De hoogste roeping
‘…opdat gij zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.'1 Petrus 2 : 9b
De vorige keer lazen we van 'de hoogste onderscheiding' naar aanleiding van de benamingen 'koninklijk priesterdom', 'uitverkoren geslacht', 'heilig volk' en 'verkregen volk', in vers 9a genoemd. Nu, in vers 9b, gaat het over 'de hoogste roeping'. Want er volgt nog méér in de tekst: na vers 9a staat er geen punt, maar een komma, de zin loopt dus dóór. Want alles wat er gezegd is over de gemeente, is geen doel in zichzelf, maar mondt in iets uit: opdat, zegt de tekst. Dat 'opdat' is eigenlijk het scharnier van de tekst. Het is in de Schrift ook meestal verkoren wordend tot iets, tot een bepaalde taak in de wereld. Opdat gij zoudt verkondigen de deugden van Degene Die u riep uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
Dan moeten we het goed zien. In de tekst zit eigenlijk een dubbele beweging: er is een uitgeroepen zijn, het afgezonderd zijn van de wereld tot Gods gemeenschap, het apart gezet zijn (vers 9a). Maar anderzijds is het: een weer in de wereld gezonden zijn, een heengaan met de opdracht van Christus (vers 9b). En naarmate het eerste meer wordt beleefd, zal ook het tweede er meer zijn. Deze twee zijn heel nauw verbonden. Belofte én roeping gaan ook hier, zoals overal in de Schrift samen. Daarom: de hoogste onderscheiding, maar direkt ook: de hoogste roeping.
Opdat gij zoudt verkondigen. Met dat 'verkondigen' is hier niet zozeer bedoeld de prediking binnen de kerk, de verkondiging vanaf de kansel in een bestaande gemeente; het gaat hier ook niet zozeer om een taak die er alleen voor de ambtsdragers zou zijn, of voor leden van een evangelisatie-commissie. Nee, het gaat hier om de opdracht van de gemeente zelf jegens degenen die buiten zijn, die zonder God leven: opdat gij zoudt verkondigen. Ú bent een uitverkoren geslacht, opdat ú ook zoudt verkondigen. Niet een ander, maar ú. Petrus wijst ons a.li.w. met de vinger aan: ú. En hij wijst ons op onze roeping om een getuigende gemeente te zijn.
Dat is onze zendingstaak! Die is niet alleen ver weg te vervullen, maar ook dichtbij. En in die zin zijn Uitwendige Zending en Inwendige Zending nauw verbonden. Want er staat in de tekst niét: opdat u zoudt láten verkondigen (dus dat u het mogelijk maakt door uw gebed en door geld dat een ander het doet), maar dat u ook zélf verkondigt. Dat moeten we wel goed bedenken. Zending mag geen zaak zijn alleen van enkelingen, van een aantal dat speciaal dat werk verricht verweg, maar is een zaak waar heel de gemeente bij betrokken is, en waar ze ook zelf op haar plaats aan deelneemt. Waar we samen in bezig mogen zijn. De gemeente is het draagvlak van de zending – dat wil de tekst ons (nog eens) duidelijk zeggen.
Opdat u zoudt verkondigen. Ja, zegt u, dat zal allemaal wel waar zijn, maar… hoe moet dat in mijn situatie, en: wie ben ík dat ik dat zou kunnen? We moesten ons toch maar niet onttrekken aan deze opdracht, maar biddend het proberen en op weg gaan. En hoevaak is het dan al niet meegevallen? Hoe vaak gaf de Heere soms verrassend veel vrijmoedigheid om van Hém te spreken, zodat we later soms dachten: hoe heb ik het allemaal durven zeggen?
En dat verkondigen is ook niet alleen een zaak van woorden, maar ook van dáden, van de levenswandel. Calvijn zegt bij onze tekst: niet alleen met onze tong, maar met ons hele leven mag deze verkondiging plaatsvinden. En inderdaad: wat een prediking kan er uitgaan van een godzalige levenswandel, van een leven in zelfverloochening en dienende liefde.
En bovendien: wát mag verkondigd worden, wié mag verkondigd worden? We hoeven het niet over onszélf te hebben, over ónze deugden (want dan konden we wel thuis blijven als het daarover moest gaan), maar over een Ánder: om te verkondigen de deugden van Hém Die u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Van Hém, Die wonderen deed. Hij Die hier in de tekst centraal staat.
