De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijdenis der Hugenoten (9)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijdenis der Hugenoten (9)

De Confessio Gallicana

8 minuten leestijd

Vergeving der zonden
Wij bieden nu eerst de vertaling van een viertal artikelen uit de Gallicana. In elk ervan gaat het in feite om hetzelfde. Om welke reden deze Belijdenis over dit ene thema zo ruimschoots spreekt, komt straks aan de orde. Eerst nu dus de vertaling.

Art. 16. Wij geloven dat God toen Hij zijn Zoon zond, zijn liefde en onwaardeerbare goedheid jegens ons heeft willen betonen door Hem in de dood over te geven en Hem op te wekken om alle gerechtigheid te vervullen en om het hemelleven voor ons te verwerven.

Art. 17. Wij geloven dat wij alleen door het enige offer dat de Heere Jezus Christus aan het kruis volbracht heeft met God verzoend zijn, zodat wij door Hem voor rechtvaardig gehouden worden, daar wij Hem immers niet behagen kunnen en ook niet deel kunnen hebben aan de aanneming tot kinderen tenzij Hij ons onze zonden vergeeft, ja ze ook begraaft. Daarmee betuigen wij dat Jezus Christus onze algehele en volrhaakte reinigmaking is, dat wij in zijn dood een volkomen genoegdoening hebben om ons van onze misdaden en ongerechtigheden, waaraan wij schuldig staan, te bevrijden, en dat wij niet kunnen worden verlost dan alleen door dit middel.

Art. 18: Wij geloven dat al onze gerechtigheid rust in de vergeving der zonden, welke dan ook onze enige troost is. Daarom verwerpen wij alle andere middelen om ons daarmee voor God te rechtvaardigen. Zonder ons te beroemen op enige deugden of verdiensten houden wij ons enkel en alleen aan de gehoorzaamheid van Jezus Christus, die ons toegerekend wordt, zowel om al onze zonden voor God te bedekken als om genade te vinden in Gods ogen. Wij geloven in waarheid dat wij, als wij van deze grond, al is het nog zo weinig, afwijken, nergens rust zullen vinden, maar immer van onrust opgejaagd zullen worden. Wij geloven dat wij nooit vrede met God zullen hebben dan alleen wanneer wij, die het waardig zijn gehaat te worden, er van verzekerd zijn dat wij in Jezus Christus door God geliefd zijn.

Art. 19: Wij geloven dat wij door dit middel de vrijheid genieten en het voorrecht hebben om God aan te roepen in het volste vertrouwen dat Hij Zich jegens ons betonen zal als een Vader. Tot deze Vader zouden wij geen toegang hebben als Hij niet zelf ons de weg gewezen had door Jezus Christus de Middelaar. Om verhoring te vinden in zijn Naam past het ons uit Hem, die ons Hoofd is, het leven te halen.

De sola's
Het zijn de zuiver reformatorische sola's die wij hier beluisteren kunnen. Alleen Christus, alleen genade, alleen geloof. Als het daarover ging, dan spraken de vaderen exclusief. Dan beslist niet een én-én, maar een óf-óf. Hoezeer zij ook benadrukten de noodzaak van strijd tegen de zonde, van het ware berouw en van de goede werken, inzake de rechtvaardiging voor God telt niets van dit alles mee. Dan is het alleen Christus en alleen genade.
Daarin gaat het om de ware troost en zekerheid des heils. Dat is dan ook de reden waarom er, zo dunkt ons, zo breedvoerig over gesproken wordt. De CG heeft in deze artikelen iets weg van een preek. En inderdaad, in deze trant en met deze en dergelijke bewoordingen is er ook werkelijk door de hervormers gepreekt. Het mag geen moeite kosten ook nu nog over deze dingen te preken. Zij hebben een blijvende actualiteit.

Vertrouwen
Het is maar goed dat onze belijdenissen niet in de 18e of 19e eeuw zijn opgesteld. Ik vrees dat zij dan nooit de kloeke geloofstaal zouden hebben kunnen krijgen. Er zou meer voet gegeven zijn aan allerlei twijfelingen. Er zou meer van de vrome-mens in verwerkt zijn. En zouden er in onze tijd belijdenissen worden opgesteld, dan zou er meer van de moderne mens in verwerkt worden.
In de oude belijdenissen lezen wij de taal des geloofs. En dat geloof kent zeker zijn strijd en twijfel, maar strijd en twijfel bepalen niet het wezen van het geloof. Want het geloof ziet niet op zichzelf, maar op God, zijn Woord en zijn beloften. En dan klinkt de Vadernaam, zoals ook hier (art. 19). Niet slechts als lippentaal, maar als taal van hart en mond beide.
Soms bekruipt de vrees mij dat wij toch wel ver van dit geloof en van deze kloeke geloofstaal verwijderd zijn geraakt. En dan zoek ik naar oorzaken. Zou het niet tijd worden zich daar in brede kring, dat wil zeggen onder hen die waarlijk reformatorisch willen zijn, op te bezinnen?

