Ds. C. C. Callenbach en de afscheiding
Zij die bleven (23)
Enige tijd geleden schreef ik in dit blad enkele artikelen over de Nijkerkse predikant ds. C. C. Callenbach. Ik vroeg de lezers of er iemand onder hen was die mij zou kunnen helpen aan het boekje 'De roeping en uitzigten van den getrouwen evangelie-dienaar, Amsterdam, 1835'. Mijn veronderstelling was, gezien de titel en het jaar van uitgave, dat ds. Callenbach in dit geschriftje verantwoording van zijn blijven in de Nederlands Hervormde Kerk doen zou.
Een attente lezer kon mij eraan helpen. Met belangstelling las ik het door met de vraag of mijn veronderstelling juist was. Dat is slechts tot op zeker hoogte het geval. Duidelijk is het, ook in deze uitgave van ds. Callenbach, dat hij de Hervormde Kerk, ondanks haar gebreken, van harte liefheeft en er niet over denkt haar te verlaten. De Afscheiding noemt hij echter in het hele boekje niet bij name. Slechts eenmaal duidt hij dat gebeuren, dat hij als middel tot herstel van de vaderlandse kerk pertinent afwijst onder bedekte termen aan, nl. als hij in het voorwoord de gevolgen opsomt van het verlaten van de belijdenis der vaderen. Hij schrijft dan: 'Scheur op scheur in de fundamenten en gewelven van het Vaderlandsch Kerkgebouw; ziet daar een gevolg, hetwelk zich reeds heeft begonnen te ontwikkelen. Een ander gevolg, aan dit onafscheidelijk verbonden, is hand over hand toenemende verwarring, gelijk die pleegt te heerschen in een op deszelfs grondvesten waggelend huis.’
Al noemt hij dan de Afscheiding niet bij name, duidelijk is het dat hij een andere weg tot herstel ziet dan o.a. zijn zwager ds. Gezelle Meerburg van Almkerk, die zich van de Hervormde Kerk losmaakt. Misschien nog wel duidelijker als in zijn andere geschriften, geeft hij die in genoemd boekje aan als: weerkeer tot Schrift en Belijdenis.
Gevallen kerk
Het voorwoord begint met aan te geven hoe diep de Hervormde Kerk gevallen is. De jongste uitspraak van de synode over het gezag van de belijdenis is een doorn in Callenbachs oog. 'Het grieft mijn ziel diep, dat hier onder begrepen is de stellige verklaring, dat onze Formulieren, in geen opzicht, langer band zijn voor leeraars en gemeenten. Het bijvoegsel 'in zoo ver zij overeenstemmen met Gods Heilig Woord', is wanklank om drie redenen, én omdat het de eenvoudigen bedriegt; én omdat eene naauwkeurige aanwijzing van de afwijkende artikels ontbreekt, én omdat men het Woord Gods, verkeerd en goed, gezond en ongezond, waarachtig en valsch, verstaan en uitleggen mag naar welgevallen. Zoo zijn dan de formulieren onzer Kerk, in den grond, (niet formeel, maar reëel) afgeschaft, en dat is het, wat mij zeer ter harte gaat.'
Die afwijking van de Belijdenis is er altijd in de kerk geweest, zo merkt Callenbach nuchter op, maar de laatste jaren geschiedt dat door leraren der kerk in het openbaar en op een wijze die nog niet eerder is voorgekomen. Nu is het de leiding van de kerk zelf, die voorgaat op wegen, die van het door de vaderen getrokken spoor duidelijk afwijken. Dat is wel nieuw en dan ook levensgevaarlijk.
