De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Bonhoeffer over Bijbellezen
Hierboven had ook kunnen staan: De andere Bonhdeffer. Laat ik beginnen met dit te verduidelijken. Bonhoeffer is met name in de zestiger jaren bekend geworden doordat de nieuwe theologie, tot en met de geruchtmakende uitspraken van de God-is-dood-theologie zich op hem beriep, met name op bepaalde passages uit de brieven die Bonhoeffer schreef vanuit de gevangenis en waarin hij zijn gedachten verwoordde over de secularisatie, de religieloosheid van de moderne mens, het kerk-zijn voor anderen enz. Het blijft een moeilijke vraag, in hoeverre dit beroep van de moderne theologie op Bonhoeffer terecht is. Je kunt je afvragen: Heeft men er niet veel meer in gelezen? Je kunt m.i. ook, zoals ten onzent Van Ruler dat gedaan heeft, vragen stellen bij verschillende van Bonhoeffer's uitlatingen over mondigheid.
Maar daar gaat het me hier niet om. Wel om iets anders: De moderne vernieuwingstheologie van de zestiger jaren was niet bijster gesteld op zaken als omgang met God in de binnenkamer. Bijbellezen, gebed, kerkgang. Dat vond men allemaal veel te verticaal en te binnenkerkelijk, te weinig maatschappijbetrokken enz. enz. Men wilde bewust religieloos leven, puur werelds en het Evangelie dientengevolge ook werelds interpreteren, inspelend op de vragen van de moderne mens. Ik herinner me een geruchtmakende uiting van iemand die in die jaren schreef: Bidden is wuiven met je hand in een gebaar van medemenselijkheid..
En onder meer voerde men als kroongetuige voor dit religieloze christendom Bonhoeffer aan. Wat is nu het geval? In het Centraal Weekblad van 26 mei geeft prof. dr. Runia een brief weer van Bonhoeffer aan zijn zwager. De brief dateert uit 1936 en is opgenomen in het derde deel van Bonhoeffer's verzamelde werken. Runia schrijft het volgende:

Op 8 april 1936 schreef Dietrich Bonhoeffer een brief aan zijn zwager Rüdiger Schleiger. Deze brief is gelukkig bewaard gebleven en later in de verzamelde werken opgenomen (III, 26-31). Het gaat in deze persoonlijke brief over de bijbel en hoe je de bijbel leest. Bonhoeffer begint met de uitspraak dat hij gelooft dat de bijbel alleen het antwoord op onze vragen is en dat je heel deemoedig om dat antwoord moet vragen. Je kunt de bijbel niet zo maar lezen als andere boeken. Je moet werkelijk vragen. Het geheim van de bijbel is immers dat God er in tot ons spreekt. En God kun je niet dwingen om te spreken. Je moet Hem vragen. Natuurlijk kun je de bijbel óók wel als een gewoon boek lezen. Je kunt er ook allerlei kritische methoden op toepassen. Maar daarmee blijf je toch nog aan de buitenkant. Als er niet meer gebeurt, dan wordt het wezen van de bijbel nog niet ontsloten.

Het 'vreemde' spreken van God
Maar als je God wilt horen spreken, dan moet je wel goed weten wat je doet. God is geheel anders dan wij mensen en Hij spreekt op een heel andere plaats dan wij graag willen. Als wij zelfde plaats, waar God zou moeten zijn, willen aanwijzen, dan vinden we een God die bij ons past en die ons bevalt. Maar als God zelf de plaats aanwijst, dan gaat het heel anders. De plaats die God aanwijst als de plaats waar Hij te vinden is is het kruis van Jezus Christus.
En wie God dáár wil vinden, die moet goed bedenken dat hij zelf méé moet onder het kruis (denk maar aan de Bergrede). Dat staat haaks op onze hele natuur. Maar dát is nu juist de boodschap van de bijbel. Van de héle bijbel, niet alleen van het Nieuwe Testament, maar ook van het Oude Testament (denk maar aan Jes. 53).

