Van Boven moet het alles komen
God, Die de wasdom geeft.1 Korinthe 3 : 7b
De apostel Paulus gaat op een bijzonder kiese wijze met de gemeente van Korinthe om. Op grond van het heersen van naijver en twist komt hij tot de conclusie, dat zij niet rijp zijn voor dieper inzicht, al menen zij van wel. Want zij roemen in bepaalde leiders en bewijzen daarmee hun wereldse gezindheid. Zij zien hierdoor het werk van God voorbij, dat onder hen verricht wordt. Paulus en Apollos zijn toch niet anders dan mensen, door wier dienst zij tot geloof gekomen zijn? Want God alleen geeft aan de arbeid Zijner dienstknechten de wasdom. Dit heft het onderscheid niet op, dat er tussen ieders taak en prestatie bestaat. Doch dit behoeft niet tot rivaliteit en partijschap te leiden. Paulus en de zijnen zijn Gods mede-arbeiders, en de gemeente is Gods akkerwerk. Ziedaar met enkele woorden het verband van het vers hierboven afgedrukt. Paulus wil de gemeente er van doordringen: de zaaier zaait, maar kan niet altijd de vrucht zien. Zaaier en maaier staan beiden in dienst van de Heere. De zaaier geve de moed niet op; Gods Woord is niet maar een lege klank, maar een werkelijke kracht, het werkt iets uit, brengt iets tot stand. Niet in de heidense magische zin, maar doordat God Zelf door Zijn kracht het Woord in vervulling doet gaan. Het spreekt vanzelf dat Paulus zijn beeldspraak hier ontleent aan het rijk der natuur. Hij vergelijkt datgene wat in het rijk der genade geschiedt met de verborgen bewegingen, die in het rijk der natuur haar oorsprong hebben en vatten we dat in het oog, dan wordt opeens het Bijbelwoord helder en klaar.
Vergelijken wij het geestelijk akkerwerk Gods met wat ons de heerlijke schepping vooral in de lente doet aanschouwen, weldra blijkt het ons, dat God in beide dezelfde kracht openbaart. In beide rijken wordt wasdom gezien. Gelijk het daarbuiten voortstreeft van zaaitijd tot bloeitijd, van bloeitijd tot oogst, zo is ook in het Godsrijk geen stilstand, veelmin teruggang, maar gedurige wasdom de leuze, en hij vindt dan ook werkelijk plaats, waar eenmaal het goede werk in een zondig hart is begonnen. Die wasdom kunnen intussen beide rijken zichzelve niet geven. Zeker, zowel op de akker van het veld als op de akker van het hart hangt er niet weinig van af, of de grond met overleg is bearbeid, of er werkelijk goed zaad is gestrooid, of het gezaaide met voldoende zorg bewaakt, gekweekt en besproeid wordt. Maar met dat al, de wasdom zelf komt enkel en uitsluitend van Boven, en het was meer dan een vrorne verzuchting, het was beide de uitspraak van het geloof en van de diepste levenservaring, die in Paulus' woord ons tegenkhnkt: 'Die het zaad den zaaier verleent, Die vermenigvuldige ook Uw zaaisel, en vermeerdere de vruchten Uwer gerechtigheid.'