Ds. Callenbach gaat daarna in op dat, wat men van de moderne richting ten antwoord geeft op het roepen van 'hen die bleven': terug naar het geloof der vaderen. '… de Bijbel, de Bijbel, zegt men, die moet onze eenige geloofs- en leefregel zijn.' Lezer! God weet het, ik zeg Amen met mijn gansche ziel. Ik stem zoo wel met art. 7 onzer Belijdenis van harte in, als met eenig ander punt. Maar… ik wantrouwe dat verheffen van de Bijbel, ik ontveinze het niet. Hoe kan ik mijn vertrouwen er aan schenken, als ik zie de bejegening, die dat boek der boeken ondergaat; als ik zie, dat men het maar gedeeltelijk voor Gods Woord houdt; als ik zie, dat woorden, verzen, grootere gedeelten van hoofdstukken, geheele boeken of brieven voor onecht verklaard worden; als ik zie dat de schrijvers zich naar de dwaling hunner tijdgenooten zouden geschikt hebben; dat het O.T. niet alleen, maar ook het N.T. een aantal uitspraken bevatten zou, welke op ons en onzen tijd niet meer van toepassing zijn, bijzonder zulke uitspraken, die ons de diepte onzer ellende verkondigen en de wrekende geregtigheid Gods, of die van een' engen weg des levens gewagen, en van een nauwelijks zaligworden des regtvaardigen.' Met behulp van een gedicht van Bilderdijk ('mijn geestelijke vader en vriend') wil hij aantonen dat het streven van de modernen een streven naar vrijheid is, i.p.v. een streven naar God en Zijn dienst.
Wederkeer
Wat de weg tot herstel, voor ds. Callenbach, dan wel is, zal ons duidelijk zijn. Professoren, predikanten, ouderlingen, diakenen en gemeenteleden, kortom allen hebben zich te buigen onder de verbindende kracht van de Belijdenis. De belijdenisgeschriften ziet ds. Callenbach vooral als de beste uitlegger van de Schrift. Zij hebben geen eigen gezag, maar omdat zij de Schriften uitleggen ontlenen zij hun gezag aan het Woord zelf. 'Men behoeft toch altijd goede handleiding tot regt verstand der Schrift. De Kamerling, van Filippus gevraagd, of hij ook verstond wat hij las, gaf ten antwoord: 'hoe zou ik kunnen, zoo mij niet iemand onderrigt?' – Eene heerlijke onderrigting zijn de Formulieren, welker opstellers kennelijk deelachtig waren de zalving van den Heilige. Men bewijze het tegendeel indien men het kan!' In dit verband spreekt ds. Callenbach er zijn droefheid over uit dat men meer en meer gebruik maakt van uitgaven van de Schrift zonder de verklarende kanttekeningen. Een goede heruitgave van de Statenbijbel met kanttekeningen zou ons volk en de kerk ten goede komen. Hij zegt daar o.a. van: 'Ik uitte den wensch, dat van God met tijdelijke middelen gezegende waarheids-vrienden (!) zich welhaast zullen opgewekt gevoelen, om de randtekening te doen herdrukken; een werk voorzeker van grote omvang en niet minder aanzienlijke kosten, maar daarom niet onuitvoerbaar.'
Hij besluit het voorwoord met woorden die duidelijk iedere vorm van afscheiding afwijzen: ''Eendragt' was de spreuk onzer Vaderen, 'maakt magt'. Men sla, met het oog op den Heere, in afhanging van Zijnen zegen, de handen aan het werk, en het zal gewisselijk gedijen.'
De verdere inhoud van het boekje is een preek over de, in dit verband, veelzeggende tekst 1 Tim. 4 : 16 'Hebt acht op uzelf, en op de leer; volhard daarin. Want dat doende zult gij en uzelf behouden én die u horen'. Deze prediking is 5 april 1835 te Putten gehouden bij de bevestiging van ds. H. van Griethuijsen. Een aardige bijzonderheid is dat ds. van Griethuijsen Callenbach in Kortenhoef opgevolgd is en nu door hem, als consulent, in zijn tweede gemeente bevestigd wordt.
Wat moet een gemeente doen?
De bevestigingspreek eindigt met een woord tot de gemeente Putten. Een woord dat zijn geldigheid voor alle gemeenten behoudt en tot op deze dag ons allen veel te zeggen heeft. Ik geef het graag weer:
'Gemeente van Putten! Ik heb nog een woord aan u. Gij moogt dan uwen nieuwen leeraar in uw midden zien. Hebt gij het wel gehoord dat hij, op de leer en op zichzelven acht hebbende, een middel in Gods hand zijn kan, tot uwe behoudenis? Hebt gij het wel gehoord dat zijn werk onder u zoo heilig en zoo gewigtig is? Ik wil u allen, die bidden geleerd hebt, die biddend en smeekend hebt leeren aanhouden voor den troon der genade, u allen wil ik bezworen hebben dat gij uwen leeraar niet vergeet, dat gij voor hem gedurig weder bij vernieuwing, den Heere lastig valt, dat gij sterk aanhoudt voor hem in den gebede, wetende dat een krachtig gebed veel vermag.