Gods beloften
Art. 20: Wij geloven dat wij alleen door het geloof aan deze gerechtigheid deel hebben, gelijk Christus zelf zegt wanneer Hij betuigt dat Hij geleden heeft om het heil voor ons te verwerven, opdat wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan (Joh. 3 : 16), en wij geloven dat dit geschiedt voorzover de beloften des levens, die ons in Hem gegeven zijn, dienstig zijn tot onze zaligheid. En wij bespeuren hun werking wanneer wij ze aannemen, en, door Gods eigen mond verzekerd zijnde, er niet aan twijfelen dat wij geenszins beschaamd zullen worden. Zo hangt dus de gerechtigheid die wij verkrijgen door het geloof af van Gods genadige beloften waardoor Hij ons verklaart en betuigt dat Hij ons liefheeft.

Het is voluit reformatorisch te zeggen dat het geloof hangt aan de beloften Gods. Men hoort het ook hier.
Het is opvallend dat art. 20 van CG geen parallel artikel in de NGB naast zich heeft. Wie de tekstuitgave van de Nederlandse Belijdenisgeschriften van prof. Bakhuizen van den Brink in zijn bezit heeft, kan dit gemakkelijk nagaan. Hier vindt men iets beleden wat niet zó als het hier voorkomt terug te vinden is in de NGB. Dat wil echter allerminst zeggen dat het aan de NGB vreemd zou zijn. Ook daar is sprake van een rusten van het geloof in de beloften Gods; alleen, 't komt minder breedvoerig ter sprake.
Men lette er echter op, hóe over het geloof in de beloften Gods wordt gesproken. Niet 'goedkoop', zoals helaas ook weleens het geval is. Alsof het louter een zaak van beredeneren zou zijn. Als hier in dit artikel gezegd wordt: wij twijfelen er niet aan, dan staat de strijd op de achtergrond. Dan gevoel ik daarin iets van wat de Psalmdichter zegt: O mijn ziel, wat buigt ge u neder; voed het oud vertrouwen weder! Dan moet ik denken aan het geloof van Abraham, die hope tegen hope zijn zoon offerde. Dit geloof is een geloof dat beoefend wordt; waarin het 'nochtans' meeklinkt.
Als het hieruit weggehaald wordt dan, is het niet meer het geloof dat hier beleden wordt, ook al heeft het er de uiterlijke schijn van.
Hetzelfde moet gezegd worden van het woord 'aannemen' dat hier gebruikt wordt. Er is waarlijk een aannemen van de beloften Gods. Vrees voor een misbruik dat hiervan gemaakt kan wórden, mag ons er niet toe verleiden dit woord (en de zaak zelf) prijs te geven. Ook onze Heidelbergse Catechismus gebruikt meer dan eens het woord 'aannemen'. Trouwens, de Schrift doet het, gaat ons er in voor. Maar wát voor een aannemen is het?
Er is een aannemen als redelijke conclusie; zulk een aannemen is dood, levenloos, krachteloos, vruchteloos. Maar er is ook een aannemen dat hartelijk is, en zulk een aannemen werkt de Heilige Geest in ons. Zulk een aannemen is levend, krachtig en vruchtbaar. Tot zulk een aannemen mag de gemeente worden aangespoord, het is hetzelfde als wanneer wij haar roepen en vermanen tot het geloof. Gelijk ook Christus zelf gedaan heeft, die preekte: Bekeert u en gelooft het Evangelie. En Paulus en de andere apostelen trachtten de mensen te bewegen tot het geloof.
Er zijn twee uitersten, die, op grond van Schrift en Belijdenis, vermeden moeten worden. Een lichtvaardig aannemen van de beloften Gods. Een aannemen dat buiten het hart omgaat; en daarom ook geen vrucht draagt. Maar aan de andere kant: een zichzelf en anderen afhouden van het rechte aannemen van de beloften Gods. Dat kan de schijn hebben van rechtzinnigheid, of zelfs extra grote en gestrenge rechtzinnigheid, en toch is het geen rechtzinnigheid; het is het naakte ongeloof. Wet en Evangelie beide dringen aan op het geloof, elk op eigen wijze. De Wet zegt ons dat wij geloven moeten en niet kunnen; het Evangelie leert ons dat wij geloven mógen, en dat God Zelf door zijn Geest het in ons wil werken.
De Schrift spreekt op een onbevangen wijze over het aannemen van Christus, een aannemen van het Woord Gods en een aannemen van de beloften Gods. Dat onbevangen spreken vindt men nu ook in onze belijdenisgeschriften; ook hier in de Gallicana. Dat moeten wij handhaven. Wij mogen het niet wégdogmatiseren, niet krachteloos maken met onze systemen. Waar het echter wel op aankomt is dat men het voluit bijbels stelt. Niet één toon alleen aanslaat, maar meerdere, zo mogelijk tegelijk. Men mag niet negeren de verbanden waarin over het geloof en het aannemen van de beloften Gods gesproken wordt. Men mag het niet isoleren van wat de Schrift zegt over Christus, over onze verdorvenheid, onmacht tot enig goed, dus ook onmacht tot het geloof. Wanneer men tracht rekening te houden met deze verschillende gegevenheden, dan spreekt men zowel naar de Belijdenis als naar de Schrift.

K. Exalto

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Belijdenis der Hugenoten (9)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's