Alphonse Pierre Antoine du Cloux (IV)
Zij die bleven (22)
Een vruchtbare levensavond
Nadat Du Cloux op 65-jarige leeftijd in de Groningse gemeente Spijk met emeritaat was gegaan vestigde hij zich in Bedum, eveneens in Groningen, waar hij op 30 juli 1890 overleed, 82 jaar oud. Dat hij zijn levensavond niet in ledigheid heeft doorgebracht blijkt wel uit de prekenbundels die tot diep in de tachtiger jaren van de persen van uitgever R. Boerma rolden!
Van zijn hand verscheen een 'Twaalftal Lijdensstoffen', een 'Twaalftal Feeststoffen' en tweemaal een twaalftal zogenaamde 'vrije stoffen'. Eerder, in zijn Capèlse tijd, waren twee preken voor Oud en Nieuw van hem uitgegeven, zodat we in totaal precies 50 preken van Du Cloux bezitten, die alle verschillende malen werden herdrukt en bij het Gereformeerde volk in en buiten de Hervormde Kerk zeer geliefd waren.
Telkens wanneer er een nieuwe druk van één van zijn bundels uitkwam sprak Du Cloux er zijn 'innige blijdschap' over uit 'dat er nog zeer velen in deze dagen worden gevonden die ingenomen zijn met de waarheden die de Heere Zijn Kerk mij door genade gaf te verkondigen in de gemeenten door mij bediend'. De auteur had bij de uitgave van zijn preken blijkbaar niet alleen zijn eigen kerk op het oog, waar zovelen snakten naar de zuivere bediening van het Woord, hij 'mikte' ook op de Afgescheidenen en de Dolerenden! Althans, voor de tweede druk van zijn Feeststoffen, die in 1887, dus een jaar na de Doleantie verscheen, schrijft hij:
'Wij beleven, wat onze Kerk betreft, hoogst ernstige en gewichtige dagen. Duizenden leden der Kerk hebben nu reeds met vele getrouwe herders en leraars de Synode, die het Koninklijk gezag van de Heere Jezus, onze grote God en Zaligmaker, over Zijn Kerk verwerpt, de gehoorzaamheid opgezegd en zich als Dolerende Kerken gevestigd. En daar misschien niet alle kerken die het Synodaal juk afschudden eigen leraars zullen bezitten en de behoefte zal gevoeld worden om onderhng op de dag des Heeren en de feestdagen zich met elkander te verenigen, kunnen deze Feeststoffen, onder de zegen des Heeren, velen tot stichting zijn.'
Deze wens van Du Cloux dat zijn preken ook buiten de Hervormde Kerk zouden worden gelezen is in ieder geval in vervulling gegaan. Wie zal zeggen in hoeveel leesdiensten van de Gereformeerde en Oud Gereformeerde Gemeenten er gegrepen is en wellicht nog gegrepen wordt naar een preek van Du Cloux?
Elders dopen?
Achterin het 'Tweede Twaalftal Leerredenen' is een stuk opgenomen dat Du Cloux in een eerdere periode van zijn ambtsbediening schreef voor mensen die zaten met de vraag of zij hun kinderen konden laten dopen, of eventueel belijdenis doen in een gemeente waar de prediking niet gereformeerd was. Een hoogst-belangrijk onderwerp, juist ook omdat het ons inzicht geeft in de moeilijke situatie waarin de gereformeerden in de Hervormde Kerk zich in die tijd bevonden.
Du Cloux begint met op te merken dat de Synode op de vraag of ouders vrijheid hebben hun kinderen in een naburige gemeente te laten dopen – een vraag die in 1824 reeds is gesteld! – pas in 1842 antwoord heeft gegeven. Dat antwoord luidde: 'Dat voortaan geen kinderen buiten de gemeenten, waartoe de ouders kerkelijk behoren, gedoopt mogen worden zonder schriftelijke toestemming van de predikant dier gemeente.'