Het is daarbij zonder twijfel van grote betekenis, dat de grote Gever van de wasdom beide in het rijk van de natuur en der genade dezelfde regels volgt. In beide geeft God wasdom, maar alléén waar eerst in diepe afhankelijkheid van Hem geplant en natgemaakt is. De middelen der genade worden bij het verlenen van de wasdom niet buiten werking gesteld, maar veeleer verondersteld en geëist. Al vragen vrome ouders van de morgen tot de avond om het eeuwig heil van hun kroost, dat bidden zou spotten wezen, wanneer zij hun kinderen niet tevens opvoedden in de lering en vermaning des Heeren. Alleen bij het gebruik der middelen geeft God voorts de wasdom, onmerkbaar, langzamerhand en met trapsgewijze voortgang. Niet op eenmaal wordt het spruitje een plant, en de eikel een eik. Niet als bij toverslag staat daar opeens het nieuwe schepsel, in Jezus Christus tot goede werken geschapen. De aanvang van het geestelijk leven is doorgaans voor anderen, dikwijls voor ons zelf bedekt. Vaders in Christus, worden wij niet, zo wij niet eerst mennen, mannen niet, zo wij niet eerst jongelingen en kinderen zijn geweest in Hem. Daarbij, God geeft de wasdom, maar op Zijn eigen tijd en op Zijn bijzondere wijze. Evenmin in het rijk der natuur, als in dat der genade laat Hij op dit punt zich de wet door één Zijner schepselen voorschrijven. Hij is de Heere, Die doet wat goed is in Zijn ogen. Aller mensen kracht kan de zomer niet uit een koude lente te voorschijn drijven, maar ook aller wijzen verstand de oogstdag niet uitstellen, als hoger Wijsheid wil, dat het graan reeds betrekkelijk vroeg zal gerijpt wezen. O, de Heere is zo onnoemelijk vrij en handelt zo koninklijk souverein. De herschepping, die in latere levensjaren bij ons met bewustheid tot stand komt, begint zij niet telkens klein en onbemerkt? Het is een Woord Gods, dat des zondags in de kerk, of op een andere plaats en op een andere tijd, toen wij het in het geheel niet verwachtten, diep schokkend in de ziel valt, een klein zaadje, een voorbijgeziene Bijbeltekst, een lang vergeten vers – en wij kunnen het niet weer kwijt worden, het klinkt van tijd tot tijd ons gedurig weer in onze oren, het buigt ons neer, en verheft ons op onwederstaanbare wijze, en de verborgen kiem heft eindelijk de aardkorst op. De donkere akker van ons hart, en van ons leven begint groen en versierd te worden met de heerlijkheid der lente. En hoe verandert alles daar als vanzelve? Waar vroeger lichtzinnigheid woonde, heerst plotseling diepe ernst, in plaats van onverschilligheid omtrent Gods Woord, heeft liefde tot Hem, en vragen, onderzoeken, bidden, verlangen naar Zijn genade het hart vervuld.
En hoe geschiedt dit niet in oneindige variatie! Niet alleen het begin is veelvoudig, maar ook de voortgang. De ene heester groeit in de zon, de andere in de donkere schaduw. De wasdom gaat voort in de stilte, maar straks weer wordt hij voorwaarts gestuwd door de storm, die wij meenden, dat alles bederven zou, en die juist van achter blijkt tot onberekenbare zegen te zijn. Wij denken vaak, dat de boom van ons geestelijk leven zorgvuldig moet worden ontzien en gekoesterd, maar God besnoeit hem zo hard, dat hij geheel schijnt ontluisterd, opdat hij juist zo te rijker vruchten zou dragen. Genoeg, God geeft wasdom, maar na tijdelijke teleurstelling steeds in overvloediger mate. En, geleerd, zo toenemen in kennis van Christus.
Wilt gij het hemelse paradijs ingaan? Het kan niet anders dan door u eerst in de akkerhof des Heeren te begeven. Ge moet over u laten ploegen, zaaien en oogsten. Voorwaar, wij gaan door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods binnen. De Heere spaart ons niet, het is waar, maar Gods werk kómt klaar. Daar staat Gods Zoon Zelf voor garant. Hij vergadert nóg door Woord en Geest. 't Hangt niet aan een mens, aan een apostel, zelfs aan Paulus niet, 't hangt alleen aan onze God en Heiland. Lezer, de oude graaf Von Zinzendorf had het wél door toen hij zong:
Leid Gij onzen gang,
Heiland, levenslang.
Voert G'ons op oneffen wegen,
ledere proef word' ons ten zegen.
Voer ons door den strijd
Tot de Zaligheid!
A. v. Br.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's