijn in deze Belijdenis de woorden 'niet ganselijk', dus niet geheel en al. De conclusie is: wel voor een deel en zelfs voor een belangrijk deel. De doop doet voor een belangrijk deel de erfzonde teniet, roeit dit kwaad voor een belangrijk deel uit. Iets verderop in deze zinsnede uit de Belijdenis blijkt in welke zin dat bedoeld is, nl. in deze zin dat de erfzonde de gedoopten niet meer wordt toegerekend; de schuld der erfzonde is de gedoopten vergeven. En nu komt natuurlijk onmiddellijk, althans bij óns (want de Belijdenis stelt deze kwestie niet) de vraag op, of dit nu alle gedoopten geldt. Wij willen de legitimiteit van deze vraag niet betwisten maar stellen wel vast dat zij afleidt van hetgeen hier gezegd wordt, beter gezegd: wat hier beleden wordt. Een Belijdenis is er voor om beléden te worden, en dat geldt ook ten aanzien van hetgeen staat in dit artikel. Het is zonneklaar dat dit stukje belijden ons ertoe nodigt te geloven dat in de doop waarlijk ons de schuld der erfzonde is vergeven. En als wij dat mogen geloven, dan is dat ook zo! Geloven wij het niet, dan staan wij overal buiten. Het is dus waar, het geldt niet álle gedoopten – maar daar mag men niet in blijven steken –, het geldt al die gedoopten die het, door Gods genade, van harte geloven!

De uitverkiezing
Art. 12 Wij geloven dat God uit dit verderf en deze algemene verdoemenis, waarin alle mensen verzonken liggen, rukt diegenen die Hij in zijn eeuwige en onveranderlijke raad door zijn goedheid en barmhartigheid in onze Heere Jezus Christus heeft uitverkoren, zonder te letten op hun daden; de anderen latend in hun verderf en verdoemenis. Zoals Hij in de eersten laat zien de rijkdom van zijn barmhartigheid, zo toont Hij in de laatsten zijn rechtvaardigheid. De eersten zijn namelijk tot op de tijd dat God hen afzondert, naar zijn onveranderlijke raad, in Jezus Christus, voor de schepping der wereld, niet beter dan de anderen. Bovendien kan niemand uit eigen krachten een zo groot goed bereiken, omdat wij van nature zelfs niet een enige goede beweging, genegenheid of gedachte kunnen hebben dan pas nadat Hij Zich betoond heeft de eerste te zijn en ons daartoe bekwaam heeft gemaakt.

Onverdiende verkiezing
In een Gereformeerde Belijdenis ontbreekt zelden of nooit de uitverkiezing. Opdat God alle eer zal hebben van zijn werk, en in het bijzonder van het zaligmaken van zondaren. Hij is de Souvereine, die vrijmachtig beschikken kan over de schepselen die Hij in het aanzijn heeft geroepen. Heel de wereld moet voor Hem de hand op de mond leggen en zwijgen.
God is niet te zetten naar onze hand, wij hebben ons te laten zetten naar zijn hand. Wij zullen nooit onszelf de lof van onze zaligheid kunnen toebrengen, die lof komt Hem toe!
Altijd weer is tegen deze belijdenis gerebelleerd. Men heeft tegen haar allerlei bezwaren ingebracht: wij zouden van God een soort Allah maken, of een Noodlot, of een puur willekeurig en grillig te werk gaande tyran.

Al honderden keren is hier tegenin gebracht dat dit een caricatuur is, en dan kunnen wij ons beroepen op de klare taal van onze Belijdenisgeschriften, waarin heel wat anders valt te beluisteren. En toch houdt het inbrengen van bezwaren tegen deze belijdenis van Gods verkiezing nog steeds aan.

