De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Christenen en Joden
In deze rubriek willen we dit keer uw aandacht vragen voor een discussie in het blad Ter Herkenning, tijdschrift voor Christenen en Joden. In het novembernummer van 1978 publiceerde dr. J. Schoneveld een artikel waarin hij na tien jaar verblijf in Israël de balans opmaakt inzake de christelijke relatie tot het joodse volk. Schoneveld werkt als christelijk theoloog in Jeruzalem. Hij zegt in de aanhef van zijn artikel dat hij door onze Hervormde Kerk is gezonden naar Jeruzalem om te kijken naar wat er in Israël gebeurde en gebeurt. Maar na tien jaar er te hebben doorgebracht heeft het zijns inziens meer zin te vertellen wat er met hemzelf gebeurd is.
Ongetwijfeld is de positie van een christelijk theoloog, levend temidden van de werkelijkheid van het joodse volk als een levend volk, een zeer bijzondere. Dan komen dogmatische tradities in de waagschaal. Dan moet men de confrontatie aangaan met de denk- en leefwereld van Israël. En dat brengt allerlei uitdagingen met zich mee, waar wij geen pasklare antwoorden op hebben. Terecht schrijft Schoneveld dat wanneer we helderheid willen krijgen in de relatie tot Israël we de werkelijkheid van het joodse volk zoals het nu leeft, moeten kennen. Deze werkelijkheid is meer dimensionaal. Er is b.v. de nationaal-politieke dimensie, maar ook de religieuze. Schoneveld stelt dan de vraag: Waar staan wij christenen nu bij deze herbevestiging van het joodse volk in Israël? Zijn conclusie is dat wij buiten dit opmerkelijke gebeuren worden gehouden, ondanks de aandacht van vele joodse geleerden voor Jezus.

Op een symposium, gehouden in Nes Ammim, ongeveer twee jaar geleden, zei prof. Hendrik Berkhof uit Leiden tegen de joden onder zijn gehoor: 'U zult voor uzelf moeten uitmaken wat Jezus voor u betekent'. Interessant was de reactie van één van de joodse panel-leden, prof. R. J. Zwi Werblowsky, uit Jeruzalem: die was totaal blanco. Hij begreep eenvoudig niet waar Berkhof het over had! Hij legde uit dat men er, om een goede jood te zijn, geen bepaalde overtuigingen over bepaalde personen, wijzen of andere geestelijke leiders, op na hoeft te houden, zelfs niet over Hillel.
Hoe moeten wij deze kwestie vanuit theologisch oogpunt bezien? Ik was erg onder de indruk van wat prof. Paul van Buren in zijn lezing in Tantur zei: 'Door Jezus Christus en geleid door de Heilige Geest, hebben wij christenen ons bij de joden aangesloten in het aanbidden van de God van Israël. Door Jezus, de jood, die net als andere joden deze God zijn Vader noemde, zijn wij, niet-joden, Hem ook Vader gaan noemen, en zijn wij door God geroepen om zijn zonen en dochters te zijn en als zodanig in de wereld te staan'.

In het april-nummer van 1979 legt prof. dr. J. M. Hasselaar kritisch de vinger bij dit citaat van Paul van Buren. Al wil hij een bepaalde strekking van dit woord nog wel meemaken, hij heeft toch bezwaar tegen de gelijkstelling: de Jood die net als andere Joden God zijn Vader noemde. Hasselaar noemt dat een verheimelijken van de confessie en dat is z.i. een slechte dienst aan Israël. Jezus noemt immers de God van Israël zijn Vader in unieke zin. Dat is het centrale van het N.T. Ik meen dat Hasselaar gelijk heeft, als we alleen maar denken aan de wijze waarop bijvoorbeeld in Johannes 20 gezegd wordt: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader. Het heeft altijd weer de aandacht getrokken dat hier niet maar gezegd wordt 'onze Vader', maar dat er zorgvuldig onderscheiden wordt tussen 'Mijn' en 'Uw'.

