De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een keerpunt in de Nederlandse politiek? (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een keerpunt in de Nederlandse politiek? (1)

9 minuten leestijd

Enige maanden geleden besprak ir. Van der Graaf deels met instemming en deels met kritiek de rede, die ik eind februari op de dag van verootmoediging en gebed in de Joriskerk te Amersfoort heb gehouden. Ik ben hem dankbaar voor zijn reactie. Een kritische dialoog over de belangrijke kwesties met betrekking tot de huidige abortus-wetsvoorstellen is nuttig en opbouwend. Daarom betreurde ik zo sterk de paniekreactie, die anderen tegenover mijn rede hebben aangenomen.
De kritiek van ir. Van der Graaf komt erop neer, dat ik Kerk en Staat verder uiteengehaald heb dan Calvijn deed. Ook meent hij, dat ik het gevaar loop om de profetie te verinnerlijken. Hij stelt mij de vraag, of ik nog wel een roeping zie voor de christen als politicus. Daartegenover stelt hij de eis, dat de kerk zal moeten proclameren de wil van God, ook ten aanzien van het openbare leven. Met betrekking tot de christen als politicus, die de eed heeft afgelegd op de neutrale grondwet, blijft hij echter in het vage. 'Ik benijd hem niet, ik zal hem ook niet veroordelen'; schrijft hij. Ook erkent hij, dat deelname aan de politiek als christen het aangaan van compromissen noodzakelijk maakt. Maar welk verschil ligt hier nog met wat ik in mijn rede gezegd heb?
Veel meer bezwaren heb ik tegen hetgeen prof. Velema eerder in de Waarheidsvriend over de abortus-problematiek geschreven had en zoals hij er in de Joriskerk over sprak. Volgens hem zou de christelijke politiek in Nederland een nieuwe fase ingaan (als zij aan het huidige abortus-wetsontwerp haar steun zou geven. Het zou een breuk betekenen met wat christelijke politiek tot heden heeft voorgestaan.
Wat ik daarom wil betogen, is dat vele christenen thans een politiek voorstaan, die geen rekening houdt met het harde, onomstotelijke feit, dat Nederland eigenlijk al sinds de Franse tijd, maar zeker sinds de grondwet van 1848, geen christelijke natie meer is. De huidige abortus-kwestie is voor hen een soortgelijke ervaring als de school-kwestie voor veel christenen in de 19e eeuw. Groen van Prinsterer is er als christen-politicus het duidelijkste voorbeeld van. Ook hij sprak toen van 'een breuk in de christelijke politiek'. Daarom is zijn stellingname in 1857 en daarna voor ons zo leerzaam en nuttig. Vandaar dat ik op hem teruggrijp, om mijn zienswijze ten aanzien van de christen in de huidige politiek te verduidelijken.


Christelijke natie?
Wat het parlementaire debat in 1857 over de onderwijswet van minister Van der Brugghen zo actueel en belangrijk maakt, was dat erbij een vraag aan de orde werd gesteld door Groen van Prinsterer, die ook vandaag veel christenen nog bezighoudt: Is Nederland een christelijke natie?
Zó werd het door Groen in de Kamer verdedigd. Hij heeft er één zijner meest magistrale redevoeringen aan gewijd. Zó werd het ook beleden door Groen's geestverwant Wormser in zijn boekje: De Kinderdoop. Zó dachten naderhand ook figuren als Hoedemaker en Haitjema. In wezen gaat hun gedachtengang terug op Willem Bilderdijk met zijn drievoudig snoer: Kerk, Vaderland, Oranje. Bilderdijk was 'een reïncarnatie van het aloude nationale type uit het wondere geuzentijdperk, een wederbezieler van dit oude leven', aldus A. Kuyper. Voor hem stond het vast, dat de Nederlandse Staat is ontstaan uit de Kerk, uit de calvinistische vluchtelingengemeenten in Londen, Norfolk, Emden. De kerk in Nederland was er eerder dan de staat. Ook de school is in Nederland ontstaan uit de kerk. Oudtijds waren daarom koster en schoolmeester in één persoon verenigd.
Omdat Bilderdijk de Staat zag als blote omkleding van de kerk en het volgens hem de kerk geweest is, die hier te lande de staat heeft gevormd, daarom heeft hij zijn levenlang gestreden tegen de gelijkberechtiging van Joden, Deïsten, Roomsen, Socianen en Armenianen met de zonen van Luther en Calvijn. Hij weigerde dan ook de eed af te leggen op de verklaring van de onvervreemdbare rechten van de mens en de burger. Hij verzette zich ertegen, de Nederlandse Staat te enten op de stam van het humanisme.
In het kamerdebat van 1857 wees minister Van Reenen erop, dat Groen's uitgangspunt van Nederland als christelijke natie een fictie was. Hij zei: 'Vraagt men mij, of Nederland staatsrechtelijk een christelijke natie is, dan moet mijns inziens het antwoord ontkennend zijn. Staatsrechtelijk kan een natie alleen van een bepaalde gezindheid, van een bepaalde godsdienst zijn, indien het door de grondwet wordt bepaald. En wanneer ik nu de grondwet van deze Staat in de hand neem, haar voorschriften nazie, wanneer ik daarin vind opgenomen, dat gelijke rechten aan alle gezindheden zijn toegekend, dan kan ik tot geen andere slotsom komen, dan dat de natie niet staatsrechtelijk een christelijke natie is.’
Bij de aanvaarding van de fatale onderwijswet in 1857 brak Groen's illusie van Nederland als christelijke natie. Hij had enkele jaren nodig om deze schok te verwerken. 'Ik zie geen opwekking van het oude Calvinisme in de vorm van lang vervlogen tijden meer tegemoet. Maar wel houd ik het geloofsvertrouwen van Calvijn… op deze rijkgezegende en langgespaarde martelaarsbodem nog niet voor uitgedoofd', schreef hij in de Nederlandse gedachten.
Nu hij tot het inzicht was gekomen, dat in Nederland het Evangelie en de Historie buiten de Staat waren gesteld, nam hij ontslag als lid van het parlement. Hij besefte, dat thans bezinning op een politieke heroriëntatie noodzakelijk was.
Wil men dus spreken van een keerpunt in de christelijke politiek in Nederland en van de ingang van een nieuwe fase (gelijk prof. Velema doet), dan hebben die reeds in 1857 plaatsgevonden. Wat dat keerpunt aan consequenties inhield, willen wij thans bezien.


