Een weg terug?
Ds. A. A. Spijkerboer: ‘na-oorlogse grondslag weggevallen’
In zijn boek 'De crisis der middenorthodoxie', verschenen in de vijftiger jaren, schreef dr. H. Berkhof over de prediking binnen de kring van de Gereformeerde Bond het volgende: 'In deze prediking zit weinig cultuur, ook weinig theologische cultuur. Opbouw en inhoud verlopen meestal volgens vaste schema's. De preek wemelt van teksten, archaïsmen en groepsuitdrukkingen. De liturgie is armelijk, het geheel lang en vaak saai. Dit alles is helaas waar. Het moet ons echter juist te meer verbazen , dat deze prediking volle kerken trekt, ook daar waar men de zoveel 'frissere' preken van anders-ingestelde predikers kan beluisteren.' Dr. Berkhof schreef dit in een tijd, waarin hij zich in woord en geschrift nogal eens bezighield met de Gereformeerde Bond. Hij refereerde toen over 'De gereformeerde Bond en de volkskerk' en had b.v. met ds. G. Boer een 'gedachtenwisseling' over positie en problemen van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk.
Ik weet niet of er na de vijftiger jaren veel veranderd is én terzake van de prediking én terzake van het oordeel van prof. Berkhof daarover. In ieder geval heeft de 'frissere' prediking van anders-ingestelde predikers de secularisatie niet kunnen tegenhouden en heeft de 'saaie' prediking met 'weinig cultuur' nog altijd het meest de gemeente bewaard rondom het Woord.
Dr. Berkhof schreef in de gedachtenwisseling met ds. Boer terzake van de formulering in de kerkorde, dat we belijden in gemeenschap met de belijdenis der vaderen, dat dat 'méér' inhoudt dan belijden in overeenstemming daarmee, namelijk 'meer aan bijbelse inzichten'. En dan zegt hij:
‘Wij, die in uw ogen verwaterd zijn, zijn moderne mensen, die door het geseculariseerde denken van West-Europa zijn gepakt! en vaak ook geschonden. Wij beroemen ons waarachtig niet op deze moderniteit. Vaak kijken we met weemoed en jaloezie naar de eenvoudige belijdenis getrouwe gemeenteleden. Wij zijn aan en over de rand van het ongeloof geweest. Dat heeft de lectuur van Hegel of Schopenhauer gedaan, van Freud of Nietzsche, van Marsman of Sartre, of misschien alleen maar het klimaat waarin heel het moderne intellectuele leven is gedrenkt en dat door alle kieren van ons bestaan binnendringt. Wanneer wij in dit alles "ter aarde geworpen, doch niet verloren" mogen heten, dan danken wij dat aan het Woord van God, dat in zijn hoogheid en vreemdheid juist zeer nabij ons bleek te zijn in onze aanvechtingen en zich hét Antwoord betoonde op de vragen, die ons bezighielden… Onze aanvechtingen gaan om de vraag is er een God? Is Hij geen illusie of projectie. Zo neen waarom blijft alles dan zoals het is? Hoe is Hij dan? Wij hebben ervaren dat Jezus Christus ook op deze vragen het antwoord en de enige troost is…’
‘Wij kunnen niet terug. Wij kunnen alleen vooruit, naar dat de Geest ons leidt', zegt dr. Berkhof dan. Niet bij de belijdenissen maar bij het Woord hebben we te beginnen. Dan komen ook de belijdenissen weer in de liefde en de achting die ze om des Woords wil verdienen.