Zo lees ik de bijbel, zegt Bonhoeffer. Ik vraag elke tekst: wat zegt God hier tegen ons? En ik bid dat God het ons zelf wil laten zien, wat Hij te zeggen heeft. Het gaat in de bijbel niet om algemene eeuwige waarheden. Zulke waarheden zijn altijd waarheden die bij mijn eigen 'eeuwig' wezen passen. Nee, het gaat om de wil van God, een God die vreemd voor ons is, die tegen ons ingaat, wiens wegen niet onze wegen en wiens gedachten niet onze gedachten zijn.
Elke andere plaats, buiten de bijbel is Bonhoeffer te onzeker geworden. Hij is bang dat hij dan alleen maar een 'goddelijke dubbelganger' van zichzelf vindt. Hij wil zich aan de bijbel, en de bijbel alléén, houden. Hij is zelfs bereid een 'sacrificium intellectus' (een offer van zijn denken en begrijpen) te brengen, als hij bepaalde dingen in de bijbel niet begrijpt. In ieder geval wacht hij liever tot God op zekere dag een bepaalde tekst, die hij nu niet begrijpt, als zijn eigen Woord bekend maakt dan dat hij zelf met het ontleedmes in de bijbel gaat opereren en naar eigen goeddunken gaat bepalen: dit is goddelijk en dat is menselijk.

Bonhoeffers methode
En dan zegt hij tegen zijn zwager dat sedert hij zo met de bijbel omgaat, deze dagelijks rijker voor hem wordt. 'Ik lees er 's morgens en 's avonds in, vaak ook nog overdag; en elke dag neem ik een tekst (die ik de hele week gebruik) en probeer me er geheel in te verdiepen om hem werkelijk te horen. Daar zonder kan ik niet meer goed leven.'

Bonhoeffer vindt eigenlijk dat we in deze tijd (hij schreef het in 1936, maar zou het ongetwijfeld ook van 1979 gezegd hebben) maar weinig meer van de bijbel weten. Hij heeft het gevoel dat ze in de middeleeuwen (hij heeft net in Hildesheim middeleeuws kunstwerk bewonderd) en in de tijd van de reformatie de bijbel vaak veel dieper hebben verstaan.
'Het zou erg oppervlakkig zijn, geloof ik, als men zegt dat het sedertdien alles zo anders geworden is. De mensen en hun noden zijn zeker dezelfde gebleven. En de bijbel beantwoordt ze vandaag niet minder dan toen.'

Terecht wijst Runia op het belang van deze brief. Ook vandaag hebben veel mensen moeite met het Bijbellezen, of ze laten het na. Echt pastor at, met name aan hen die aan de rand van de rand van de kerk staan, en die toch nog te bereiken zijn, zal ook gericht moeten zijn op het leren omgaan met de Bijbel. Zeker, het verstaan van wat de Here God in Zijn Woord zegt is niet ons werk, het is de gave van de Heilige Geest Die ons het Woord doet verstaan, door verstand en hart te verlichten. Maar wij kunnen Gods Geest ook bedroeven door slordig of op een verkeerde wijze met het Woord van God om te gaan. Bonhoeffer's gedachten zijn zeker de moeite waard. En voor velen zal het een verrassing zijn deze Bonhoeffer te ontmoeten die zo anders is dan moderne theologen vaak beweren. Misschien wilt u tegenwerpen: Ja, maar die brief is in 1936 geschreven. De opmerkingen over mondigheid stammen uit een latere tijd. Heeft Bonhoeffer's denken niet allerlei veranderingen ondergaan? Dat zou op zich natuurlijk niet onmogelijk zijn. Toch gaat dat hier niet op. Wie de gevangenschapsbrieven leest ontmoet daar een Bonhoeffer die dagelijks in de Bijbel leest, kracht put uit de liederenschat van de Kerk der eeuwen, en die volgens het getuigenis van de kamparts biddend de executie tegemoet ging. Ik heb altijd al gedacht: Dat klopt niet met het eenzijdige beeld wat bepaalde vernieuwingstheologen gaven van deze Evangeliedienaar. Wie Bonhoeffer's brief over het Bijbellezen op zich laat inwerken, ontdekt hoe Bonhoeffer zelf ernst maakte met wat hij schreef. De andere Bonhoeffer? Of moeten we niet zeggen: Bonhoeffer zoals hij werkelijk geweest is.

Een terecht beroep?
In het Geref. Weekblad van 11 mei schrijft drs. J. Slomp onder de titel 'Ruimte voor Mohammed?' een artikel over een gedeelte van het boekje van prof. dr. A. Wessels, De Moslimse naaste. Slomp citeert een passage uit Wessels boek op blz. 136. Deze passage luidt aldus:

In zijn autobio-grafische notities vertelt de bekende joodse wijsgeer Martin Buber over een bezoek aan een oude rabbijn. De rabbi vroeg hem wat hij dacht over 1 Sam. 15. Dat is het verhaal waarin het gaat over koning Saul die bevel van God had gekregen om alle amalekieten uit te roeien, maar die dat bevel niet volledig uitvoerde. De profeet Samuël komt dan bij Saul en zegt hem dat, omdat hij Gods bevel niet heeft gehoorzaamd, hem het koningschap zal worden afgenomen. Eigenhandig doodt Samuël dan Agag, de aanvankelijk door Saul gespaade koning der amalekieten.