Alleen maar een accentsverschuiving?
Schoneveld is van mening dat er in leer en leven van de kerk eigenlijk niets nieuws te noemen valt ten aanzien van de joodse werkelijkheid. Er is ten opzichte van de Thora alleen maar een zekere accentsverschuiving of nuanceverschil. Wel zijn door Jezus de heidenen toegelaten en is het bereik van de Thora wijder geworden. 'Wat in de Thora gegeven is, komt tot ons, heidenen door Jezus Christus', schrijft Schoneveld. Wel heeft de christelijke kerk veel van de Thora laten vallen, met name de Sabbath. En Schoneveld heeft er dan ook grote moeite mee als iemand zegt dat een Jood die in Jezus gelooft een complete Jood is. Ik zou de vraag willen stellen: En hoe zit het dan met Paulus die in de Galatenbrief toch enkele zeer duidelijke dingen over de relatie tot de Wet, de sabbath en de besnijdenis gezegd heeft. En wat denkt Schoneveld over Paulus' woorden over het 'Jood-zijn' in Romeinen 2 naast Rom. 11 : 1vv.?
Is het vol te houden dat hier alleen maar een kwestie van accentsverschuiving is? Hasselaar keert zich op dit punt scherp tegen Schoneveld. Kan men de verzoening in en door Christus alleen maar een accentsverschuiving noemen? Is de werkelijkheid van de vervulling van het beloofde en aan Israël gebodene niet totaal nieuw? De heidenen zijn toch niet door Jezus toegelaten op grond van een joodse proselietendoop, maar op grond van Zijn werk in kruis en opstanding. En het apostolisch woord is toch meer en anders dan een joodse Midrasj? Ik denk dat Schoneveld zijn visie moeilijk kan staven met de wijze waarop b.v. in Efeze 2 en 3 over het deelontvangen van de zegeningen van Israël, door de heidenen, gesproken wordt.

Jezus, de Messias
In dit alles is ook beslissend de vraag naar de Messianiteit van Jezus. Schoneveld wil Jezus eigenlijk niet de Messias noemen. Want de Messias is naar joods besef degene die Israël bevrijdt uit de onderdrukking en vrede op aarde brengt. Dat is niet gebeurd. Ik vraag me af: Welk Messiasbegrip hanteert Schoneveld hier? Lopen er in het Oude Testament niet meerdere lijnen, nl. niet alleen de Davidische lijn, maar ook de lijn die uitkomt bij Jesaja 53? En vervalt Schoneveld met deze bewering niet in het zwaard van een nationalistisch, verpolitiekt Messiasbegrip? Wij willen hier Schoneveld, om hem recht te doen, uitvoeriger citeren:

Als men het messiasbegrip zou gaan wijzigen, dat het iets heel anders gaat betekenen dan zijn eigenlijke zin, dan lijkt het me niet verantwoord om nog het woord Messias te gebruiken. We kunnen Jezus Heer, Verlosser, Zoon van de Vader, tweede Persoon van de Drieëenheid noemen, of wat voor andere doxologische term we ook wensen te gebruiken, maar niet 'Messias'. Het is niet toevallig dat de term 'Christus' (zoals bekend de Griekse vertaling van 'Messias') al spoedig steeds minder werd verstaan als aanduiding voor 'Messias' in de eigenlijke zin van het woord, en steeds meer een achternaam werd. (…)
Om redenen die te maken hadden met hun verstaan van de geopenbaarde wil van God, kon de overgrote meerderheid van de joden de messiaanse Midrasj, de christologische interpretatie van de Thora en de Profeten, niet aanvaarden. Er ontstond geen overeenstemming ten aanzien van dit geschilpunt, en de 'messiaanse joden' werden een sekte, afgesneden van de stam van het joodse volk. Hetzelfde gebeurde met de Essenen, de Karaïeten, de Sabbateeërs. Het visioen van de eenheid van joden en heidenen, dat Paulus voor ogen stond wanneer eenmaal de heidenen zouden toetreden tot de gemeenschap der joden die achter de messiaanse Midrasj stonden, werd ook geen waarheid. De kerk werd overspoeld met heidenen, het joodse element verdween geleidelijk, en de kerk werd een niet-joodse, heidense aangelegenheid. Paulus waarschuwde de heidenen in de kerk al in zijn brief aan de Romeinen (11 : 25) dat ze niet eigenwijs moesten zijn en geen superioriteitsgevoelens moesten koesteren. Vandaag de dag is er nog steeds genoeg reden om deze waarschuwing ter harte te nemen. (…)
Het is een bittere pil voor de christenen om gepasseerd te worden. Berkhof zei op het symposium in Nes Ammim: 'Als Jezus geen betekenis heeft voor de joden, dan heeft Hij helemaal geen betekenis'! Dit argument kan zich gemakkelijk ontwikkelen tot een interessante psychologische motivatie voor jodenhaat aan de kant van de niet-joden. De verwerping van Jezus door de joden maakt ons heidenen onzeker! Maar misschien kunnen we de zaak ook van een andere kant bekijken. Misschien is er hier sprake van een providentieel moment. Wellicht wilde God de joden niet onder het juk van de wet uit laten komen, omdat de Thora zo goed is (zoals Paulus zelf zegt). Misschien wilde God niet dat zijn zonen en dochters naar messiaanse tijden zouden doorstoten, net zoals hij niet toestond dat Jezus zichzelf openbaarde als de Messias, als de Koning der Joden, en Jezus in Gethsemané moest zeggen: 'Niet mijn wil, maar de Uwe geschiede'. De eigenlijke toedracht van het gebeuren in Gethsemané lijkt mij als volgt: Jezus was in de laatste week van zijn leven begonnen de leiding van de opstand op zich te nemen en het messiaanse koninkrijk te vestigen, maar Hij werd door de tempelwacht en de Romeinen ingesloten en gaf na lange innerlijke strijd in Gethsemané zijn plan op en aanvaardde dat God een ander plan had, dat mede tot zijn dood zou leiden. Zo ook liet God niet toe dat het messiaanse visioen van Paulus met betrekking tot de eenheid van joden en heidenen verwerkelijkt werd. Achteraf kunnen we misschien zeggen: dat was wijs van God, want de Christenheid raakte zo verstrikt in de heersende machten, dat we dankbaar mogen zijn dat God niet alles op één kaart heeft gezet. Het is veelzeggend, dat de naam 'Edom', in vroeg-joodse bronnen de code-naam voor het Romeinse rijk, in latere joodse bronnen de aanduiding werd van de christelijke kerk.
Betekent dit nu, dat ik een 'twee-wegen-leer' verdedig, volgens welke leer er een weg voor de joden en een voor de christenen zou zijn? Nee! Er is slechts één weg! De weg die God aan Israël heeft geopenbaard, de weg die begint met Abraham en die doorloopt tot de verlossing der wereld. Er is één verbond! Als heidenen hebben we alleen bepaalde dispensaties gekregen van de geboden die aan Israël waren gegeven. Wij mogen deelhebben aan Gods beloften en onze gehoorzaamheid jegens Hem uitdrukken op een manier die anders is, wellicht meer flexibel en beter passend bij de bijzondere omstandigheden waarin we op de verschillende delen van de aardbol leven. Wat de plaats van het joodse volk op deze ene weg van God en binnen dit ene verbond betreft, kunnen we een vergelijking maken met de plaats van de stam Levi onder de andere stammen van Israël. De stam Levi kreeg een aantal speciale geboden die hem onder een stringenter voorschrift plaatste. Op dezelfde manier leeft het joodse volk met de Halacha, terwijl de heidenen hun gehoorzaamheid op eenandere, misschien flexibeler wijze mogen laten zien.

De visie van Schoneveld heeft ook praktische consequenties. Zo moeten we een jood die christen wil worden – en dat betekent in Schonevelds woorden: die besluit om de messiaanse Midrasj aan te nemen – geen doop opdringen, want de doop ontneemt hem zijn joodse identiteit. Daarnaast noemt hij in zijn artikel een aantal oecumenische consequenties die ik hier verder laat rusten. Even ter verduidelijking: hierboven is enkele malen het woord' Midrasj' gebruikt. Dat woord betekent letterlijk 'uitlegging' en is de aanduiding voor de synagogale Schriftuitleg. De aanduiding 'Messiaanse Midrasj' gaat er dus van uit dat de gemeente van Jezus Messias een synagoge binnen het Jodendom vormt, en dat deze Messiaanse gemeente zich in haar Schriftuitleg alleen van het Jodendom onderscheidt, doordat men de relatie legt tot Jezus. Het is al met al een nogal ingrijpende stellingname. Toen ik het artikel in november '78 onder ogen kreeg, was mijn eerste gedachte: Hier zal het laatste woord nog wel niet over gezegd zijn. Het is ook een onduidelijke stellingname: enerzijds trekt Schoneveld de christelijke gemeente geheel binnen het Jodendom, anderzijds wil hij niet weten van 'twee heilswegen': een weg voor de jood en een weg voor de christen.

