De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Legerpredikant in Libanon
In maart 1979 vertrok een aantal Nederlandse soldaten naar Libanon om deel uit te maken van de VN troepenmacht die tot taak heeft de strijdende partijen in Libanon uit elkaar te houden. Naast de militaire en politieke aspecten aan deze zaak zitten er ook gewone menselijke kanten aan. Wat betekent het voor de betrokkenen ver van de hunnen daar hun dienstplicht te moeten vervullen? Welke zorgen en spanningen kan dat oproepen zowel daar, als bij de achterblijvenden hier. Een belangrijke taak heeft daarom de Geestelijke verzorging. In het blad Daniël van 10 augustus had B. J. Nieuwenhuize daarover kontakt met legerpredikant ds. H. Stam. Dat leverde het volgende verhaal op:

Er zijn ongeveer 800 militairen. Een gedeelte is in en rond het basiskamp Harris gelegerd, de overigen zijn verdeeld over de 20 posten die ieder uit zo'n 8 à 10 man bestaan. De wegen zijn zeer slecht, zodat het lijkt of ze nog meer verspreid zitten. Ze hebben daardoor het gevoel of ze op nog grotere afstand van elkaar verwijderd zijn.
Het werk van de soldaten bestaat voornamelijk uit patrouilles lopen, auto's doorzoeken en mensen kontroleren. Vooral het op wacht staan valt op den duur zeer zwaar. Het gaat immers week in week uit, dag en nacht door en dat alles niet zonder risiko's.
Ten behoeve van de geestelijke verzorging is er een boogtent opgesteld, met keien op de vloer en wat tafels en stoelen. Door de kommandant van Harris wordt zoveel mogelijk aandacht besteed aan de zondagsrust. Er worden kerkdiensten gehouden die redelijk bezocht worden. Er is verder met een bijbelkring gestart en er worden ook bijzondere avonden gehouden. Deze tent doet tevens dienst als militair tehuis.
ledere woensdag is er een vergadering van de legerpredikant, de aalmoezenier, de raadsman, enkele artsen en mensen van de sociale dienst. Er worden dan eventuele problemen besproken en voor zover mogelijk wordt er dan geholpen.
Verder is er veel werk voor de legerpredikant op allerlei gebied. Vooral belangrijk is de pastorale zorg en de begeleiding van de eenzame posten. Volgens een bepaald schema gaat ds. Stam regelmatig naar de posten 'in het veld'. Daar blijft hij dan ook slapen. Hij is meestal een halve dag op een post, vooral om wat met de mensen te praten. Zodoende komt hij ook veel tot persoonlijke gesprekken, die soms erg oppervlakkig blijven, maar veelal ook een veel diepere strekking hebben.
Voor de familieleden in Nederland worden informatiebulletins verzonden. Herin worden mededelingen gedaan over de gang van zaken in Libanon, zoals de bevoorrading, het eten, soms over schermutselingen die plaats vinden, over het moreel van de jongens, over de manier waarop zij gehuisvest zijn, over de wijze van leven in het basiskamp zowel als op de, verschillende posten.
Overigens wordt er veel gedaan voor het thuisfront. Ds. Wassing, brigade-legerpredikant te Assen, koördineert alle taken voor de geestelijke verzorging in Libanon, maar ook voor het thuisfront. Zo is er een schrijven verzonden aan alle familieleden, met allerlei informatie, die voor hen van belang kan zijn. De gezinnen van de beroepsmilitairen zullen voorzover mogelijk door ds. Wassing zelf bezocht worden. Voor de gezinnen waaruit de dienstplichtige militairen komen, worden regionale kringen gevormd.
Ongeveer 20 adressen vormen samen een regio, die dan samen kontakt. kunnen houden en die eventueel door de legerpredikant die in de omgeving woont, bezocht kunnen worden.

Graag geven we dit aan u door. Het is een aspect waar we doorgaans niet zo veel over horen. Maar uitermate belangrijk. Moge dit stukje pastoraat en diakonaat (want die verbinding mogen we toch wel leggen) tot zegen van velen zijn.

