Antwoord aan drs. J. A. E. Vermaat
Het verheugt mij dat de heer Vermaat in zijn beide artikelen 'Künneth en Douma – waarom gaan beiden uiteen?' op een belangrijk punt zich kan vinden in mijn artikelen, nl. waar het mijn kritiek op de tweerijken-leer betreft, zoals die door lutherse theologen, met name ook door Künneth, verdedigd wordt. Daarover loopt ons geschil dus niet. Waarover dan wel? Ik noem de volgende punten:
1. Ik zou in Künneth een man hebben laten vallen die zijn sporen 'wis en zeker wel' verdiend heeft. 'Wie het op bepaalde theologische onderdelen niet met de man eens is, behoeft hem daarom nog niet zó af te schilderen dat er helemaal niets van hem over blijft. Dat doet nu Douma', aldus Vermaat. Laat ik Vermaat gerust stellen. Künneth heeft zijn sporen inderdaad dubbel en dwars verdiend. Ik heb dat ook nergens ontkend. Integendeel, ik heb gezegd dat er alle reden voor was om Künneth op het jongste congres in Frankfurt bij het tienjarig bestaan van het Theologisch Konvent een feestbundel aan te bieden. Ik heb de man geleerd en vroom genoemd, en meen dat allebei.
Als Vermaat van mij vraagt om van Künneth te zeggen: 'Ondanks alles gevoel ik mij ten diepste met u verbonden!', dan kost mij dat géén moeite. Na het forumgesprek in Frankfurt, waarin zowel Künneth als ik zitting hadden, heb ik hem, terwijl we het toch niet met elkaar eens waren geweest, mijn respect betuigd voor alles wat hij ten bate van de Duitse Bekenntnisbewegung gedaan heeft. Ik dacht dat zoiets moest kunnen: op onderdelen ingrijpende kritiek kritiek oefenen, zonder van iemand 'helemaal niets' over te laten.
2. Vermaat meent dat ik Barth uitspeel tegen Künneth. Zo van: Barth was in de dertiger jaren zo'n flinke man tegenover Hitler, terwijl Künneth het er bij liet zitten. 'Men kan', schrijft Vermaat, 'Barth missen als kiespijn, maar als men hem ergens tegen iemand in het geweer kan brengen, laat men dat niet na.'
Het verdriet mij dat dit op papier staat. De gang van zaken was als volgt: Künneth schreef in zijn autobiografie over Barth op een wijze die ik zakelijk zéér onbillijk acht. Barth wordt in Künneths boek feitelijk als een revolutionair in de Hitler-tijd afgeschilderd. Ik protesteerde daartegen in De Reformatie. Speel ik nu Barth tegen Künneth uit, óf kom ik op voor de eer van een man die aan de kerk ongetwijfeld veel kwaad heeft berokkend, maar daarom nog wel lof verdient voor zijn verzet tegen Hitler? En was het daarbij niet op z'n plaats, juist waar het over de tweerijken-leer ging, op evidente zwakheden in de houding van Künneth tijdens de dertiger jaren te wijzen?
Het is een beetje vreemd bij Vermaat. Als ik kritiek op Künneth heb, schijn ik de hele man en diens werk neer te halen. En als ik waardering voor Barth heb, schijn ik niet meer kunnen zeggen (wat Vermaat zegt) dat Barth na de oorlog 'heel wat ernstiger is uitgegleden dan Künneth ten aanzien van de vooroorlogse situatie'. Ik ben het daar mee eens. En als ik zou moeten kiezen tussen Barth of Künneth, koos ik Künneth. Maar dan mag ik nog wel kritiek oefenen op Künneth. Ook als Barth na de oorlog in zijn beoordeling van Stalin en het communisme grondig fout is geweest, dan betekent zoiets tóch nog niet dat ik hem tegenover Künneth niet mag eren om zijn moed en goed inzicht in zijn strijd tegen het nationaal-socialisme.
Ik begrijp ook niet goed hoe Vermaat kan schrijven dat Barth in het nationaal-socialisme 'vooral een politieke en niet óók een geestelijke tegenstander' zag. Zijn er geen Barmer Thesen verschenen?
3. Dat ik grote sympathie heb voor dr. Georg Huntemann in Bremen, die door Vermaat ten onrechte een 'Duitse lutheraan' wordt genoemd, heeft Vermaat goed begrepen. En dat ik het met Huntemann in kerkelijk opzicht ook méér eens ben dan met Künneth en met Vermaat zelf, is hem natuurlijk niet ontgaan. Alleen vind ik het jammer dat Vermaat dan schrijft: 'Douma had natuurlijk al lang zijn kerkelijke bezwaren tegen Künneth, doch hij heeft na enig zoeken eindelijk (curs. van mij, J. D.) enkele andere bezwaren daaraan kunnen toevoegen zoals in de Reformatie ten overvloede blijkt.' De heer Vermaat ken ik als een vriendelijk mens, maar hier doet hij lelijk. Ik ben mij er niet van bewust op zoek te zijn geweest naar bezwaren om eindelijk (!) aan mijn toch al tegen Künneth levende bezwaren er nog een paar te kunnen toevoegen.