Verzoekschriften
Omdat de aanneming van de schoolwet in 1857 diepe verslagenheid had teweeg gebracht bij het christelijk volksdeel, werden tal van verzoekschriften aan de koning en pamfletten tegen de grondwet en het parlement geschreven en verbreid. Ook werd van vele kanten een beroep gedaan op Groen van Prinsterer, om zijn strijd voor een Staat met christelijk-protestantse signatuur onverminderd voort te zetten.
Zo was er de Utrechtse Factie met de strijdbare E. H. Kol en Jean Louis Bernhardi. De laatste gaf populaire blaadjes en samenspraken uit, waarin heftig geageerd werd tegen de parlementaire democratie en geijverd voor herstel van de protestantse suprematie van vroeger dagen. Het demogogische karakter dezer schotschriften blijkt uit de qualificatie van Van Oldenbarnevelt en De Witt als 'Beroemde Schurken'. De moord op de gebroeders De Witt werd door Bernhardi vermeld als een voorbeeld van 'wat het volk doet als men Oranje dwarsboomt'. In deze kring verlangde men, dat de Koning de grondwet terzijde zou schuiven en een paternalistisch bewind zou voeren.

In Delft was de onderwijzer Van Heumen zeer actief. Hij zond met een aantal stadsgenoten een brief aan de Koning met het verzoek om de schoolwet 'niet in werking te laten treden vanwege de heilloze gevolgen ervan voor de ziel van het kind'. Ook dat was dus een oproep, om de parlementaire democratie los te laten en'onconstitutioneel te handelen.
Nog een belangrijk voorval uit het bewogen jaar 1857 moet vermeld worden. Op zondag 29 november 1857 (dus kort na de aanneming van de schoolwet) kwam Kohlbrugge uit Elberfeld over om in de Waalse kerk te Delft, die rechtzinnig was, een preekbeurt te vervullen. Het was een doopdienst en daarom een uitnemende gelegenheid, om de schoolkwestie ter sprake te brengen in verband met het zielehiel der kinderen. Men kan zich voorstellen, hoe gespannen de verwachting van Van Heumen en zijn vrienden geweest moet zijn toen zij naar de kerk gingen. Want het was ondenkbaar, dat Kohlbrugge de nieuwe onderwijswet niet even verwerpelijk zou vinden als zij. Het liep alles echter geheel anders!

De preek die Kohlbrugge gehouden heeft, is een jaar later in druk verschenen. De tekst was Klaagliederen 5 : 21 'Here, bekeer U tot ons, zo zullen wij bekeerd zijn'. Hoe roerde Kohlbrugge de toenmalige politieke situatie aan? Hij wees op 'de oordelen, die ons eens zo gezegend volk getroffen hebben en treffen tot die oordelen hebben wij hoofdzakelijk te rekenen, dat God ons heeft verlaten met Zijn Geest en den krachtigen geest van dwaling over Nederland heeft laten uitgaan. Wij doen dwaas zo wij hier zien op mensen of op bijoorzaken. De hoofdschuld ligt bij des Heren volk zelf. Die schuld moet gekend en erkend worden… Alleen dan, als de Here zijn volk tot zich bekeert, neemt Hij de oordelen van zijn volk weg. Dan geeft Hij zijn Woord en laat het zijn loop hebben. Dan opent Hij voor zijn volk een krachtige deur, hoe vele tegenstanders er ook zijn mogen.
Het is duidelijk, dat er een sterk accentsverschil ligt tussen lieden als Van Heumen, Kol en Bernhardi enerzijds, en Kohlbrugge anderzijds . Men kan ze alle vier theocraten noemen; en toch hoe groot onderscheid! Van Heumen, Kol en Bernhardi zijn theocraten in politieke zin. Zij ijveren voor een theocratie als politiek stelsel, waarbij het staatkundige en maatschappelijke leven wordt ingericht naar de twee tafels van de Wet; een stelsel dat aan het volk wordt opgelegd, desnoods met prijsgave van de domocratie en op onconstitutionele wijze.
Voor Kohlbrugge is theocratie een geestelijke werkelijkheid, een geloofszaak, en daarom niet, door kracht en geweld tot stand te brengen. Hij ziet in het politiek ijveren voor een theocratisch staatsbestel een groot gevaar. Het is er een menselijke zaak van maken. Ware theocratie is er slechts dan, als de Here het volk tot zich bekeert. Dan doet Hij het in genade. 'Wij moeten dus alle werk uit handen geven, en tot den Here gaan met het smeekgebed: Doe Gij het Here in uw ontferming, dan zal het gedaan zijn!' Ware theocratie is een wondergave Gods.
Men kan zich voorstellen, hoe moeilijk het voor Groen van Prinsterer geweest moet zijn, om te midden van zo verschillende stemmen tot een weloverwogen en klaar inzicht te komen, welke weg hij als christenpoliticus gaan moest. In bidvertrek en studeerkamer zocht hij een antwoord op de vragen, die hem benauwden.

W. Aalders, 's Gravenhage

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een keerpunt in de Nederlandse politiek? (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's