De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De ambten der kerk (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De ambten der kerk (3)

7 minuten leestijd

Ouderling
Komen wij nu tot het ouderlingschap door wier orgaan Christus meer in het bijzonder zijn koninklijk ambt bij voortduring uitoefent, ook hier is veel te vermelden. Het leraarschap heeft zich eigenlijk uit het veelomvattende ouderlingschap ontwikkeld. Reeds onder Israël genoten de ouderen van dagen een buitengewoon aanzien. Ook in de christelijke kerk vormden zij, zonder in een ambt te staan, een min of meer afzonderlijke stand, een meer gevorderde groep. Toen de behoefte aan organisatie en leiding zich bij de uitbreiding der gemeente deed gevoelen, traden ze geheel vanzelf op de voorgrond, en het is uit deze groep, dat nu de ambtsdragers gekozen werden om zowel het Woord te bedienen als ook opzicht over de kudde te houden. Zij waren van toen af niet alleen ouderlingen naar hun leeftijd gerekend, maar werden het ook naar hun ambt. Zij arbeidden in het begin ook wel in het Woord en de leer, maar later vormden deze leerouderlingen een afzonderlijke tak die uitgroeide tot het herder- en leraarsambt. De regeerouderlingen bleven over, die met de predikers samen de gemeente moesten leiden. Hierbij is alle dwang verboden. Vergaderingen bijwonen is nodig, maar in het bijzonder huisbezoek doen om het aangezicht van de schapen te kennen. In de pastorale brieven wordt een lange lijst van eigenschappen voorgehouden om aan het ouderlingschap te voldoen. Het gaat te ver om deze hier te herhalen; dit zij alleen maar aangestipt dat het gaat om mannen die liefde tot Christus hebben en liefde tot de gemeente, maar daarbij hun Bijbel grondig kennen. Waakzaam in is alles. Laat ieder ambtsdrager zich aan deze dingen onderzoeken. Bij deze dingen worde ook nog aangemerkt, dat een verborgen oefening in het woord dienen zal om voldoende acht te hebben op het gehalte van de prediking. Voor dwaalleer moet de gemeente worden bewaard – ook dat is hun roeping: Gods Woord draagt het hun op. Waakzaamheid dus, zodat het Woord van God helder kan doorklinken tot de gemeente.

Diaken
Eindelijk oefent Christus door de diakenen zijn priesterlijk ambt van ontferming over het ellendige uit. Ook deze bediening lag oorspronkelijk in het apostelschap besloten, maar werd er door de drang der omstandigheden uit tevoorschijn gelokt om voortaan als een eigen ambt op te treden. Oorspronkelijk werden er bij de samenkomsten der gemeente gemeenschappelijke liefdesmaaltijden gehouden en na afloop daarvan werd het Avondmaal gevierd. De meergegoeden namen voedsel mee voor de armlastigen. Nu waren er bepaalde weduwen in de bedeling verzuimd. De discipelen groeit de diakonale zorg boven het hoofd. Een arbeidsverdeling wordt voorgesteld. De discipelen blijven bij de bediening van het Woord, een zevental diakenen neemt de armenzorg op zich. Toen is de dienst der tafelen geboren. Ook de eisen aan dat ambt zijn niet gering gesteld. In vele opzichten komen ze overeen met die van het ouderlingschap. Dienaren van Jezus Christus moeten ze allereerst zijn en niet ontbloot van tact voor hun tere werk. Ruim van hart en scherp van blik, teer van hand onderdanig aan Christus – zie, zo weerspiegelt in het diakenambt zich iets van Christus' liefde! Gezegend is de kerk, waarin Christus gewillige organen vindt om zijn drievoudig ambt te vervullen. Het kan niet genoeg worden bedacht, dat de keuze van ambtsdragers voor het welzijn van de gemeente alles betekent. Zij zijn het toch die middellijkerwijze de predikanten beroepen. Grondige kennis en liefde blijven in dit alles voortdurend nodig.