In reactie hierop schreef ds. G. Boer toen:
'U bent door de aanvechtingen van deze tijd heengegaan en geschonden. Dat verstaan sommigen van ons ook zeer goed. Anderen zijn voor deze crisis bewaard gebleven en ik acht dit een voorrecht, omdat dit alleen maar oponthoud is om te geraken tot een veel diepere crisis, die ieder mens nodig heeft. U bent langs de weg gekomen: Is er wel een God? Daarbij noemt u allerlei mensen, die u de weg gewezen hebben. Dat alles maakt stil en vervult met eerbied. Maar velen van ons zijn door veel verschrikkelijker dingen doorgegaan. Immers de vraag: Is er wel een God, en het antwoord, dat daarop komt, baant de weg tot de vraag: Wie is deze God? Hoe leer ik Hem kennen? Hoe kom ik met Hem in het reine? Waar u eindigt, begint het pas. Immers dieper dan de aangevretenheid van de moderne mens in deze cultuurfase, gaat de ontdekking van de Heilige Geest, wanneer wij gesteld worden in de ontmoeting met de levende God, die ons verbrandt in onze problemen en aanvechtingen, en de grondvraag aan de orde stelt, nl. onze schuld. Hier komen de volle tonen van zonde en genade tot ontplooiing. Wie voor God staat, blijft alleen de schreeuw om genade over. Wij staan daar niet als mensen van de twintigste eeuw, maar als goddelozen en vijanden. Wie van ons in dat gericht betrokken werd, weet, dat hij daar nooit uit was gekomen, wanneer zich niet een ander had gemeld, nl. onze Here Jezus Christus, die zich om ons in dat gericht heeft gesteld. Daarom hebben wij Hem onuitsprekelijk lief. Hij daalde en daalt neer om onze handen, die gebonden zijn door vele banden, te ontbinden. Hij is het antwoord op de meest indringende vraag: Hoe krijg ik een genadige God? Wij hebben Hem niet alleen lief in alles, wat u noemt, maar ook in alles, waarin de Belijdenis der kerk Hem prijst. Immers wij weten, dat Hij nooit onze Verlosser zou kunnen zijn, indien Hij niet was Gods eigen eniggeboren Zoon. Daarom is Zijn dienstknechtsgestalte ons lief, maar ook Zijn godheid. Zijn waarachtig God zijn. Hier ligt de verbondenheid aan de belijdenis van de kerk, ook aan de Geloofsbelijdenis. Weergaloos schoon vertolkt toch deze de inhoud van ons geloof. Hier ligt ook de verbondenheid van de eenvoudigen in het land aan de belijdenis verklaard. Immers hier wordt hun geloof, dat ook mijn geloof is, verklaard op een wijze, die nimmer verbeterd is. In de vergelijking van het reformatorisch belijden met het huidige belijden merken wij een ontstellende verarming op.’
Ds. A. A. Spijkerboer
Aanleiding tot het doorlezen van de gedachtenwisseling Boer – Berkhof was voor mij de kroniek in het juni-nummer van het tijdschrift Kerk en Theologie, waarin ds. A. A. Spijkerboer nog eens verder borduurt op wat hij in de discussie rondom ds. Nijssens voorstellen tot kerkelijke boedelscheiding zei aan het adres van de Gereformeerde Bond. Wat armzalige as en schillen hadden wij nog over van de Reformatie en, zouden wij in de zestiende eeuw geleefd hebben, we zouden rooms gebleven zijn schreef hij imrners. Men zie voor dit alles de Waarheidsvriend van 8 maart ll.
In de betreffende Kroniek van Kerk en Theologie voegt ds. Spijkerboer er nu nog eens aan toe, dat, wanneer het de bond werkelijk ernst is met de verootmoediging waartoe opgeroepen wordt, de bonders 'hun uniformen moeten uittrekken, hun geschut moeten vernagelen en al hun installaties moeten opblazen om zich gewoon onder het hervormde rapaille te begeven.’
Maar, stel nu eens voor dat dát gebeurde – zo werp ik Spijkerboer tegen –, zou er dan in de gemeenten iets veranderd zijn? Het kerk-zijn als zodanig klopt toch veeleer en veelmeer in de gemeenten; daar waar, om nog eens op de discussie Boer – Berkhof terug te grijpen, enerzijds 'gewone belijdenisgetrouwe gemeenteleden' leven en anderzijds mensen die, zoals Berkhof het dan uitdrukte, door de moderne cultuur zijn heengegaan en niet meer terug kunnen?
Toch terug?
Het is echter alsof ds. Spijkerboer, waarvan ik toch wel zeggen mag, dat hij in Berkhofs theologische traditie staat, ook wel weer een pas terug maakt. Hij maakt in zijn kroniek ook opeens de omslag naar de prediking toe. Hij schrijft: 'verduister ik het licht, dat Luther en Calvijn weer op de kandelaar hebben gezet dan nooit? Ja zeker, dat overkomt mij wel eens, maar ik ben dan ook geen lid van een 'bond ter verbreiding en verdediging (in deze volgorde en niet omgekeerd, zoals Spijkerboer schrijft, v. d. G.) van de Waarheid in de Nederlandse Hervormde Kerk.’
Dus toch terug naar de intenties van Luther en Calvijn? Spijkerboer zegt het dan ook niet dwaas te vinden om de midden-orthodoxie te vragen 'nog eens naar de Schrift te luisteren, om onze oude catechismus nog eens op zijn intenties te ondervragen en om datgene te zijn waartoe ook zij geroepen is, namelijk een levende gereformeerde kerk'. Hij schrijft dan verder, dat 'de grondslag waarop wij in en na de oorlog met elkaar zijn gaan bouwen weggevallen is en dat onze kerkorde in de lucht hangt'. En dan eindigt hij zelfs heel hartstochtelijk: 'dames en heren leden van de Generale Synode, ziet u niet dat het huis een paar verdiepingen onder u in brand staat? Of brand? Dat is nog een veel te mooi beeld: hele hordes houtwormen kruipen joelend door de balken van uw huis, en die balken houden het niet lang meer, hebt u dan niets te zeggen tot degenen, die gebukt gaan onder de kerkelijke situatie? Het kan best zijn dat u niets te zeggen hebt, omdat de Geest u niets te zeggen geeft, maar zegt u dat dan tenminste. U moet eens ophouden te doen alsof er niets aan de hand is.'
