De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een terreinverkenning

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een terreinverkenning

Medemenselijkheid

8 minuten leestijd

Opkomst
We zouden het woord dat als titel boven deze artikelenserie staat, tot de modetermen kunnen rekenen die de laatste tientallen jaren snel ingeburgerd zijn. Nu moet je met modetermen altijd voorzichtig zijn. Aan de ene kant gaan ze een eigen leven leiden en wordt er soms behoorlijk misbruik van gemaakt, doordat ieder zo'n term naar eigen believen invult, te pas en te onpas gebruikt. Van de weeromstuit zijn er dan anderen die zo'n term gaan mijden, als of het een vies woord is. Naar mijn mening wordt door beide stellingnamen de goede oordeelsvorming niet bepaald bevorderd.
De opkomst van deze term zal mede te danken zijn aan de filosofie van het existentialisme, die filosofische stroming dus die niet zozeer aandacht vraagt voor het zijn, het wezen van de dingen, maar veel meer geïnteresseerd is in het concrete, dynamische, op verandering gerichte bestaan van de mens. Sterke nadruk wordt in deze filosofie gelegd op het feit dat de mens op zijn weg de ander ontmoet, en dat elke menselijke daad zich voltrekt in een wereld vol mensen en mensen aangaat. Geen mens kan, zo zegt Simone de Beauvoir, zich verwerkelijken zonder de ander. Vandaar dat deze filosofen ook zeer geboeid zijn door het vraagstuk van de communicatie, de ontmoeting met de ander. Mens-zijn is immers mens-met-de-ander zijn (vgl. dr. G. de Ru, Over Vrijheid, Wageningen z.j., blz. 90).
Nu mogen we ten aanzien van levensbeschouwelijke stromingen niet te argeloos zijn. We zullen elk filosofisch ontwerp moeten toetsen aan zijn uitgangspunten en vooronderstellingen. Vaak zal dat een zeer kritische toetsing moeten zijn, omdat vele filosofen door hun humanistische uitgangspunten, en dikwijls zelfs atheïstische uitgangspunten botsen met het bijbels getuigenis. Toch gebiedt de eerlijkheid om te zeggen dat grote denkers ons vaak ook attent maken op aspecten en kanten van het mens-zijn die in kerk en theologie soms jaren of eeuwen lang verwaarloosd zijn.
Dat geldt ook de notie van de medemenselijkheid, het mens-zijn-met-de-ander. We laten hier rusten, hoe dit door filosofen als Sartre, Jaspers, Camus enz. ingevuld is. Maar op zich is het een typisch bijbelse notie, een fundamentele waarheid die zoals Berkhof {De Mens onderweg, blz. 34) terecht betoogt, eeuwenlang verwaarloosd is. In het na-oorlogse theologische denken over de mens wil men ook aan dit aspect het volle pond geven. Met name Karl Barth heeft zijn mensleer gebouwd op de stelling dat mens-zijn als een zijn-in-relaties altijd de medemenselijkheid insluit.