Vrijwillige kinderloosheid
Dit opschrift, de titel van een artikel van de hand van dr. J. Rinzema in het Geref. Weekblad van 27 juli, zal wellicht velen bevreemden, ja zelfs sommige lezers pijn doen. Voor velen in onze samenleving is kinderloosheid immers een zwaar kruis. Waar anderen delen in de kinderzegen, zien zij de jaren voorbijgaan zonder dat hun leven verrijkt wordt door kinderen. Wat een wonden kunnen soms in achteloosheid en domheid uitgesproken woorden veroorzaken in het leven van hen wier huwelijk kinderloos bleef. Ook de Bijbel weet van deze nood. Vanuit het Evangelie mogen we zeggen, dat een huwelijk dat kinderloos blijft toch zinvol is en in het licht van Gods Koninkrijk tot rijke zegen gesteld kan worden.
Rinzema schrijft in genoemd artikel dat 15 procent van de gehuwden gedwongen kinderloos is. Ook hij attendeert op het verdriet dat dit voor velen betekent. Nu blijkt er in ons land een werkgroep vrijwillige kinderloosheid te bestaan. Deze werkgroep gaat uit van de NVSH. U zou kunnen zeggen: Dan weten we wel uit welke hoek de wind waait. Waarom hier aandacht schenken aan deze zaak? Laat ik voorop mogen stellen dat het allerminst de bedoeling van Rinzema is oni uit zucht naar sensatie of nieuwsgierigheid over deze zaak te schrijven. Hetzelfde geldt ook met betrekking tot de overname van zijn artikel. Maar wij leven in een tijd waarop ten aanzien van huwelijk en gezin de normen aan het verglijden en verschuiven zijn. Wij worden daarmee geconfronteerd en we zullen – vanuit Gods Woord – onze houding hierin hebben te bepalen. Daarom willen we aan de zaak die door de werkgroep aan de orde gesteld wordt, niet voorbijgaan. Rinzema schrijft hierover het volgende:

Ter bespreking heeft de redaktie van het Gereformeerde Weekblad mij toegezonden het eerste exemplaar van de Nieuwsbrief van de werkgroep vrijwillige kinderloosheid (uitgaande van de NVSH) april 1979. Deze nieuwsbrief draagt als titel 'Tevree met z'n twee’.
Deze werkgroep heeft haar doefstellingen nog niet duidelijk geformuleerd. Ik kwam ze tenminste niet tegen in deze eerste nieuwsbrief. Als ik het geheel overzie, dan kom ik – zo globaal – tot de indruk, dat de mensen van deze werkgroep willen strijden tegen het vooroordeel, dat wij het fijn of vanzelfsprekend moeten vinden om kinderen te hebben en dat er ruimte en erfnning ooet wezen voor anderen, die om wat voor redenen dan ook, van het verwekken en het verkrijgen van kinderen afzien. Ik denk, dat de vragen, die deze groep wil stellen, het beste uit de verf komen in een boekbespreking, die ook in deze nieuwsbrief te lezen staat. Ik citeer hieruit het volgende: 'Zou het wellicht van verantwoordelijkheid kunnen getuigen om géén kinderen te willen hebben? In onze maatschappij zijn het vooral de vrouwen, die de lasten van het gezin dragen, die van de arbeidsmarkt geweerd worden, die tot een onbevredigend bestaan als huisvrouw worden gedoemd. In onze maatschappij zijn dekinderen er de oorzaak van, dat financiële problemen ontstaan, woningnood en het verlies van individuele vrijheid.
Zou het wellicht van verantwoordelijkheid kunnen getuigen, om af te zien van kinderen, wanneer de verhouding tussen partners verstoord kan worden door problemen met kinderen?
Zou het van verantwoordelijkheid kunnen getuigen om kinderloos te blijven gezieh de politieke en economische crisissituatie die steeds onoplosbaarder lijkt?
Kan het niet méér verantwoord zijn om in bepaalde omstandigheden bewust geen kinderen te willen, om in een grotere kring van mensen aan bepaalde sociale verplichtingen te voldoen?
Het boek, dat zij bespreken 'onderzoekt de huidige stand van zaken bij ouders en kinderen, met een vraagteken achter vastgeroeste denkpatronen en onderneemt pogingen om perspectieven te openen op een kinderloosheid als keuze’.
Uitgaande van dit soort overwegingen wil de werkgroep aan het werk gaan, teneinde de publieke opinie op zulk een wijze te beïnvloeden, dat allerwegen het inzicht groeit, dat vrijwillige kinderloosheid 'mag'. Het secretariaat van deze werkgroep is bij Jan C. Montague, Berglusdaan 60b, 3054 BJ Rotterdam.

