De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ben ik mijn broeders hoeder?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ben ik mijn broeders hoeder?

Medemenselijkheid

8 minuten leestijd

Ontwrichte relatie
De medemenselijkheid, de gerichtheid op de ander, vloeit voort uit en heeft alles te maken met het feit dat wij mensen geschapen zijn naar het beeld van God. Op Genesis 1 en 2 volgt nu Genesis 3. Daar horen we hoe de mens van God vervreemd is, in opstand gekomen is tegen zijn Schepper, omdat hij als God wil zijn. De zondeval van de mens als afwending van Zijn Schepper, als ongehoorzaamheid en ongeloof jegens de Heere, betekent niet alleen dat de relatie tot God verwoest is, maar evenzeer dat de betrekking tot de medemens wel niet vernietigd, maar toch grondig ontwricht is.
In Genesis 3 klinkt Gods eerste vraag aan het adres van de mens: Waar zijt gij? De mens vlucht weg voor God, maar raakt ook vervreemd van de ander. Adam en Eva schamen zich voor elkaar, dat wil zeggen ze zijn van elkaar vervreemd. Die vervreemding leidt tot verwijdering, ja tot beschuldiging van elkaar. Adam schuift de schuld af op Eva, terwijl er ook een verwijt aan het adres van God in ligt, als hij spreekt van de vrouw die 'Gij aan mijn zijde gesteld hebt’.
Gods tweede vraag lezen we in Genesis 4, na de broedermoord van Kain op Abel: Waar is uw broeder, Abel? En dan luidt het onthullende antwoord: Ben ik mijn broeders hoeder? Ik noem dit een onhullend antwoord. Want de hoeder is de herder die de kudde bewaart. Kain's antwoord laat zien hoe zeer het beeld van God door de zonde ontwricht en verdorven is. God is de Herder van Zijn mensen. Wij mensen zijn geroepen herders voor elkaar te zijn. Maar wij gedragen ons als huurlingen; wij willen geen herder meer voor de ander zijn. In plaats van verantwoordelijkheid op ons te nemen ontvluchten we die verantwoordelijkheid. En de historie van Genesis 4 herhaalt zich in de iirote en kleine verhoudingen.
In Kain's geslacht viert de haat en de wraak hoogtij. Het bloedspoor dat zich in Genesis 4 aftekent wordt een brede stroom.

Egoïsme
Luther moet eens gezegd hebben dat de mens als zondaar op zichzelf gericht is, d.w.z. zichzelf breed maakt ten koste van. God en de naaste. De verstoring en de ontwrichting van de medemenselijke relaties laten dat zien.
Allerlei op zich normale verschillen verworden tot pijnlijke contrasten en conflicten. De gaven en talenten die wij van God ontvangen worden menigmaal misbruikt zodat ze niet de ontplooiing en bevordering van de gemeenschap dienen, maar de desintegratie van de gemeenschap bevorderen door hoogmoed, verabsolutering, zelfzucht, partijzucht, hardheid en egoïsme.
Israëls geschiedenis vormt daarvan een aangrijpende illustratie. Hoe vaak moeten de profeten niet de vinger leggen bij sociale misstanden en onrechtvaardige verhoudingen die vloeken met Gods zegenrijk gebod.
Ik noem als voorbeeld Hosea 4 : 1 vv. De Heere heeft een rechtsgeding met zijn volk; trouw, liefde, ja de kennis van God, het leven in zijn gemeenschap zijn afwezig. En de gevolgen komen openbaar in de intermenselijke verhoudingen: vloeken, stelen, liegen, moorden, echtbreken, daden van geweld en bloedvergieten. Ook bij Jesaja, Jeremia, Amos en Micha lezen we dergelijke aanklachten.
In het Nieuwe Testament vinden we gedurig de vermaning aan het adres van de gemeente om niet te leven gelijk de anderen, de mensen die zonder God en zonder hoop leven (Efeze 2 : 12). En het leven zonder God tast ook de medemenselijkheid aan. Men leze alleen maar Romeinen 1 : 24 vv. of Colossenzen 3 : 5 vv. waar de praktijken van de oude mens, de mens die de zonde dient, worden opgesomd: toorn, heftigheid, laster, vuile taal, kwaadsprekerij. Zonden die ontbindend werken en de relatie tot de ander grondig bederven.
De vervreemding van elkaar leidt tot nivellering, eenzaamheid, angst en wantrouwen. Prof. dr. J. P. Versteeg heeft in een rede voor de Theol. Hogeschool in Apeldoorn gewezen op de betekenis van het woordje 'elkander' in het Nieuwe Testament. Hij attendeert er dan op, hoe buiten het geloof in Christus het woord 'elkander' zo vaak op een zondige, ja demonische wijze, functioneert. Zo lezen we over een overleveren en haten van elkaar, een morren en strijden onder elkaar, een in wellust ontbrand zijn voor elkaar, een slachten van elkaar, een bijten en vereten van elkander, een tarten, benijden, liegen tegen en kwaadspreken van elkaar, enz. enz.
Het zijn evenzovele illustraties van de waarheid van het woord van de Engelse denker Hobbes: 'Homo homini lupus', d.w.z.: de ene mens is voor de andere een wolf.
Vervreemding en verwijdering van God ko­men tot uiting in egoïsme en zelfzucht. Wij onttrekken ons aan onze roeping ten opzichte van de ander. In één opzicht zijn wij door de zonde één gebleven, nl. in de afval en de ongehoorzaamheid jegens God. Er is niemand die goed doet, zegt Paulus in Romeinen 3. Allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid Gods. Er is in de mensheid een solidariteit in de schuld.

