De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wetenschap tot eer van de Schepper

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wetenschap tot eer van de Schepper

Beslissende wending in de natuurwetenschappen

10 minuten leestijd

Het is voor ons, mensen van de twintigste eeuw, nauwelijks denkbaar, dat tot ver in de zeventiende eeuw aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen, proefnemingen geen rol van betekenis speelden in het natuurkundeonderwijs Wie kan zich nog natuurwetenschapsbeoefening voorstellen zonder experimenten, zonder proefnemingen? De hele wetenschap en de ontwikkeling ervan is erop gebaseerd. Wat proefondervindelijk is aangetoond heeft wetenschappelijk gezien gezag. Toch kwam de beslissende wending tot deze wijze van wetenschapsuitoefening pas in de zeventiende eeuw. Voordien bestond het onderwijs in de natuurwetenschap uit het uiteenzetten van de filosofie van Aristoteles, die met louter denken en filosoferen de natuurwerkelijkheid wilde doorgronden. Weliswaar groeide onder invloed van de Franse filosoof René Descartes (1596-1650) de belangstelling voor vrij wetenschappelijk onderzoek, maar toch was ook bij diens aanhangers aanvankelijk de belangstelling voor proefnemingen gering. Descartes zelf had al gezegd in zijn 'Principia Philosophiae' dat de natuurverschijnselen door deductie (afleiding) uit 'heldere en onderscheiden ideeën' moeten worden verklaard: 'de zintuiglijke waarneming en het experiment zijn daarbij van ondergeschikte betekenis.' Pas met de komst van Isaäc Newton (1642-1727) werd de proefneming in het natuurkundeonderwijs niet iets bijkomstigs maar werd deze er een wezenlijk onderdeel van.


Aan de Utrechtse Universiteit, waar de theoloog Voetius een groot stempel had gezet als verdediger van de filosofie van Aristoteles, was het de natuurwetenschapper Petrus van Musschenbroek (1692-1761), die de wetenschapsbeoefening in de zin van Newton invoerde.


Van dit alles lezen we uitvoerig in het proefschrift van dr. C. de Pater: 'Petrus van Musschenbroek (1692-1761), een newtoniaans natuuronderzoeker'. In één van de vorige nummers van ons blad vermeldden we kort iets over diens promotie. In het nu volgende geven we iets weer van de visie, die de wetenschappers in newtoniaanse zin, met name ook Van Musschenbroek, hadden op de verhouding van hun christelijk geloof tot deze (experimentele) wijze van wetenschapsbeoefening.

Van Musschenbroek met name stamde uit een geslacht, dat ten tijde van de geloofsvervolging onder Filips II en Alva uitweek uit Vlaanderen naar Holland, omdat zij de 'gereformeerde religie omhelsden'. Hij promoveerde op 12 november 1715 bij de beroemde Boerhaave tot doctor in de medicijnen. In zijn proefschrift vinden we verschillende punten terug, die Boerhaave in dat jaar gesteld had in een oratie over het verkrijgen van zekerheid in de natuurkunde. Hij hekelt het ongefundeerd bedenken van vooronderstellingen buiten de feitelijke waarneming om, maar hij waarschuwt ook voor een oppervlakkige manier van experimenteren en waarnemen.

De feiten als basis
Het is niet toevallig, dat de natuurwetenschapsbeoefening, zoals we die nu kennen, gebaseerd dus op feitelijke waarneming, haar bakermat in het christelijke Westen heeft. Juist de christen weet, dat de natuur de aarde, de hele kosmos uit de hand van God als Schepper komt. Er zijn zelfs twee middelen, waardoor wij God kennen, zegt art. 2 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis: ten eerste door de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld, overmits deze voor onze ogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, grote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk 'Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid' (Rom. 1 : 20)… Ten tweede geeft Hij zichzelf nog klaarder en volkomener te kennen door Zijn heilig en goddelijk Woord…’
Weliswaar leert men God niet zómaar uit de natuur kennen, buiten de kennis van het Woord om. Maar wie God uit Zijn Woord kent bemerkt Hem ook in de werken van Zijn handen.
De Pater merkt in zijn proefschrift op, dat de term 'boek der natuur' sinds de Reformatie veelvuldig bij natuuronderzoekers is gebruikt. Bacon merkte b.v. op, dat God ons twee boeken gaf: 'ten eerste de Schrift, waarin de wil van God wordt geopenbaard en vervolgens de geschapen werkelijkheid, die Zijn macht tot uitdrukking brengt.’
De natuurkundige Robert Boyle vergeleek, in navolging van Bacon, het onderzoek van de natuur met het afrollen van een boekrol. De christen-natuuronderzoekers stonden zó onbevangen in de wetenschap, in het besef, dat de natuur, die zij onderzochten uit Gods hand kwam. Galilei heeft zo b.v. eens gezegd, dat de werken van Gods mond (Zijn Woord) en de werken van Gods vingers (de scheppingswerkelijkheid) elkaar niet konden tegenspreken. Daarom kon Bacon ook zó ver gaan, dat hij stelde, dat de enige autoriteit in de theologie de Heilige Schrift is en de enige autoriteit in de natuurwetenschap de natuur. Omdat 'de natuur ons toevalt uit de hand van God' moeten we háár raadplegen. Te menen dat we de natuur louter met ons verstand (buiten het doen van waarnemingen om) doorgronden kunnen, zoals de filosoof Descartes dat meende te kunnen, is 'heiligschennis'. Het eerlijke opsporen van de feiten kán geen conflict geven met de Heilige Schrift. Want wat wij mensen bij eerlijke waarneming in de natuur vinden is er door God Zelf ingelegd.