'Wat denk je van deze passage?' vraagt de oude rabbijn aan Buber. Zonder veel aarzeling antwoordde deze laatste: 'Ik denk dat de profeet God heeft misverstaan.' Na een lang zwijgen zegt de rabbi: 'Dat is ook mijn mening.' Martin Buber vervolgt dan: 'Ik heb mijn leven lang veel gedaan aan het vertalen van de Bijbel. Steeds in vrees en beven. Wat is het woord van God en wat is het woord van de mens.' Zo benader ik (A. Wessels is aan het woord) ook de Koran. Ik geloof dat God tot Mohammed heeft gesproken. Dat wij in de Koran in zekere zin gekonfronteerd worden met het woord van God. En dat is iets om hoogst ernstig te nemen. Tegelijkertijd kom ik in de Koran in aanraking met elementen waar fundamentele punten van het christelijk geloof worden ontkend. Daarvan kan ik niet aannemen dat het woord van God is, tenzij u mij toestaat het anders uit te leggen. (cursivering van Wessels)

Slomp is van mening dat Wessels in dit citaat de deur openzet voor een 'Schriftkritiek' van zowel Bijbel als Koran die zich zowel op grond van de Bijbel als op grond van de Koran laat verdedigen. De parallellie tussen Bijbel en Koran verraadt m.i. al een bepaalde stellingname. Maar wat me vooral getroffen heeft – met verbazing, en verontrusting – is de wijze waarop hier gesproken wordt over de relatie tussen Israels profeten en het profeet zijn van Mohammed. Ik citeer nogmaals Slomp:

Wanneer ik deze passage uit Wessels' boek verder op me in laat werken moet ik denken aan Mozes en David. Beiden worden ook door de Koran als grote voorbeelden voor Mohammed genoemd. We denken er niet over om Mozes af te wijzen als groot profeet (Deut. 34 : 10) hoewel hij reeds voor zijn roeping in drift een egyptenaar had gedood. Hij kreeg er 40 jaar ballingschap voor! En David, David blijft de man Gods ook na zijn zonde tegen het gezin van Uria (2 Sam. 11). En Mohammed? Er kan geen twijfel over bestaan of hij zag zichzelf als profeet in dezelfde rij als Mozes en David! (aant. 1).
Hij was er oprecht van overtuigd dat God hem riep om te prediken tegen de afgodendienst van zijn mekkaanse medeburgers. Is het ongeoorloofd om dit te erkennen als christen en toch geen moslim te worden, omdat je van mening bent dat Mohammed God wat Jezus betreft verkeerd moet hebben verstaan? Immers volgens ons past Jezus niet in die illustere rij van bijbelse voorgangers van Mohammed. Als christenen die de Koran bestuderen menen we zelfs te moeten opmerken dat ook Jezus, zoals hij in de verkondiging van Mohammed voorkomt, te groot is voor de profetenmantel die Hem in de Koran wordt aangemeten.
Moet ik daarom Mohammed afschrijven? De islam afschrijven? Mohammed erkende tijdens het gesprek met de christenen van Najran hun recht om inzake christologie met hem van mening te verschillen. Hij heeft hen niet gedwongen om moslim te worden. Integendeel, hij erkende hun recht om op hun eigen manier in dezelfde God te geloven. Mohammed zag hun visie op Jezus als dwaling. Zagen zijn visie op Jezus als onjuist. Dit sloot wederzijdse erkenning echter niet uit. Volgens moslimse overlevering heeft Mohammed voor zijn dood nog aan de keizer van Byzantium voorgesteld zijn arabische versie van het geloof in één God te erkennen. Daar is de keizer niet op ingegaan! Wessels is trouwens met zijn uitspraak over de Koran en Mohammed bepaald niet zo'n nieuwlichter als sommige recensenten van zijn boek menen. Ter illustratie haal ik Herman Bavincks Gereformeerde Dogmatiek uit 1895 aan. Bavinck die zelf in Leiden arabisch had gestudeerd samen met zijn vriend, de later beroemd geworden islam-kenner C. Snouck Hurgronje liet zich als volgt uit over Mohammed en andere godsdienststichters:

‘De godsdienststichters zoals Mohammed werden (vroeger) eenvoudig voor bedriegers, vijanden Gods, handlangers des duivels gehouden. Maar sedert die godsdiensten nauwkeuriger bekend zijn geworden, is deze verklaring onhoudbaar gebleken; zij was beide met de historie en met de psychologie in strijd. Naar de Heilige Schrift is er ook onder de heidenen een openbaring Gods, een verlichting van den Logos, een werkwijze van Gods Geest… Immers de godsdienststichters waren geen bedriegers en geen werktuigen van Satan, maar mannen die religieus aangelegd voor hun tijd en voor hun volk een roeping hadden te vervullen en op het leven dier volken dikwerf een gunstige invloed hebben uitgeoefend…' I p. 290, 291.

Veel laat ik hier rusten, hoewel er veel te zeggen zou zijn over de vraag of het verschil in visie op de Persoon van Jezus Christus van dien aard is dat het wederzijdse erkenning niet behoeft uit te sluiten. Ik meen dat deze stelling nogal vergaande cuenties heeft voor de zendingspraktijk. Is Allah dan dezelfde als de God en Vader van Jezus Christus? Kan men zo gemakkelijk zeggen: Moslims en Christenen verschillen wel, maar in feite dienen ze dezelfde God. Ik ben van mening dat dat toch anders ligt.
Maar afgezien van die vragen, het gaat me hier om de vraag van het beroep op Bavinck. U weet: Herman Bavinck geniet als Gereformeerd Dogmaticus een groot vertrouwen en gezag in de Gereformeerde gezindte. Slomp suggereert hier m.i. dat Wessels, Slomp en Bavinck ongeveer hetzelfde zeggen en dat we dus voor de huidige visie op de dialoog aansluiten bij iemand als Bavinck. Ik heb het citaat er eens op nagelezen in deel 1 van Bavinck's Dogmatiek (in mijn uitgave: blz. 331, 332).
Wat blijkt nu? 1. Inderdaad komen we de genoemde passage bij Bavinck tegen. Maar aan het citaat wat Slomp geeft gaat vooraf: 'Maar hoe streng de Schrift ook oordele over het karakter van het heidendom, juist de algemene openbaring die zij leert stelt ons in staat en geeft ons recht om al de elementen van waarheid te erkennen die ook in de heidense religies aanwezig zijn. De studie der godsdiensten stond vroeger uitsluitend in dienst der dogmatiek en apologetiek.' Bavinck spreekt dus van een streng oordeel van de Schrift over het heidendom(!). Mohammed e.a. worden dus onomwonden heidenen genoemd. 2. Bavinck stelt zijn positieve opmerkingen over waarheidselementen in heidense religies in het kader van zijn spreken over de algemene Openbaring.
In de bladzijden die aan de door Slomp geciteerde passages voorafgaan spreekt Bavinck over de insufficientia, het onvoldoende-zijn, van de algemene openbaring. Zij verschaft ons hoogstens enige kennis van Gods bestaan, maar laat ons onbekend met de persoon van Christus. Zij is meermalen openbaring van toorn (Rom. 1 : 20). De kennis die de algemene openbaring verschaft is voorts onzeker en met dwaling vermengd. Wel heeft de algemene openbaring betekenis, want ze is van betekenis voor de heidenwereld. God heeft zich geopenbaard in de werken van Zijn handen. Maar de mensen hebben in hun verblinding Hem niet als God verheerlijkt, maar zijn vervallen tot afgoderij. En Bavincks preekt dan in krasse termen over de duisternis en de zonde van het heidendom.
En als Bavinck dus spreekt van gunstige invloed die godsdienststichters hebben uitgeoefend op hun volken dan valt dat bij hem binnen het terrein van de algemene genade waardoor God het leven bewaart voor de chaos. Maar het sluit niet uit dat die algemene genade volstrekt ongenoegzaam en onvoldoende is, ja niet reddend is. Nadrukkelijk spreekt Bavinck over Christus als de aan Israël beloofde, in wie alle geslachten der aarde gezegend zullen worden.
De lezer oordele zelf. M.i. gaat het beroep van Slomp op Bavinck maar zeer, zeer ten dele op. En de consequenties die men heden ten dage trekt ten aanzien van die dialoog en de ontmoeting met de wereld godsdienst, zijn m.i. allerminst de consequenties die Bavinck zelf trekt uit zijn spreken over de algemene openbaring en de religies der volkeren.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's