De hoogste onderscheiding
‘Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk;'1 Petrus 2 : 9a
De apostel Petrus schrijft zijn brief aan de christenen die in verschillende delen van klein-Azië soms ver van elkaar vandaan leefden: ze zijn christenen in de verstrooiing, in de diaspora. Bovendien zijn ze vreemdelingen, dat wil zeggen: de aarde was voor hen niet het één en al, want ze verwachtten een ander vaderland: een hemelse erfenis was voor hen weggelegd.
Verder blijkt uit de brief dat deze christenen veel te lijden hadden. Nu ze hun vroegere leven hadden opgegeven, nu ze anders waren gaan leven, was het gevolg dat de omgeving hen dat zeer kwalijk nam. En zo moesten ze veel spot en smaad, en ook veel lichamelijk lijden incasseren. En daarom schrijft Petrus zijn brief. Want hij wil hen in deze moeilijke situatie helpen en bemoedigen. Petrus wijst hen op de Heere Jezus Christus, Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold; en als Hij leed, niet dreigde, maar alles overgaf aan Dien Die rechtvaardig oordeelt. Maar hij wijst hen ook op de Heere Jezus, als Degene Die nú alle lijden te boven is. Die nú in heerlijkheid is gezeten, en Die hen weldra zal opnemen in Zijn hemels koninkrijk. Ja, dan is Petrus echt de apostel van de hóóp; hij wil ons duidelijk maken dat, als we met Christus lijden, we ook met Hem verheerlijkt zullen worden.
En zo geeft Petrus in het tweede deel van hoofdstuk 1 en ook in hoofdstuk 2 allerlei aanwijzingen voor een christelijke levenswandel temidden van een niet-christelijke omgeving. In vers 1 van ons teksthoofdstuk zegt hij: Legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen. Want zo alleen, in die gezindheid, kan de gemeente standhouden, en zo alleen wordt ze opgebouwd op de Hoeksteen Christus (vers 4 en 6).
Want anders… ánders gaat het niet goed. En dan kijkt de apostel even naar de ongelovigen, de ongehoorzamen. Voor hén is Christus tot een steen van aanstoot, en rots van ergernis (vers 7b en 8). Zij willen zelf hun leven bepalen en vasthouden; en ze stoten zich aan het Woord. Maar het gevolg is dan wel dat ze over de Heere Jezus heenstruikelen en neervallen en terecht komen in de afgrond, in de eeuwige nacht.
En tegen die donkere achtergrond licht nu onze tekst op: maar gij zijt een uitverkoren geslacht. Eerst al dat woordje 'maar' ; dat duidt op een tegenstelling, op een wending. Er is dus nog wat ánders te zeggen. Er is niet alleen de ongehoorzaamheid, het zich stoten aan het Woord, waar het vorige vers van sprak. Het Woord is óók en vooral een kracht tot behóud; de Heere zorgt er Zelf voor dat we ons niet langer ergeren aan Zijn Woord, maar dat we ons aan Hem gaan toevertrouwen. Máár, let u op dat éne woordje, het wil ons zeggen dat bij God alle dingen mogelijk zijn. Maar de Heer zal uitkomst geven!
Maar gij zijt. U bent. U bent geheel anders dan de ongehoorzamen, schrijft Petrus aan zijn lezers. Dat is stellig en tegelijk hooggestemd uitgedrukt. U bent, u in het meervoud. Petrus schrijft niet: misschien bent u, of: ik hoop dat u bent, of: mocht u nog eens worden. En ook versmalt hij het niet tot: sómmigen van u, nee: u bent. Petrus zwakt hier niet af, maar hij ziet de gemeente in het geloof, hij ziet wat ze in Christus is en heeft, wat ze is in Gods oog!
Ik denk dat het goed is om hier even het leven van Petrus zelf als achtergrond te zien. Hoe was het bij hem door diepten gegaan, door een weg van verloochening van de Heere Jezus, door schuldbesef. Vaak zal hij zelf niet meer geweten hebben hoe het met hem was. Maar één ding was zijn redding: Christus hield hem vast! Hij maakte het waar: Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude. En daarom mag hij nu ook van die zekerheid getuigen tot anderen: u bent, ondanks veel tekort, tóch: u bent. Dat is het wezen van het gemeente-zijn. Dat moeten we dan maar laten staan ook voor de gemeente van vandaag: ú bént! Zeker, ik ken de vragen die hier liggen: zijn wij als gemeente wel echt gemeente van Christus? En ook de persoonlijke vraag: ben ik wel een levende rank van de Wijnstok Christus? En in de prediking mag dok best eens de vraag gesteld worden of het alles werkelijkheid voor ons is. Zeker. Maar tóch blijft dit staan: u bent! En laten we de spanning, de hoogspanning, dan maar handhaven, en zeker niet direkt gaan redeneren en door allerlei beschouwingen dit aan ons gerichte woord ontkrachten. Het is beter om in dit verband aan de Heilige Doop te denken. Wat hebben we toen beleden in het dankgebed? Dit: wij danken en loven U, dat Gij ons en onze kinderen, door het bloed van Uw lieve Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven, en ons door Uw Heilige Geest tot lidmaten van Uw eniggeboren Zoon en alzo tot Uw kinderen aangenomen hébt. Dat was en is ook hooggestemd, maar voor het geloof dat op de Heere mag zien en met Hem mag worstelen om de vervulling van Zijn beloften, tóch werkelijkheid. Daarom mag het toch zijn: Maar gíj zíjt.
Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk.
Ook dat zijn allemaal woorden die ons aan het Verbond van God doen denken. In de eerste plaats aan het Verbond met Israël. In Exodus 19 lezen we dat God tot Israël zegt: u zult Mijn volk zijn, u zult een priesterlijk koninkrijk zijn en een heilig volk. En ná de ballingschap noemde de Heere Israël weer: Mijn volk. Mijn uitverkorenen.
Maar Petrus ziet hier de lijn overgaan van Israël op de gemeente van het Nieuwe Testament. Want Israël is met Gods verkiezing de hoogte ingegaan. Israël heeft gezegd: wíj zíjn het. God heeft het met ons getroffen. En dát werd juist fataal. Israël werd daardoor door de Heere terzijde geschoven. En hoezeer er nog een plaats voor Israël is in Gods heilsplan (leest u Romeinen 9-11 maar), toch gaat het nu om de geméénte, om degenen die uit de Joden en uit de heidenen echt in de Heere Jezus Christus geloven. Petrus zegt hier tot die verstrooide christenen, tot die vreemdelingen op de aarde: maar gíj zijt. Ú bent het nu.
En wat dan precies? U bent een uitverkoren geslacht. Dat is even een onderscheiding! Dat is een hoge stand! Dat heeft die christenen die zoveel te lijden hadden, wel kracht gegeven! Want zo voor het oog was het een verworpen geslacht, een groep mensen die niet meetelde, op wie werd neergekeken, ze stonden overal buiten. Maar God zegt: een door Mij verkoren geslacht, bij Mij hoor je er wel bij. Een geslacht – dit is de enige keer in het Nieuwe Testament dat de gemeente zo wordt genoemd. Geslacht, dat veronderstelt: dezelfde afkomst, en verbondenheid door de band van het bloed. Maar hier gaat het om banden van geloof. Allen die tot dit geslacht behoren, zijn wedergeboren door de Heilige Geest. En ze vormen één grote familie, waarvan God Zelf de Vader is, en de Heere Jezus Christus de oudste Broeder.
En dit is nu een uitverkoren geslacht, dat wil zeggen: door God Zelf, op grond van Zijn welbehagen, uitgekozen, zonder dat er iets in de mens was wat aanleiding zou hebben gegeven. Dat nu is het wonder! En ik hoop dat u die dit leest, daarin meekomt. Want zo is het nog altijd: het zwakke van de wereld, datgene wat niets is, dat heeft God uitverkoren. Kohlbrugge stelt ergens de vraag: waaraan weet ik of ik uitverkoren ben? En dan antwoord hij: de tollenaar stond van verre. Daar hebt u het! Een verlorene, een boetvaardige is een verkorene. Zo iemand behoort bij dat uitverkoren geslacht. Maar hoe kom ik dat aan de weet? Mijn boetvaardigheid brengt me toch niet tot die zekerheid? Nee, dat niet. Maar de Heere Jezus Christus brengt u daar wel! Want Hij is de spiegel van de verkiezing. Hij is (zegt vers 4) Degene Die van de mensen wel verworpen is, maar bij God uitverkoren en dierbaar. De Vader wijst ons op Hém, op Zijn Zoon. En wie nu op Hém mag zien, die ontvangt het leven. Wie Hém gezien heeft, die heeft de Vader gezien, de Vader in Zijn eeuwige, verkiezende liefde. En die mag het zeker weten te behoren bij dat uitverkoren geslacht.
En een koninklijk priesterdom. Ook dat slaat eerst terug op Israël. Israël moest een volk van priesters zijn. Daartoe was een deel afgezonderd voor de dienst in de tempel, om te offeren, te bidden en te zegenen. De priesters moesten in volle toewijding de Heere dienen, en zo ook zegen verspreiden voor anderen. Maar wat bleek in de praktijk? Was er niet veel onheiligheid en zonde bij de priesters? En het volk als geheel? Dat dienen van de Heere beviel eigenlijk niet zo – men wilde liever heersen dan dienen. Israël zocht het veel meer in het politieke, in het aardse, dan in het priesterlijke; en het verspreidde dan ook geen zegen.