Boyle stelde, dat oppervlakkige natuurstudie tot atheïsme voert maar dat grondig natuuronderzoek ons brengt tot de erkenning en de aanbidding van God. Wie let – zo zegt hij – op 'de vorming van een foetus, op de instincten van de dieren, op het wereldsysteem en op de algemene huishouding in de natuur, moet wel erkennen, dat dit alles niet het gevolg is van toeval of het samentreffen van atomen maar is voortgebracht 'door een buitengewoon machtige, wijze en weldoende oorzaak’.
In Nederland was het de Purmerendse arts en burgemeester Nieuwentyt die door de gedachtengangen van Boyle sterk beïnvloed is geweest, waarvan hij zich rekenschap heeft gegeven met name in een boek van hem, dat na zijn dood verscheen 'Gronden van Zekerheid’.


De feitelijke waarneming als basis der wetenschap, het was de beslissende wending in de natuurwetenschap in de zeventiende eeuw. En de christen-wetenschappers hebben dit áls bij uitstek christelijk ervaren. Wel merkt De Pater terecht op, dat in later tijd velen het natuuronderzoek ('onder leiding van het natuurlijk licht van de menselijke rede') voldoende achtten om tot de ware religie te komen, waarbij het unieke van de Openbaring van God door middel van de Bijbel op de achtergrond raakte. Er is dan – zo merkt hij op – weinig meer terug te vinden van 'de religieuze ontroering en vetr wondering', die we bij de christen-onderzoekers van het eerste uur aantreffen. Zo komt men later tot het schrijven van catechismi der natuur, zoals bijvoorbeeld van de Zutphense predikant Johannes Florentinus Martinet, waarin van elk verschijnsel de bedoeling die God ermee had werd duidelijk gemaakt. De luis b.v. zou volgens Martinet geschapen zijn om de mensen aan te moedigen voldoende hygiëne te betrachten ter voorkoming van ziekten.
De Pater merkt in aansluiting hierbij op, dat het tenslotte de ironie der geschiedenis is, dat de op de experimentele methode gebaseerde wetenschapsbeoefening op zich weer geleid heeft tot het tegendeel van wat Newton en zijn volgehngen bedoelden, namelijk tot het uitbannen van God uit Zijn Schepping. Bij Charles Darwin, de grondlegger van de evolutietheorie, met zijn principe van natuurlijke selectie (de natuur gaat haar eigen gang) kwam deze uitbanning tot een volstrekte voltooiing.