Tegen de bepaling op zichzelf heeft Du Cloux geen bezwaar. Gods Woord zegt immers dat alle dingen eerlijk en met orde moeten geschieden? Wél protesteert hij tegen het feit dat de toestemming moet worden verleend door de predikant en niet door de kerkeraad. Immers, niet aan de predikant alléén, maar aan de hele kerkeraad is de herderlijke zorg over de gemeente opgedragen. Het gevolg van deze bepaling zal zijn, zo meent Du Cloux, dat predikanten, gegriefd om het feit dat bepaalde gemeenteleden niet bij hen kerken, wraak zullen nemen door hun toestemming te weigeren.
Eerlijkheidshalve maakt Du Cloux dankbaar melding van verschillende 'liberale predikanten' die dadelijk bereid bleken de gevraagde toestemming te verlenen. Maar het gevaar blijft groot dat 'deze of gene predikant, vooral ten platten lande, er een personele zaak van kan maken om daardoor nu in staat gesteld zijnde, de mensen die met zijn gevoelens niet overeenstemmen, te kunnen plagen'.
Samenvattend zegt Du Cloux: 'Indien onze Nederlandse Hervormde Kerk was zoals zij zijn moest, de leer der Kerk gehandhaafd en de Formulieren van enigheid gebezigd werden, dan zou niemand iets tegen deze bepaling hebben.' Maar nu er in de praktijk leervrijheid in de Kerk heerst kan ze een consciëntiedwang van de ergste soort gaan betekenen. Stel, dat men in een gemeente woont die slechts door één predikant, en dan een onrechtzinnig predikant, wordt bediend. Dan hebben de ouders de keuze zich over te geven aan de willekeur van de predikant, die het formulier naar eigen inzicht kan wijzigen, óf hun kinderen ongedoopt te laten. Vandaar merkt Du Cloux een beetje spijtig op, 'dat zovelen zich om deze redenen aan een Afgescheiden Kerk of aan die 'onder het Kruis' of aan een der andere opgerichte kerkjes hebben aangesloten, en dat anderen hun kinderen ongedoopt laten liggen'. Du Cloux ziet nog wel onderscheid tussen predikanten die de leer der kerk rechtstreeks tegenspreken en bestrijden, én predikanten die in het formulier slechts geringe veranderingen aanbrengen waardoor de waarheid niet direct geweld wordt aangedaan. Toch pleit hij voor een woordelijk gebruik van de formulieren. Want, zegt hij, indien de formulieren onwaarheid bevatten moet men dat aantonen en bij de Synode aandringen op wijziging, maar zo niet, dan heeft men niet het recht eigenmachtig veranderingen aan te brengen. 'Meent men voor zichzelf vrijheid te hebben, te leren en te zeggen, te bidden en te danken hetgeen men verkiest, men dwinge anderen niet te erkennen dat dit Gereformeerd is.'
De strijd niet ontlopen
Du Cloux komt dan eigenlijk pas tot de kern van de zaak. Ouders kunnen in vele gevallen hun kinderen niet in hun eigen gemeente laten dopen omdat ze niet bevestigend kunnen antwoorden op de vraag of de leer die alhier geleerd wordt de waarachtige en volkomen leer der zaligheid is.
Terecht stelt Du Cloux dat de bezwaarde ouders het woord 'alhier' niet locaal moeten opvatten. Onze vaderen hebben bij het opstellen van het Doopsformulier niet gedacht aan de leer die in de plaatselijke gemeente geleerd wordt, maar aan de leer van de Christelijke Kerk in haar geheel. Daarom mag men van een predikant niet verlangen het woord 'alhier' weg te laten of er andere woorden bij te voegen, want daarmee zou die predikant voedsel geven aan de onjuiste gedachte van de ouders die niet beseffen 'dat de Christelijke Kerk, dat is het lichaam der gelovigen, hier haar geloof belijdt en uitspreekt'.