Algemene ambt der gelovigen
Wij zijn nu genaderd tot ons laatste punt. Het is niet ondienstig op te merken dat de kerkelijke ambten allerminst als een vreemde macht over en boven de gemeenten zijn gesteld. Welneen, het kerkelijk ambt komt op uit wat onze belijdenis ergens het ambt der gelovigen zelf noemt. Een eenvoudig voorbeeld kan deze gedachte toelichten. Wie een boom in de tuin beziet, en deze aandachtig beschouwt, ziet eerst de stam uit de aarde oprijzen. Die stam splitst zich weldra in een paar hoofdtakken. En al verder voortgaande bemerkt u dat uit ieder van die hoofdtakken weer takken, fijner geleed, voortkomen met haar bladeren. Zo is de stam het fundament, waaruit geheel de boom als een kunstwerk voortspruit. Welnu, zo is het apostelambt het vaste - grondleggende ambt, dat door Christus zelf is ingesteld. Het splitst zich in de drie kerkelijke ambten, waarvan wij gesproken hebben, maar die drie ambten zetten zich nu ook voort door het lichaam der gemeente zelf en zijn feitelijk de concentratie van het drievoudig ambt dat bij de gelovigen zelf berust. Wij weten immers dat alle gelovige lidmaten de zalving van Christus deelachtig zijn. Het profetisch ambt blijft dus niet beperkt tot de dienaren van het Woord, al vindt het op de kansel zijn rijkste ontplooiing. Elk hoofd van een gezin dient een man te wezen die op eenvoudige manier het Woord kan uitleggen aan vragende kinderen. U weet ongetwijfeld ook wel dat er in die zin heel eenvoudige gemeenteleden zijn geweest, die een diep inzicht hadden in het Woord, een ander soms raak konden antwoorden in bepaalde situaties, ook al bekleedden ze helemaal geen ambt. Wulfert Floor, onder ons nog wel bekend, is een voorbeeld geweest van een eenvoudig Christen zonder ambt, die toch de gave bezat geestelijke dingen met ongelofelijke diepte uit te leggen.
Hetzelfde geldt van het koninklijke regeerambt, dat wel speciaal op de ouderlingen met de leraren samen is gelegd, maar waarmee ook de gelovigen zijn bekleed. Zij hebben soms de gave om leiding te kunnen geven, zij kunnen de dwalenden terechtbrengen, weten de wegen tot verlossing te wijzen. Niemand onder hen heeft zichzelf alleen, maar elk is herder over de ander, niet uit lust van iemand de wet te stellen, maar opdat geen lid van de gemeente behoeft te klagen, dat niemand zorgt voor zijn ziel. Leiding en besturing hebben wij allen nodig. Hebt u die gave ontvangen, oefen ze rustig uit. God zal u gelegenheid geven om uw licht daartoe te doen schijnen.
Eindelijk noem ik nog het priesterlijk ambt, wie zal het tot de officiële diakenen willen beperken? Het is wijder van omvang. Anders wordt de gemeente beroofd van de schat van liefde, die de Heilige Geest in de harten van de kinderen Gods heeft uitgestort. Geheel spontaan leven ze onder drang van Christus' liefde om zich neer te buigen over al wat ellendig en hulpeloos is. In de opwekking van het Reveil van de vorige eeuw hebben vele mannen en vrouwen het als hun levenstaak gevonden om door middel van bewijzen van arbeid der liefde vele levens te behoeden en te bewaren. Vele van onze nog bestaande christelijke inrichtingen van barmhartigheid hebben daar uit hun oorspromg. Op deze wijze wordt de dienst van Christus al maar fijner vertakt en verdeeld – het zijn waterstromen, die het gehele land willen bevloeien om te bevruchten, al wat met ze in aanraking komt.

De drie kerkelijke ambten zijn niet mechanisch op de gemeente gezet, maar organisch met haar verbonden. Ze rusten op de brede grondslag van het algemene ambt der gelovigen. Voor die ambten zijn niet allen geschikt, al hebben ze ook veel invloed en ontwikkeling. Ze moeten als broeders uit de gemeente zelf opkomen, met haar één geloof belijden, zich openbaren in een eerlijke wandel van Gods aangezicht, daarbij kalm het moment afwachten dat zij geroepen worden. De Heere kent ieders talenten en gaven en zal ons op zijn tijd tot de bediening roepen zonder dat wij zijn werk proberen te verhaasten. Dan komt het er op aan, of men niet maar uitwendig door de kerk, maar inwendig door de Heere zelf geroepen is. U verneemt dan geen stem uit de hemel of u ontvangt geen gezicht – de innerlijke roeping openbaart zich in een heilige lust tot het ambt en in beginsel door een zekere bekwaamheid en geoefendheid in het heilig Woord van God. Rekenschap af kunnen leggen van de hoop in ons, niet vreemd aan de kenmerken der genade te zijn, bovenal liefde bezitten tot God en Christus, en zijn heilige kerk. Zie dat is de diepste drijfveer – die bij geen ambtsdrager ontbreken mag, maar ook bij geen enkel lid der gemeente. En eerst wanneer men die vraag, beschaamd over veel zonde, voor Gods aangezicht bevestigend beantwoorden kan: Heere, u weet dat ik u liefheb, – eerst dan kunt u het ambt ontvangen. U zoekt dan niet uzelf, maar alleen de verheerlijking van God.

A. v. Brummelen, Huizen (N.H.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De ambten der kerk (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's