Het gaat om Zijn deugden. Dat zijn hier niet zozeer de eigenschappen van God, als wel de grote daden die Hij in de geschiedenis gedaan heeft. En denkt u dan maar aan Petrus zelf, die dit schrijft, op de Pinksterdag, hoe hij daar sprak van Gods grote daden, vooral in de Heere Jezus Christus, van zijn vernedering, en van zijn opstanding, en van zijn hemelvaart. Dat is de verkondiging van Gods deugden! Dat zijn de daden van God, die buiten ons en vóór ons (voorwerpelijk) hebben plaatsgevonden.
Maar het ráákt ons ook, want God was het ook Die ons riep uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Dat is die ingrijpende verandering die in een mensenleven en in het leven van de gemeente plaats vindt en plaats móet vinden. Duisternis – dat is het leven in ellende, in vervreemding van God, in de nacht van schuld en oordeel. En daartegenover: het wonderbare licht – als je daarin komt, dan knipper je eerst met je ogen, dan weet je niet goed waar je bent. Zo waren deze christenen door de roepende God gebracht in de lichtkring van het Evangelie, van Gods genade en gemeenschap. Ze wáren duisternis, maar nú zijn ze licht in de Heere. Ze waren getrokken uit de macht van de duisternis, en overgezet in het koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Of, zoals het vers dat na de tekst komt, zegt: gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden (vers 10).
En daar is God nog mee bezig, lezer: Hij is nog altijd de róepende God. God roept jullie, jongens en meisjes. Hij roept een ieder tot Zijn licht. Wie zit er nóg in de duisternis, in de nacht van schuld en nood? Wie zit er wéér in de duisternis, nadat hij of zij het licht van Gods genade toch heeft gekend? Wie dóét de werken van de vorst der duisternis, wie kan er maar niet van los komen? Wie heeft er besef van de eeuwige duisternis verdiend te hebben? Wie stemt het oordeel toe? Wie moet God erkennen in Zijn recht? Hoor: God wil u eruit roepen. Hij zegt tot de gebondenen: gaat uit. En tot hen die in duisternis zijn: komt tevoorschijn. Hij wijst ons op een Ander, op Zijn Zoon: Hij is in onze duisternis ingekomen, de nacht viel op Hem, in de drie uren dikke duisternis op Golgotha toen Hij uitriep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Opdat wij uit die duisternis van Gods oordeel verlost zouden zijn en in het licht zouden wandelen. Lezer, buiten Christus is er alleen de buitenste duisternis. Maar Hij zegt nog: Ik ben het licht der wereld, die Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.
En nu roept God niet alleen, maar Hij beschermt ons ook. Hij troost ons en leidt ons Hij rekent ons bij Zijn eigen volk, bij dat koninklijk priesterdom, bij dat uitverkoren geslacht. Opdat. Ja, nu weet u het: opdat u altijd Hem zoudt vrezen. Niét opdat u zoudt zwijgen, maar opdat u zijn deugden zoudt verkondigen. U die in het licht wandelt, is er geen reden Hem groot te maken? Ik heb eens iemand horen zeggen: ik zou soms na de kerkdienst als ik vol mag zijn van Gods liefde, wel naar het marktplein willen gaan, om iedereen te zeggen dat God leeft en dat Hij wonderen doet. Dat is het!
Opdat. Dat is het doel van een christenleven. Opdat God geëerd mag worden; opdat anderen in de lichtkring van het Evangelie mogen komen; en opdat wij zelf, in deze verkondiging bezig zijnde, een diepe zegen mogen ontvangen.
En nu is alles hier ten dele, en alles wat er over de gemeente gezegd wordt in onze tekst is in deze bedeling gebrekkig en onvolkomen. En hoevaak moeten we ons niet beschuldigen dat we zo weinig een koninklijk priesterdom zijn, dat we zo vaak een onheilig volk zijn in plaats van een heilig volk. Maar dat doet uitzien naar de toekomst, waar Petrus, de apostel van de hoop, ons heen wil wijzen. Dan lees ik in het boek Openbaring dat daar vóór de Troon zijn: koningen en priesters, en wel échte priesters, in lange witte klederen, zonder enige vlek of smet van de zonde, priesters die God dag en nacht dienen in Zijn tempel. En koningen, want ze zullen als koningen heersen op de aarde. En wat doen ze dan? Eén ding, dit namelijk: verkondigen, eeuwig verkondigen, de deugden van Hém (en nooit meer eigen deugden), Die hen geroepen had uit de duisternis tot Zijn eeuwig wonderbaar licht.
Daarom mag de oproep reeds nu klinken ook door deze meditatie in de Waarheidsvriend:
Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,
verheugd in God, naar waarde nooit te danken.
Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden 't allen tijd,
gij, die oprecht van hart en wandel zijt.
J. E. de Groot, Oegstgeest
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's