Of er dan helemaal geen grond voor is? Ach, wie zou het durven betwisten. Het bederf van het beste is het allerslechtste. Dat geldt ook hier. En dat raakt dan niet alleen maar gewone gemeenteleden (hen nemen wij het minder kwalijk) maar ook predikanten die toch wel beter konden weten. Onder de schijn van een uiterst rechtse prediking kan men zo fatalistisch zijn als de heidenen of mohammedanen.
Men maakt in dit geval de predestinatie tot het allesbeheersende; en ziet over het hoofd de verbanden waarin zij voorkomt in de Schrift, en beleden wordt in onze Belijdenisgeschriften. Daarom achten wij het nodig enkele gegevens uit dit artikel van Gallicana extra te onderstrepen.

Zonder te letten op onze daden
De verkiezing, zo zegt de CG, heeft plaatsgevonden van Godswege 'zonder te letten op onze daden'. Hier ligt de clou van de hele zaak. Het gaat in de belijdenis van de verkiezing ten diepste om het onverdiende van de gande! Er is een directe relatie tussen de leer der predestinatie en die van de rechtvaardiging door het geloof alleen, ofwel de rechtvaardiging uit louter genade. Kohlbrugge moet eens gezegd hebben dat de Dordtse vaderen niet met de leer der verkiezing maar met die van de rechtvaardiging uit louter genade de Remonstranten te lijf hadden moeten gaan. Welnu, in feite hébben de Dordtse vaderen dat ook gedaan, want in hun verkiezingsleer gaat het in hoofdzaak om het onverdiende van de genade. Met andere woorden: men kan van de predestinatie niet een allesbeheersende levens- en wereldbeschouwing maken, men moet haar dicht bij de prediking van geloof en genade houden!

Jezus Christus en de verkiezing
Het mag ons ook niet ontgaan dat hier in dit artikel over de predestinatie niet minder dan tot tweemaal toe de naam van Jozus Christus wordt genoemd. Nooit kan men over verkiezing en verwerping spreken buiten Hém om, zonder Hem te noemen. Wie dat tóch doet, spreekt niet naar de Belijdenis. De goedheid en barmhartigheid Gods in Jezus Christus wordt in dit artikel van de Gallicana rechtstreeks verbonden met de eeuwige Raad Gods. Dat betekent: de Hugenoten hebben, daarin Calvijn navolgend, niet abstract, niet in het afgetrokkene over Gods eeuwig besluit gesproken. Zij spraken over de onveranderlijke raad Gods in Jezus Christus. En zij verwijzen dan naar Efeze 1 : 4-5, waar wij lezen dat God ons uitverkoren heeft 'in Hem' voor de grondlegging der wereld. Waar men spreekt over een God die verkiest en verwerpt, lós van de Heere Jezus Christus, daar heeft men het niet meer over de God die wij eren en dienen als de ene en waarachtige; daar heeft men het, zoals Luther onophoudelijk in zijn preken het volk heeft ingehamerd, over een afgod.

Dubbele predestinatie
Ook de Galhcana stelt een dubbele predestinatie. Verkiezing én verwerping. Het is nog altijd gereformeerd daaraan vast te houden. God handhaaft zichzelf, ook tegenover zijn vijanden. Men mag de 'verwerping' niet laten schieten. Zodra men dit toch doet houdt men geen verkiezing meer over. Dan gaan, zoals in de theologie van Barth en de barthianen, verkiezing en verwerping stuivertje wisselen. De souvereine God wordt in zijn daden dan toch weer gezet naar de hand van de mens, die of gelooft of niet gelooft. Het onverdiende van de genade is dan niet langer te handhaven.
Maar al stellen wij dus allebei: verkiezing en verwerping, dat betekent niet, dat onze Belijdenis ze zonder meer naast elkaar stelt en parallel laat lopen. De verwerping wordt wel genoemd, als een (huiveringwekkende) realiteit, maar bijkans het hele artikel gaat, neen niet over de verwerping maar over de verkiezing. Het is niet veel anders dan één lofzang op de goedheid en barmhartigheid Gods, die in Christus Jezus een verkiezend God is. Laten wij zo de predestinatie, samen met de vaderen, belijden, preken; en zo er ook uit leven.

K. Exalto

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Belijdenis der Hugenoten (7)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's