De gebedshouding (4)
Pastorale overwegingen
Een hakende zin
De vorige keer schreef ik, dat één zinnetje bij mij haken bleef uit het stukje van ds. Knap, 'Zullen wij, althans in de eenzaamheid, de Heere, Die knielend bad, niet volgen?' Wie zal in het persoonlijk gebedsleven de knieën niet buigen voor de God der goden? Toch zijn die woorden 'althans in de eenzaamheid' veelzeggend. Een van de verschillen tussen de rooms-liturgisch ingerichte kerkgebouwen en de gereformeerde kerkbouw is toch, dat in de laatste de knielbanken ontbreken. Niet zozeer dienen deze tot het persoonlijk gebed alswel tot het eren der heiligen en de aanbidding van de gewijde hostie. Het zicht is naar het altaar. Gaat de protestant ter prediking, de rooms-katholiek tijgt ter mis. Niet de uiterlijke houding is beslissend, maar de innerlijke gesteldheid. We behoeven geen demonstratie van onze nederigheid voor God te geven. Heel opmerkelijk vind ik de gedachte, als zou het knielen in de eredienst van de christelijke gemeente niet passen bij het waarachtig geloof in de Heere, Die is opgestaan uit de doden, naar Wie elke zondagse dienst en viering heenwijst. Daarover moet u eens nadenken, en niet te snel uw oordeel formuleren.
Onze houding
Of we nu staan of zitten in de kerk, onder ons is bij het gebed als houding in zwang de gevouwen handen en de gesloten ogen. Zij spreken ons allereerst van eerbied voor de Heere, tot Wie we spreken en onze ziel opheffen in bede en dank. Met de eerbied is verstrengeld het ontzag voor de hoge God, zodat we niet om ons heen zien en gluren, en afgeleid worden. Weten we ook wat het is 'omgang met God te hebben?' Daar is ook de overgave en de heilige concentratie, zodat onze handen niet met andere dingen bezig zijn. Zeker, ook onder de bezigheden door kan een stille verzuchting tot de Heere opgaan, 'bidden met de pet op', maar vinden we de plaats mede in Gods huis voor het openbare gebed, onze houding moge er naar zijn.
Wanneer het stil gebed?
Een vraag kreeg ik nog over 'het stil gebed' dat men persoonlijk doet voor de aanvang van de kerkdienst om de voorganger en kerkeraad en gemeente op te dragen. Wanneer 'moet dat'? Uit mijn jeugd kan ik me nog herinneren, dat zodra de kerkgangers hun plaats innamen, zij stonden of zaten te bidden. Daar zal zeker stille verwondering en dank hebben geleefd in de harten, daar zal menige verzuchting tot God zijn opgeklommen? Toch… was dat zo ideaal? Rondom zaten of stonden mensen met elkaar te praten, vooral als de plaatsen waren verhuurd. Invoering van het stille gebed voor de dienst zal vrijwel overal geschieden bij het binnenkomen van predikant en kerkeraad. Smadelijk sprak men wel eens van 'bidden op commando'. Dat was de bedoeling niet. Samen hebben we alles te bevorderen, wat tot de orde en eerbied en rust in Gods huis dient. Het is ook goed bij dergelijke omstandigheden de gemeente goed voor te lichten en met elkaar op gemeente- of ledenvergaderingen erover te spreken. Dat versterkt alleen maar de onderlinge verbondenheid. Laat niets van boven af zo maar dwangmatig worden opgelegd, maar laat de gemeente er zelf ook bij betrokken worden. We heersen niet over elkaar, we dienen naast en onder elkander. In sommige gemeenten is er nog een voorlezer en komt de dienaar des Woords onder de voorzang binnen met de andere kerkeraadsleden. Daar zal het weer anders gaan mogelijk. Enerzijds hoeden we ons voor uiterlijk vertoon, anderzijds mijden we de oneerbiedigheid. Het gebed is er ook te teer voor.
Wisselwerking
Verstaan we de betekenis van het gebed wel, dan is ook de houding afgestemd op die wondere wisselwerking in het gebed van 'luisteren naar' en 'spreken met God'. Wij praten en handelen nogal eens voor onze beurt, maar Gods kinderen kennen door genade de inspraak Gods in hun hart. Dat is geen griezelig mysticisme, geen leven bij inwendig licht. Inwendig zijn we een en al duisternis. Dan zijn we gauw klaar. Maar de Heere spreekt tot elk, die voor Hem leeft in het hart vanuit Zijn Woord en door Zijn Geest. Heilige ontroering vervult ons, als God tot ons komt. Dan is er ook een opleggen van ons hart voor de Heere, de kleine en de grote dingen komen tot Hem. Overigens: wat is groot en wat is klein voor de Heere? Daar is ook de overname, het antwoord, de gemakkelijkheid, als we alles en onszelf kwijt kunnen. Zou dan ook de gebedshouding niet uiting zijn van het geestelijk leven? Ik eindig met een enkele opmerking van wijlen ds. F. Bakker: 'Van elke gebedshouding en gebedsgestalte ligt de waardigheid in God. Er is niets van u bij. Om de waardigheid van hun gebed zullen de bidders niet behouden worden. Eén gestalte houden ze voor eeuwig over: de gestalte der aanbidding. De aanbidding van de Drieënige God. God de Vader, Die zondaren trekt, daarom is Hij alleen de gebedsoorzaak. God de Zoon, Die zondaren zaligt, en daarom is Hij alleen de gebedsgrond. God, de Heilige Geest, Die zondaren vernieuwt, en daarom is Hij alleen de gebedskracht.’
W. Chr. Hovius, K. a. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's