Weg ter genezing
De lezers bemerken ongetwijfeld, dat het in de ontboezemingen van ds. Spijkerboer wat chaotisch toegaat. Hij springt van de gereformeerde bond naar de midden-orthodoxie, van de prediking naar het synodale beleid. Ik ga op alles niet nader meer in; in veel ligt zo'n eindeloze herhaling. Maar als we nu eens bij de laatste ontboezemingen blijven: die zouden ons allen in de kerk uit het hart gegrepen moeten zijn. Maar zouden we er dezelfde vulling aan geven? Als we ons bijvoorbeeld afvragen wat ons dan de Geest te zeggen zal moeten geven, dan zouden we allereerst moeten zeggen, dat de Geest het Woord te zeggen geeft. Maar bedoelen we ook dan weer hetzelfde? Ligt daar dan weer niet achter het verstaan van het Woord?
Ik denk, dat we de vragen in de discussie Boer – Berkhof weer eens serieus zouden moeten oppakken? Want het is niet niets als Spijkerboer schrijft dat de grondslag, waarop we na de oorlog zijn gaan bouwen, weggevallen is. Wat zijn we in de kerk 'wijzer' geworden van de cultuur-bepaalde prediking waarover dr. Berkhof sprak? Ik zou best eens willen weten hoe prof. Berkhof daarover nu, vijfentwintig jaar later denkt. Er is bovendien echter niets nieuws onder de zon. Immer is er sprake geweest van theologen en andere leiders in de kerk die de pretentie voerden 'méér' te zeggen te hebben dan de aan de belijdenis vasthoudende orthodoxie. In het eind van de vorige eeuw stelde Hoedemaker ze al tegenover elkaar – ik heb het eerder aangehaald – 'de beschaafde, methodistische, met de tijd meegaande christen' en 'een bekrompen, ouderwets, met vele vooroordelen bezet, maar toch innig vroom man'. Hem gevraagd tot wie van beiden zijn hart uitging is het antwoord: 'het bloed kruipt waar het niet gaan kan en ik behoor ongetwijfeld bij de man, die het verdacht vindt dat ik de waarheid, waarom het ons beiden te doen is, anders uitdruk als hij van zijn jeugd af gewend geweest is.' Men zou ook kunnen zeggen bij dat 'gewone belijdenisgetrouwe gemeentelid', waarnaar ook Berkhof in de vijftiger jaren met een zekere jaloersheid zei te kijken.
Eindig ik nu toch in de mens? Integendeel. Maar als het om de prediking gaat dan is er een volk, dat het geklank kent en dat een geoefend oor heeft als het gaat om wat de Geest tot de gemeente zegt zelfs door 'saaie' cultuurloze prediking heen. Dat heeft niets met het bestaan van een band te maken. Heeft de Geest ons daarentegen werkelijk iets te zeggen gegeven in het geseculariseerde Westeuropese denken, waar Berkhof c.s. in de vijftiger jaren doorheen gingen? Of heeft de Geest toch met de woorden, gegeven in de Reformatie, ons tot vandaag toe veel meer te zeggen gehad? Niet om de woorden van Luther en Calvijn klakkeloos te herhalen maar wel om dáár te zijn waar het Woord, als de ene Bron openligt, en niet het Woord als de ene bron en het eigentijdse, in ons geval geseculariseerde denken als tweede.
Weet ik er dan niet van, dat onder veel met-de-mond-geroemde belijdenisgetrouwheid ook dode orthodoxie kan schuil gaan? Wis en zeker. Gemeenten waar de sacramenten niet functioneren, gemis aan ambtelijk besef, wettisch leven, dat niet doorademd is door de vrijheid des geestes, lijdelijkheid zonder de wérkelijke schreeuw om een genadige God, die bij Luther zo existentieel aanwezig was, het maken van de secundaire zaken tot primaire, scheiding tussen zondag en maandag – en zo zou ik nog even door kunnen gaan – kunnen allemaal voorkomen onder het vaandel van 'Schrift en Belijdenis'. Maar dat heft de principiële keuze voor 'Schrift en Belijdenis' niet op.
De vraag of de Geest de kerk dan niets te zeggen geeft, blijft in mijn ziel knagen. Hij geeft ons het Woord te zeggen. Dat is vast en zeker.
Ik zou toch echter wel willen, dat we weer eens teruggingen in de kerk naar de discussie Boer-Berkhof en we elkaar en onszelf binnen de kerk eens zouden bevragen over de weg die sindsdien is afgelegd. Zou de Geest ons dan misschien toch iets te zeggen kunnen hebben. En zou er toch een weg terug zijn? Als nu de na-oorlogse grondslagen weggevallen zijn, zouden die van de Belijdenis dan toch niet deugdelijker zijn?
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1979
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's