Gereduceerd mensbeeld
Ongetwijfeld zitten er aan het proces van vervreemding, aan de verbreking van de relaties, aan allerlei verstoorde verhoudingen onder mensen vele kanten. Ongetwijfeld is, er de invloed van de samenlevingsverbanden waarin mensen staan en spelen afkomst en milieu hun rol. Toch moeten we zeggen: Willen we bijbels over de mens blijven spreken, dan zùllen we altijd weer de mens moeten aanspreken op zijn persoonlijke verantwoordelijkheid.
In een nog altijd lezenswaardige publicatie uit 1957, getiteld Mensbeschouwing en maatschappelijk werk wijst prof. dr. G. Brillenburg Wurth ons op het verschil tussen de bijbelse visieop de mens en de visie van Freud en Sartre. Ongetwijfeld hebben denkers als Freud belangrijke aspecten van het mens-zijn, zijn driftleven, zijn agressie, zijn relatie tot anderen enz. aangewezen. En toch spreekt Brillenburg Wurth hier van een gereduceerd mensbeeld (blz. 46) omdat het aspect van de verantwoordelijkheid jegens God onze Schepper alsmede de mogelijkheden tot vernieuwing door Gods genade hier afwezig zijn.
Daarom blijft het nodig dat we oog blijven houden voor de ontwrichting inzake de verhouding tot de naaste door de zonde. Die ontwrichting kan verschillende kanten uitgaan. Berkhof noemt in zijn boekje over de anthropologie vier aspecten: 1. De medemens laat mij onverschillig, al nopen fatsoen en beschaving me dit te verbergen. 2. Medemensen kunnen mijn ergernis oproepen omdat ze mij storen in mijn plannen. 3. Medemensen kunnen mijn sympathie oproepen, omdat ze mijn zelfontplooiing bevorderen. 4. Een enkele kan in mijn leven een afgod worden, op wie ik mij geheel richt. (De Mens onderweg, blz. 72). Terecht wijst Berkhof erop dat in al die vier gevallen ik de ander benader vanuit mijn ik, waardoor ik in feite mezelf isoleer en niet waarlijk mens met de ander ben.
Daarom gaan vervreemding en eenzaamheid hand in HAND. Want ik zoek de ander terwille van mezelf. Maar liefhebben om jezelf is principieel iets anders dan wat Gods gebod noemt het liefhebben van de naaste als zichzelf.
Hetzelfde gevaar zien we ook als de ontmoeting met de ander en het gesprek met de medemens in de vertechniseerde sfeer getrokken wordt. Men versta mij goed: Gesprekstechniek en een methodische aanpak van relatieproblemen hebben binnen zekere grenzen hun waarde. Maar het wordt bedenkelijk als de mens, die geschapen is naar Gods beeld, alleen maar voorwerp wordt van bepaalde technieken en trainingen, voorwerp van behandeling. Dan zondigen wij tegen het gebod der liefde. Ook de technische kanten in het verkeer met de medemens kunnen alleen terecht gebruikt worden in de sfeer van de liefde. Ontbreekt deze dan treden vervreemding en verzakelijking, verkilling en vereenzaming op.

Pendelbeweging
Wij zagen in het voorgaande hoe een egoïstisch individualisme, een geest van 'Ben ik mijn broeders hoeder' fnuikend is voor de waarachtige ontmoeting tussen mensen. In de geschiedenis zien we hoe inzake de verhouding ven mens en maatschappij een dergelijk individualisme vaak een wat we noemen collectivistische reactie opriep. Dat collectivisme schermt met woorden als volk, gemeenschap, groep. Maar in wezen is het een surrogaat van waarachtige gemeenschap. Men denke aan de verschrikkelijke gevolgen van de leus: Gij zijt niets, uw volk is alles. Of aan de wijze waarop de enkele mens de slaaf dreigt te worden van de proletarische dictatuur, de groep, de partij, de staat in de landen van het Oostblok.

Zowel het individualisme als dit staatssocialisme met zijn massamensdom vormen een bedreiging van de echte medemenselijkheid. Daarom zullen christenen als ze serieus rekenen met het bijbels mensbeeld – de mens geschapen naar het beeld van God, geroepen tot gemeenschap en dienst –, zowel kritisch staan ten opzichte van het liberalisme met zijn nadruk op het welbegrepen eigenbelang, als het sociahsme met zijn sterke nadruk op het staatsingrijpen. In beide gevallen gaat men uit van een humanistische visie op de mens en de goede kern in die mens. De mens die naar Gods beeld geschapen is, is rentmeester die rekening en verantwoording heeft af te leggen. Door de zonde is die mens ontrouw geworden aan die roeping, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Daarom moeten we opnieuw geboren worden, zullen we weer waarlijk in de liefde leven jegens God en de medemens.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Ben ik mijn broeders hoeder?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's