Op allerlei terrein ingeburgerd
Wellicht zou u op de gedachte kunnen komen dat het hier gaat om een abstract theologisch of filosofisch, denkprobleem. Niets is minder waar op allerlei terrein is het woord en de zaak van de medemenselijkheid ingeburgerd en vormt het één van de grote vooronderstellingen van het praktisch handelen. Zonder volledig te willen zijn noem ik enkele van die terreinen:
In het welzijnswerk en de hulpverlening is de zaak van het mens-zijn-met-de-ander niet meer weg te denken. De maatschappelijke dienstverlening richt zich immers op het herstel van de relaties. Vele mensen verkeren in sociale of/en psychische nood. Vaak heeft deze nood een geestelijke achtergrond. Vele relaties gaan stuk in het ingewikkelde raderwerk van de maatschappij van vandaag. Huwelijksnood, kindermishandeling, eenzaamheid, alcoholisme, verslaving, werkloosheid, gezinsproblematiek… het zijn woorden die we bijna dagelijks horen, erger nog: zaken waar velen mee geconfronteerd worden. In het maatschappelijk werk poogt men hulp te verlenen via bepaalde methodieken aan hen die psychisch en sociaal in nood zijn. Helpen als ambacht, wordt er wel eens gezegd. Maar hoe proberen we die ander te helpen? Hoe kunnen we relatieherstellend bezig zijn. Wanneer is mijn medemens pas echt geholpen?
Op grote schaal is te denken aan de ontwikkelingshulp aan de landen van de derde wereld. Daar spelen natuurlijk ook economische en politieke factoren mee. Maar op de achtergrond treffen we toch ook de gedachte aan dat we op onze weg de medemens, de ander ontmoeten. Ik denk aan een boekje over de relatie van de ontwikkelingslanden tot de westerse wereld, dat als titel droeg: De rijke christenen en de arme Lazarus. En ook hier stuiten we op een aantal indringende zaken: Wat is in dit alles de taak van de christelijke gemeente? Hoe verhouden zich zending en ontwikkelingshulp? Hoe hebben we als christenen om te gaan met de bodemschatten, met ons kapitaal en ons bezit?
Ook in allerlei bezinning op inhoud en methoden van het werk van zending en evangelisatie speelt dit begrip een rol. Wie de grote publicaties van prof. dr. J. Verkuyl over zending en evangelisatie bestudeert ontdekt dat Verkuyl een geweldige voorHefde heeft voor het woord 'communicatie'. Evangelisatie is de communicatie van het Evangelie van het Koninkrijk Gods vanuit de gehele gemeente in haar eigen omgeving door de proclamatie van het Evangelie, door gemeenschap, door diakonia en door participatie (deelname) in de worsteling om gerechtigheid. (Inleiding in de Evangelistiek, blz., 50, 51). Communicatie, mededeling, ontmoeting… U begrijpt, dat de keus van dat woord niet toevallig is. Ik zou me ook niet verbazen als u er wat vreemd van opkijkt omdat u denkt: Gaat het in de evangelisatie niet primair om getuigen en redden? Is dat woord 'communicatie' niet te vrijblijvend? Ik denk dat heel veel afhangt van de wijze waarop we dergelijke woorden vullen. Sluit de medemenselijke aandacht voor de ander, in dit geval de mens die van het Evangelie vervreemd is, het indringend appèl uit of is dat er wezenlijk in begrepen? Hoe brengen we die verbinding met de buitenkerkelijke mens of met de aanhangers van andere godsdiensten tot stand? In de hierboven genoemde definitie wordt nogal het een en ander genoemd: proclamatie, gemeenschap, dienstbetoon, strijd om de gerechtigheid. Ligt dat allemaal op één vlak? Moet de helpende daad of het getuigende woord voorop gaan? Of is dat een valse onderscheiding?
Kunnen we volstaan met de dialoog en moeten we de ander in zijn waarde laten of hebben we Hem, Christus, te prediken als de enige Redder? Denkt u niet: Dat zijn zaken die ver van ons bord af liggen. Wie de discussies rondom 'Zending in Nederland' gevolgd heeft, weet hoe een en ander tot in de plaatselijke gemeente toe diep kan ingrijpen. Een tweede voorbeeld is de christelijke school, en dan met name die scholen waar kinderen van gastarbeiders een deel van de schoolbevolking uitmaken. Hoe gaan we dan om met de Moslimse medemens? Weer zeg ik: Hoe vullen we zo'n woord als 'medemenselijkheid’?
Ook in de theologie van de revolutie, liever gezegd: de bevrijdingstheologie is de zaak aan de orde, met name in de toespitsing op de armen en de ontrechten. Jezus wordt gezien als partijganger der armen die wij moeten navolgen in een besliste keus voor de rechteloze medemens die lijdt onder het bondgenootschap van de gevestigde orde, de machthebbers, het kapitaal, de multinationals enz. En deze keus voor een volstrekte solidariteit kan inhouden dat we terwille van deze medemens op de barricaden gaan staan in de revolutie, de verandering van de samenleving.

Uitdaging
Het is bepaald niet eenvoudig in dit bonte geheel een goede weg te vinden. Juist als we stuiten op verschijnselen waar we als gereformeerde belijders onze vragen en bezwaren hebben, is de verzoeking groot om te volstaan met een negatief oordeel en over te gaan tot de orde van de dag. Toch mag dat niet en kan dat niet.
Het mag niet, omdat we het ook aan de anderen verschuldigd zijn te laten zien hoe we vanuit de Bijbel over al deze zaken hebben te denken, te spreken en te handelen. Gereformeerd belijden wil immers positief zijn, wervend en winnend.
Het kan ook niet want wij worden in gezin, werksituatie, gemeente en samenleving uitgedaagd tot stellingname, zowel in de sociale dienstverlening en het diakonaat als in de evangelisatiearbeid, of allerlei ethische vraagstukken die de omgang met de ander betreffen.
Veel vertogen over medemenselijkheid ademen een humanistische geest. Het is alles de mens, de mens en nog eens de mens. De mens als maat van alle dingen. Als we die vulling afwijzen, staan we wel voor de vraag: Hoe dan? Daarom heeft het zin een aantal aspecten van dat begrip 'medemenselijkheid' te bezien. Dat is ook een boeiende opdracht. Dat werd me nog weer eens duidelijk toen ik een mooi artikel las van de Nieuwtestamenticus Rudolf Schnackenburg in de opstellenbundel 'Schriften zum Neuen Testament' (S.435ff) over de medemenselijkheid in de horizon van het Nieuwe Testament. De schrijver keert zich daar tegen de visie van zijn collega Herbert Braun die in de zestiger jaren de ontmoeting met God liet opgaan in de medemenselijkheid. Braun distantieert zich van iedere uitspraak over een onzichtbare wereld achter onze wereld. Buiten de medemenselijkheid om komen we God nergens tegen. U begrijpt dat dit moet leiden tot een consequent horizontalisme. In de medemens ontmoeten we God… een gedachte die ook door anderen wel uitgesproken is.
Schnackenburg laat zien dat het Nieuwe Testament in allerlei begrippen en op allerlei wijze aandacht vraagt voor de medemens, de naaste, de vriend, de ander. Maar alles wat over naastenhefde en hulpbetoon gezegd wordt staat in het kader van het eerste en grote gebod: Gij zult liefhebben de Here, uw God… De liefde tot de naaste mag er dus nooit toe leiden dat we de omgang met God zouden kunnen en mogen prijsgeven. Dan zeggen we, aldus Schnackenburg, iets totaal anders dan de Schrift zegt. Zonder alle conclusies die deze exegeet trekt voor mijn rekening te nemen, meen ik wel dat hij ons op een juist spoor brengt. Wij krijgen de medemenselijkheid pas in het vizier als we de mens zien in relatie tot God, levend voor Zijn aangezicht.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een terreinverkenning

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's