Maar nu concreet: hoe moeten ouders handelen die van hun predikant geen toestemming krijgen om elders hun kind te laten dopen? Du Cloux zegt dat vele van zijn vrienden het hem en andere rechtzinnige predikanten kwalijk nemen dat ze de Synodale bepaling eerbiedigen. Volgens hen zou het de roeping zijn van alle predikanten die trouw zijn aan Schrift en Belijdenis alle kinderen te dopen die ten doop worden aangeboden. Maar, zegt Du Cloux, dat is niet de weg, al zou deze weg het gemakkelijkst zijn voor alle ouders die ongedoopte kinderen hebben, want dan waren ze meteen uit de problemen! Maar wij, predikanten, zouden geschorst en vervolgens uit het ambt ontzet worden en zou de kerk daarmee gebaat zijn? 'Onze gemeenten zouden van onze dienst verstoken worden, onze plaatsen misschien door vijanden der waarheid worden ingenomen en eens buiten de Kerk zijnde zouden wij kunnen zeggen of schrijven wat wij wilden, terwijl de vijand zou lachen dat wij zo dwaas waren geweest.'
Laat de ouders, aldus Du Cloux, eerst zichzelf voor Gods aangezicht beproeven of ze het inderdaad niet voor God en hun geweten kunnen verantwoorden 'ja' te zeggen op de doopvragen. Kunnen ze dat werkelijk niet, laten ze dan 'bescheiden en minzaam' schriftelijk toestemming verzoeken om elders te dopen. Wordt het geweigerd, herhaal dan het verzoek! Niet van tevoren zeggen: het helpt toch niets! 'Wanneer eens al dat verdrukte volk in de gemeenten niet alleen zuchtte en klaagde over het bederf der Kerk, maar als leden der Kerk hun goed recht, zoals het hun op christelijk standpunt geoorloofd is, verdedigde, voor mijzelf mag ik dan geloven dat de strijd juist op dát terrein gebracht zou worden, waarop hij gestreden móet worden.'
En kan het niet anders – zo luidt het allerlaatste advies van Du Cloux – ga dan tijdelijk ergens anders wonen. En kan dat niet om financiële redenen, dan zal er nog wel ondersteuning te vinden zijn. 'Ik voor mij vind geen vrijheid, zonder dat ik de strijd gezien heb, aan de veelvuldige verzoeken die men doet, zonder schriftelijke toestemming van de predikant, te voldoen.'
Ook inzake het doen van belijdenis geeft Du Cloux dezelfde raad. 'Geen lijdelijk verzet alleen is uw roeping, door weg te blijven en uw kinderen zulk onderwijs niet te laten geven. Neen, gijlieden die verongelijkt wordt, gij moet spreken en handelen; al te gemakkelijk laat gij u uw recht ontnemen, of zwijgt, om welke oorzaken dan ook.'
In de Kerk blijven
De vragen waarop Du Cloux antwoord gaf zijn meer dan een eeuw oud, maar ook vandaag zijn ze voor velen in onze Hervormde Kerk nog van de hoogste aktualiteit. Vandaar dat we hem zo uitvoerig aan het woord gelaten hebben.
Ondanks alles wil Du Cloux de Kerk der vaderen niet verlaten. 'Neen', zegt hij, 'ik wens uw last mede te dragen, met u te bidden, met u te strijden en moet het zijn, met u te lijden'.
Ook het slot van zijn betoog mogen wij, een eeuw later, nog met instemming citeren: 'In de Kerk wens ik althans te blijven strijden, zolang de Heere mij daartoe kracht schenkt. Bidt voor mij en alle getrouwe herders en leraars, ook voor zulken die nu nog uit mensenvrees of wat het ook zijn moge, zwijgen; opdat de Heere ons geven moge te volgen en niet vooruit te lopen, en Hij over u en ons uitstorte de Geest der genade en der gebeden.'
W. van Gorsel, Wijk (bij Heusden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's