Van Musschenbroek
Nog enkele opmerkingen over Van Musschenbroek, die door De Pater in zijn proefschrift wordt behandeld. Deze stond nog helemaal in de lijn van de natuurwetenschappers van het eerste uur, die hun geloof in de Schrift en hun op waarnemingen gebaseerde wetenschapsbeoefening in volstrekte harmonie met elkaar zagen. Vooral het werk van de genoemde arts Nieuwentyt stond bij hem in hoog aanzien. Van Musschenbroek zegt, dat bij het zien van de uitgestrektheid van het heelal, de onmetelijke grootte van de hemellichamen en de verscheidenheid, de menigte, de orde, de vormen, het doel en het nut der dingen, er maar één conclusie zijn kan: er moet een God zijn, 'die, begiftigd met een oneindige macht, deze talloze lichamen schiep; die, in het bezit van de hoogste rede en het hoogste inzicht, de scherpzinnigheid van een oneindig verstand in het uitvinden van zovele zaken, alsmede de hoogste bekwaamheid in ze te maken en een uitmuntende wijsheid in ze aan passende ordeningen te binden duidelijk getoond heeft; en die voortgaat te bewijzen, dat Hij de zeer milde Onderhouder en de zeer wijze Regeerder is, die voor alles zorgt en aan alles denkt.’
Dan pas zijn we – volgens Van Musschenbroek – op de juiste wijze met natuuronderzoek bezig, als we God ontdekken in de dingen, die we naspeuren, en we ertoe worden aangezet om Hem te loven en te eren. Anderzijds loopt Van Musschenbroek – zegt De Pater – ook het gevaar het bijbelse scheppingsverhaal, uitgaande van de waarneembare feten verstandelijk aanvaardbaar te maken. Het kan alles ook té redelijk worden. Maar anderzijds is de nadruk op de 'gloria Dei', de eer van God bij het beoefenen der wetenschap, een zaak van eerste belang. Dat stond in de Reformatie, met name bij Calvijn, voorop. Dat dit zo ook een plaats kreeg in de natuurwetenschap, en door Van Musschenbroek zo duidelijk is onderstreept, bewijst wel hoe de Reformatie niet een zaak is geweest voor louter het individuele leven, maar dat zij ook bepalend is geweest voor maatschappij, cultuur en wetenschap.

Wet en Wonder
We kunnen in het bestek van één artikel niet op alles ingaan, dat in het proefschrift van De Pater aan de orde komt. Men leze daartoe dit proefschrift zelf. Wel leg ik nog even de vinger bij het feit, dat bij Van Musschenbroek het bestaan van wetmatigheden (die men immers in de wetenschap op het spoor komt) niet uitsluit het persoonlijk handelen van God, tégen de wetmatigheden in of daarbovenuit. Hij zegt met Paulus, dat God alles draagt door het woord van Zijn Kracht. Weliswaar staat bij hem 'een verklaring van de verschijnselen binnen het raam van de gevonden natuurwetten' voorop (bijvoorbeeld van het onweer), maar hij maakt ook onderscheid tussen natuurlijke en boven-natuurlijke gebeurtenissen, tussen natuurlijke (d.w.z. wetenschappelijk verklaarbare) verschijnselen en wonderen. Zou God niet staan boven de wetten in de natuur, door Hem Zelf daarin gelegd? 'Het verschil tussen 'natuurlijk' en 'bovennatuurlijk' is bij hem niet het verschil tussen het al of niet actief zijn van God, maar het onderscheid tussen het regeren van God door middel van vaste wetten, die Hij zelfheeft geschapen, én Zijn onmiddellijk ingrijpen buiten de natuurwetten om.’

Bevrijdend
Het is telkens weer bevrijdend te ontdekken hoe onbevangen de Reformatoren het Woord weer hebben aanvaard als alleen-gezaghebbend. Sola Scriptura, alléén de Schrift was hun devies. Het is ook bevrijdend te ontdekken hoe christen-wetenschappers de natuur hebben aanvaard als Gods geschapen werkelijkheid, waarin zij onbevangen mochten vinden wat er door God Zelf in was gelegd. De werken van Gods mond en de werken van Gods vinger kunnen elkaar niet tegenspreken!

Wat hebben we het nodig om weer tot de bron te worden teruggeleid. In de theologie: alléén de Schrift, ontdaan van menselijke filosofieën, die als tweede bron zijn gaan fungeren.

Ook in de natuurwetenschap: alleen (de feiten in) de natuur, ontdaan van speculaties en vooronderstellingen. Wat onze tijd te zien geeft is dat vermeende feiten uit de natuurwetenschap (b.v. in de evolutietheorie) en een Schriftbeschouwing, die zich door die vermeende feiten laat leiden, op elkaar inwerken. Theologen ontlenen hun gedachten aan moderne wetenschapsbeoefening, waarin God is, uitgebannen. En moderne (ook christen-) wetenschappers weten zich geruggesteund door theologen, die zich eerst door de moderne wetenschap hebben laten beïnvloeden.

Kennisname van de bakermat der natuurwetenschap, gelegd in de 17e eeuw, kan hier ontdekkend zijn, ook al waren er toen ongetwijfeld ook de kiemen van rationalisering.
Men leze voor dit alles De Paters proefschrift. Waarvoor we hem hier nog een keer onze erkentelijkheid betuigen.

v. d. G.

N.a.v. dr. C. de Pater: Petrus van Musschenbroek (1692-1761), een newtoniaans natuuronderzoeker; Bestellen: Museum Boerhaave, Steenstraat 1a, Leiden, 382 pagina's, ƒ 20,–.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1979

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Wetenschap tot eer van de Schepper

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1979

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's