Het afwezige woord
In de discussie in Ter Herkenning heeft zich onder meer prof. Hasselaar gemengd. Hij probeert Schonevelds intenties recht te doen, maar oefent niettemin scherpe kritiek op hem uit:

Schoneveld wil Jezus eigenlijk niet Messias noemen. De Messias brengt zichtbare, leefbare vrede op aarde en oefent een 'echt' koningschap uit. Men kan dat van Jezus niet zeggen. En Paulus stond een visioen van eenheid voor ogen, dat geen werkelijkheid geworden is. Het is niet te laken dat Schoneveld aan deze dingen zwaar draagt. Naar ik vermoed, hoort hij zulke woorden dagelijks. Maar het is laakbaar (als ik mij zo mag uitdrukken) voor een christenmens het koningschap en koninkrijk van Jezus Christus niet als het realissimum te beschouwen en te vergeten dat Paulus niet naar een visioen toespreekt, maar vanuit een gevallen beslissing. Het niet-aanschouwelijke behoort bij het Messiasambt van onze Heer. Beter gezegd: de verborgenheid. Ik weet dat de afgrond van het spiritualistisch misverstand een grote zuigkracht uitoefent en wanneer is de kerk niet in die afgrond gevallen? Maar Jezus als Messias belijden is een eschatologisch spreken, dat een zakelijke dialoog moet mogelijk maken. De weg, die Schoneveld wijst, acht ik voor jood en christen in hoge mate onzakelijk. In wezen wordt zo de eenheid van de Schriften prijsgegeven aan rehgieuze pluriformiteit.
Mijn kritiek moet zich verscherpen bij Schonevelds uitlegging van de 'toedracht' in Gethsemané. De worsteling van de Heer zou geweest zijn te moeten afzien van de vestiging van het messiaanse koninkrijk (via opstand (pag. 179-180). Deze utiliteitsinterpretatie is mij volstrekt onbegrijpelijk. Ik kan alleen maar hopen dat mijn theologische broeder, die verantwoordelijkheid draagt namens de kerk der reformatie, op deze exegese (die de naam niet verdient) radicaal terugkomt. De perikoop over Jezus' verzoekingen (beproevingen) in het begin der evangeliën wijst ons in geheel andere richting. Naar de Exodus, die volbracht is. Helaas moet ik zeggen, dat mijns inziens in dit artikel het woord, waarin jood en christen elkaar in het aangezicht mogen en moeten zien, afwezig is. Het woord, dat de apostolische prediking als zg. messiaanse midrasj verhindert een keuze-mogelijkheid te zijn.

Ik heb met opzet deze discussie wat breed weergegeven. Een persoverzicht is niet de plaats om breed op een en ander in te gaan. Dat zou een artikelenserie vergen. Wel moge hetgeen gereleveerd is u duidelijk maken dat wanneer we nadenken over de relatie tussen Christenen en Joden de gehele dogmatiek op tafel komt, zowel de Christologie als de kerkleer, zowel de relatie tussen verzoening en verlossing, als de vragen rondom de Heilige Geest en de eschatologie.
De waarschuwing van Schoneveld om niet toe te geven aan een christelijk (of moet ik zeggen: onchristelijk?!) triomfalisme is terecht. Dat heeft enorme schade aangericht. Maar dat neemt de vragen aan zijn adres niet weg. Ik noem er twee: a) Loopt Schoneveld niet het gevaar te vervallen in een judaïserend denken dat de christelijke gemeente reeds in Paulus' dagen bedreigde, en waarbij niets minder dan de belijdenis van de rechtvaardiging van de goddeloze op het spel staat? b) Schoneveld ziet de weg die begint met Abraham doorlopen tot de verlossing der wereld. Op die weg gaan Joden en Christenen. Echter de vraag is: Loopt die weg ongebroken door? Staat op het snijpunt van die weg niet het kruis van Golgotha dat de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid is? En komt men niet in conflict met Romeinen 3 en 4 wanneer we de continuïteit tussen Abraham en de gemeente losmaken van het werk van Jezus Christus in kruis en opstanding? Losmaken ook van het geloof in Christus als de weg om in het heil te delen? Nog anders gezegd: Is het kritieke punt in zijn artikel niet zijn visie op de Messias die m.i. zich noch vanuit het Oude Testament, noch vanuit het Nieuwe Testament laat rechtvaardigen?

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's