Voorts is het des leeraars pligt én op zichzelf én op de leer acht te hebben; gij hebt van uwe zijde wel toe te zien, dat gij hem niet verzoekt; dat gij als verstandigen oordeelt wat hij zegt, dat gij de waarheid koopt en geenszins verkoopt. Bij het wel leven en wel leeren van uwen leeraar heeft de gansche Gemeente het hoogste belang; ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, dienstbaren en vrijen hebben er belang bij. Ouders! daarbij hebben uwe kinderen belang; Heeren en vrouwen! daarbij hebben uwe dienstknechten en dienstmaagden belang, belang voor de eeuwigheid.
Gij hebt er belang bij, zondaars en zondaressen, die tot God nog niet bekeerd zijt. Wanneer uw leeraar u dan wijst op de diepte uwer ellende, waarin ge door erf- en dadelijke zonden gezonken ligt; wanneer hij u verkondigt de eeuwige verdoemenis, indien gij in onbekeerlijkheid blijft voortleven, ontzeg hem dan uwe achting en uwe liefde niet, want hij doet wat roeping van hem vordert; zijn pligt is te bestraffen zowel als raad te geven en te vertroosten.
Gij hebt er belang bij, bij het wel leven en wel leeren van uwen leeraar, uitwendig deugdzame mensch. Wanneer hij u dan prijst wegens uwe braafheid, en gij daarin welgevallen neemt, neem er niet minder welgevallen in wanneer hij u toeroept dat gij niet genoeg hebt voor de eeuwigheid aan bloot uitwendige deugd; dat gij moet wedergeboren worden door den Heilige Geest, zult gij het Koningrijk der hemelen ingaan; dat gij door de wet der wet gestorven moet zijn, zult gij Gode leven; dat, in één woord, geheel uw harte vernieuwd moet wezen.
Ook gij hebt er belang bij, bij het wel leven en wel leeren van uwen leeraar, getroffene zondaars ! Het zij goed in uwe oogen, de leeraar zij u dierbaar, wanneer hij u den Christus geheel, en den Christus alleen verkondigt als den weg, de waarheid en het leven; wanneer hij u opent de schatten der genade, die zoo bijzonder is en zoo vrij. Het zij goed in uwe oogen, en moge uwe ziel er winst mede doen, als hij u toeroept: 'gelooft alleenlijk', o roept gijlieden dan gestadig: 'Heer! kom onze ongelovigheid te hulpe.’
Eindelijk, gijlieden hebt er belang bij, bij het wel leven en wel leeren van uwen leeraar, met wier geest Gods Geest getuigt dat gij kinderen Gods zijt. Ik smeek u dan nogmaals en bezwere u dat gij niet aflaat voor hem te bidden; dat gij hem in waarde houdt, uwe genegenheden hem niet onttrekt, wanneer hij pogen zal, in de vreeze des Heeren, uw geloof te doen wassen, u uwe heiligmaking te doen voleindigen; u in moeilijke wegen ten gids te verstrekken; u in droefenis op te beuren en te vertroosten. Vertelt hem van de dingen, die God aan uwe zielen gedaan heeft; maakt hem, zoo veel in u is, zijnen zwaarwigtigen arbeid ligt; en neemt steeds ter harte dat hij mensch blijft, dat hij zijn schat draagt in een aarden vat, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes, en niet uit hem. – Zijt allen met uwen leeraar gezegend van den Heere!
En Gij, eeuwige Geest! Die uitgaat van den Vader en den Zoon, beziel Gij leeraar en gemeente! Begin, zet voort, voleind uw Goddelijk werk ter bekeering. Voeg geestelijke luister aan de gemeente toe, mag het zijn, door de dienst hares leeraars. Amen, ja amen.'
H. Harkema, Brakel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1979
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1979
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's