4. Het zwaarst komt de volgende uitspraak van Vermaat aan: 'Voor Douma is er maar één echte kudde, namelijk de ware kerk, die in 1944 door prof. Schilder is bijeengeroepen rond art. 31 NGB.' Dat het artikel 31 van de Kerkorde moet zijn en niet van de Ned. Geloofsbelijdenis is nog maar een kleinigheid bij de grove vertekening van wat hier over Schilder en de zijnen beweerd wordt. Prof. Schilder heeft destijds geen kerk bijeengeroepen, maar als geschorst en afgezet hoogleraar en dienaar des Woords bleef hij op zijn post, terwijl veel kerkeraden en predikanten hetzelfde deden. Dóórgaan met hun ambtelijke arbeid, ook al zei een generale synode: stoppen ermee. En niet omdat Schilder een kerk om zich heen verzamelde, maar omdat zij uit gehoorzaamheid aan Christus geen deel wensten te hebben aan synodale bindingen en schorsingen, braken zij met dit synodale verband. Om gereformeerde kerken te blijven.
Vermaat zegt wel dat hij het 'recht op afscheiding' niet bestrijdt (dat hij wil plaatsen naast het recht om in de eigen kerk te blijven 'zolang dat nog kan'), maar men zou het niet geloven als vlak daarop aan Schilder en de zijnen zo'n passage gewijd wordt.
Wat mijn eigen opvattingen over de kerk betreft, mag ik de heer Vermaat naar vele artikelen in De Reformatie verwijzen. Ik geloof dat hij na lezing daarvan niet meer zal schrijven wat hij mij nu in de schoenen schuift. Er is in De Waarheidsvriend wel eens billijker over mijn standpunt geoordeeld dan hier in een paar regels gebeurt.
5. Vermaat schrijft tenslotte: 'Wie óns verzet tegen de machten van de tijd afschrijft, dient ook desgelijks Groen van Prinsterer af te schrijven. Maar dát doet men niet, want juist in vrijgemaakte kring heeft hij vele bewonderaars.' Waarom toch die taal van 'alles of niets?' Ik heb toch niet de Bekenntnisbewegung, de Gereformeerde Bond in Nederland, of wat verder ook maar, als waardeloos afgeschreven wanneer ik het betreur dat het tot kerkelijke reformatie niet komt? Zal ik het vele goede dat én in Duitsland én in Nederland in genoemde gemeenschappen gebeurt, verachten als ik op het kerkelijk aambeeld van vereniging van de ware christgelovigen en op afscheiding van hen die niet van de kerk zijn, blijf hameren? Kan ik Künneth, Vermaat, Groen van Prinsterer, of wie ook, niet in verscheidene activiteiten waarderen, terwijl ik toch op hun kerkelijk standpunt mijn kritiek laat horen? Ging ik naar Frankfurt omdat het daar tóch niets is? Ontken ik dat de heer Vermaat en de zijnen zich menigmaal krachtig verzetten tegen de 'machten van de tijd?' Maar ik had graag dat dit verzet krachtiger was door geen compromis te dulden tussen geloof en ongeloof, door van een kerk afscheid te nemen die aan beide haar plaats gunt.
Voor mij blijft het op grond van onze gemeenschappelijke formulieren van enigheid verkeerd dat geloof en ongeloof in een kerkelijke gemeenschap gelijke rechten hebben, en dat men daarin feitelijk berust. Men kan namelijk op verschillende manieren berusten: door óf eindeloos te protesteren (zonder dat er bloed uit voortvloeit), of helemaal niet meer te protesteren en zich een zo breed mogelijke eigen plaats in de kerk te verwerven. Dat laatste nemen de modernisten wel, als wij het maar nemen dat ook zij hun plaats behouden.
Daarom bestrijd ik hier het comrpomis. Ook omdat het het goede, waarvan ik dankbaar notitie neem, vaak zo van zijn kracht berooft. We gebruiken soms geweldige woorden (denk aan de congressen in Duitsland!), maar zijn het geen stormpjes in een glas water?
Ik mag Vermaat nog aanraden het jongste boek van Huntemann te lezen: Die Kirche muss anders werden. Ik gaf ervan een bespreking in De Reformatie van 9 juni jl. Huntemann laat zien hoe de kerkelijke gemeente in Duitsland geen gemeenschap is. Hij zegt niet veel anders dan wat ik geschreven heb over de noodzaak om de schapen die dicht bij huis zijn (in eigen gemeente!) te vergaderen tot een echte kudde van de Grote Herder, bijeengehouden door hetzelfde geloof. Misschien zal het woord van Huntemann Vermaat eerder overtuigen dan een woord uit vrijgemaakte mond gesproken. Gelukkig zijn er ook nog niet-vrijgemaakten die het zeggen. Het is ook een eenvoudige bijbelse boodschap!
De redactie van De Waarheidsvriend dank ik hartelijk voor de ruimte die ze mij gaf om op de beide artikelen van de heer Vermaat te reageren!
J. Douma, Kampen, 15 juni 1979
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's