Maar nu had Jesaja al geprofeteerd dat het een keer anders zou worden. Jesaja zei al: gij zult weer priesters des Heeren heten, men zal u dienaren van onze God noemen (61 : 6). Dan zou heel het volk een priestervolk zijn, dat God nauwgezet zou dienen, en zo tot zegen zou zijn voor de omgeving, voor de heidenen, voor de wereld. En dát gaat nú in vervulling: gij zijt, zegt Petrus, van de gemeente van het Nieuwe Testament, een koninklijk priesterdom, u bent een schare van priesters.
Dat kunnen we alleen verstaan, als we eerst zien op de grote Priester van onze belijdenis: Jezus Christus. Hij heeft de Vader in volkomen toewijding gediend. Aan Zijn ambtelijk werk ontbrak niets. Hij heeft geofferd, ja Zichzelf ten offer gegeven in de vlammen van Gods gericht. Hij heeft gezegend; want Hij heeft de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegening vervullen zou. En Híj heeft gebeden. Altijd bad Hij voor de Zijnen, en Hij is nog onze biddende Hogepriester. Kijk, Híj is het. Hij is de volmaakte Priester. En door Hem geldt het nu: gij zijt een koninklijk priesterdom. Als wij met Hem verbonden zijn, als wij door de Heilige Geest aan Zijn zalving deel hebben, dan zijn we priesters. En hóe zijn we dat dan? Wel dan brengen we onze offers, onze geestelijke offers wel te verstaan (vers 5), die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus. Dat is het offer van ons hart, van ons leven, van onze liefde, van onze dankbaarheid. Dan zeggen we het: neem mijn leven, laat het Heer, toegewijd zijn aan Uw eer. Dan zijn we ook (heel concreet) priesterlijk bezig in ons gezin, vooral in het gebed. Dan hebben we een priesterlijke taak, ook in de maatschappij door dienend bezig te zijn. Kortom, het is een toegewijd leven in liefde tot God en de naaste.
En dat op koninklijke wijze. Want het is een koninklijk priesterdom. Het is dus geen slaafs, bekrompen, wettisch dienen, maar een koninklijk dienen, dat wil zeggen: een dienen in vrijheid, in koninklijke vrijheid en waardigheid. Want we staan immers in dienst van de Koning Zélf. Koninklijk, dat wil eigenlijk zeggen: onoverwinnelijk, want de Koning Zelf is bij ons, en we mogen met het Wóórd van de Koning op weg gaan!
Een koninklijk priesterdom! Wat een hoge onderscheiding, wat een adeldom! En dat alleen door Hém – dat willen we onderstrepen – Die de Hogepriester én de Koning van onze belijdenis is.
Maar nog méér. De gemeente is ook een heilig volk. Denkt u eerst maar weer aan Israël. Het was afgezonderd van de sfeer van de zonde. En wat zijn wij anders, sinds we gedoopt zijn? En de vraag is of we inderdaad in een nieuw godzalig leven wandelen. Horen wij bij degenen die in oprechtheid wandelen? Een heilig volk, daar heeft Christus Zelf om gebeden: Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat gij hen bewaart van de boze. Vader, heilig hen in Uw Waarheid. Dankzij dát Hogepriesterlijk gebed is het nú al en zal het stráks zijn: een heilig volk.
En ook een verkregen volk. Eigenlijk staat er: een volk Gode ten eigendom; een volk waar God alleen recht op heeft. Dat was Israël onder het Oude Verbond. Dat is in het Nieuwe Testament de gemeente; zij is Christus' éigen volk, het volk, dat Hij Zich gereinigd heeft, ijverig in goede werken (Titus 2 : 14). De gemeente is het privé-bezit van de Heere Jezus Christus, en daarom moeten alle machten van haar afblijven. Hij gaf Zijn bloed voor haar, Hij stelt Zijn hart voor haar open. Hij leidt haar en troost haar.
Een eigen volk – dan is het omgekeerd zo dat dat volk er voor Christus is, zoals de bruid er is voor de bruidegom. En dat het weglopen bij Hem vandaan iets heel ergs is, dat dat ontrouw is. Dan luistert het nauw, zoals het in de liefde altijd nauw luistert.
Daarom mag het dagelijks ons gebed wel zijn om dicht bij de Heere, en dichtbij Zijn Woord te mogen leven.
J. E. de Groot, Oegstgeest
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's