Eens hadden wij – mijn vrouw en ik – een week wintervakantie, die we besteed hebben om een treinreis te maken naar Wenen. Van Utrecht tot en met Düsseldorf verkeerden wij in gezelschap van een Duitse dame, met wie wij een diepgaand gesprek kregen. Op een gegeven moment vroegen wij haar, of zij ook kinderen had.
Haar antwoord op deze vraag was: 'Helaas niet. Daar hebben mijn man en ik veel verdriet van. Maar vrienden, die wel kinderen hebben, zeggen tegen ons, dat wij niet zo verdrietig hoeven te zijn. Want als je ze eenmaal hebt opgevoed, dan kunnen ze je veel verdriet doen. Dat maak ik bij bijna al mijn vrienden mee'. Ik denk, dat er veel elementen van waarheid zijn in de opmerkingen van deze vrouw.

Er zijn tal van elementen in de beschouwingen vande werkgroep 'vrijwillige kinderloosheid' die een neerslag zijn van verhoudingen in de samenleving.
Ook in kerkelijke gezinnen wordt veel verdriet geleden, omdat kinderen een andere weg uitgaan dan ouders. En als je verder in deze wereld rondziet, dan kun je je afvragen: Waar voed je ze eigenlijk voor op? Hoe zal de wereld er over derdg jaar uitzien? We weten het niet, maar velen hebben weinig vertrouwen in de toekomst.

Nu laat Rinzema het hier niet bij. Dat kan ook niet, wanneer we tenminste een woord als 'verantwoordelijkheid' vullen vanuit de Schrift. In genoemde nieuwsbrief wordt op een merkwaardige wijze met dit begrip omgesprongen. Het is goed om dat te signaleren, omdat de nieuwsbrief daarin niet alleen staat. Juist hier komt de humanistische wortel bloot. Van welke aard is deze verantwoordelijkheid, die hen doet pleiten voor vrijwillige kinderloosheid? U begrijpt, dat hier veel op het spel staat. Want de keerzijde is dat zij die wel kinderen begeren en een gezin stichten soms het verwijt van 'onverantwoordelijkheid' te horen krijgen. Daarom is het zaak kritisch te zijn als mensen het woord 'verantwoordelijkheid' gebruiken. Rinzema schrijft over de argumentatie van de werkgroep het volgende:

Er zijn in de argumentatie van deze werkgroep verschillende argumenten, die mij verdrietig maken. Wanneer er b.v. gezegd wordt, dat kinderen de vrouw kunnen doemen tot een onbevredigende positie als die van een huisvrouw, oorzaken zijn van financiële problemen, woningnood en twist en tweedracht tussen echtparen, dan gaan mij ergens de haren overeind staan. En dan denk ik: in wat voor een wereld leven wij eigenlijk? Ik zelf kom zó langzamerhand tot de mening, dat de grootste ellende, waarmee wij in deze tijd zijn opgescheept het begrip 'zelfontplooiing' resp. het begrip 'zelfbeschikking' is.
Dit begrip vindt bij mijn weten zijn oorsprong in de vrijheidsfilosofie van J. P. Sartre. Losgemaakt van allerlei filosofische distincties komt zijn verhaal hierop neer, dat het de voornaamste roeping van de mens is zijn eigen leven te leiden. De voornaamste trouw, die de mens moet opbrengen is de trouw aan zichzelf.
Voorzover ik de leer van Sartre goed begrepen heb, gelooft hij hierbij tevens in een soort 'harmonia praestabilita' à la Leibniz en Adam Smith. Wanneer mensen eerst zichzelf gevonden hebben, dan zullen zij ook het meeste voor elkaar kunnen betekenen. Een gelukkige maatschappij voor de mensen gezamenlijk ontstaat, wanneer ieder zich individueel ontplooit.

De pastorale praktijk leert mij anders. Je ziet tegenwoordig dat in huwelijken en gezinnen mensen over lijken gaan, letterlijk en figuurlijk, vanwege de zo hoognodige zelfontplooiing. De praktijk leert ons, dat waar ik uit ben op zelfontplooiing de ander niet meegenomen, maar in elkaar geramd wordt. Waar ik mijn ruimte opeis, kan dit vaak alleen maar, wanneer ik de ander zijn ruimte ontneem.
Daarom geloof ik, dat de grondziekte van deze tijd een ziekte van geestelijke, wilt u, van levensbeschouwelijke aard is. Wie zichzelf zal willen ontplooien, zal zichzelf kwijtraken. En wie bereid is, zichzelf te geven, die zal tot bloei komen. Deze boodschap van het evangelie zou ik willen stellen tegenover de vrijheidsconceptie van Sartre.
Ook in het streven naar vrijwillige kinderloosheid zie ik iets van dit moderne mondigheidsideaal. Wanneer ik mijn inkomen geheel en al voor mijn eigen hobbies wil besteden, dan spreekt het vanzelf, dat kinderen hinderen zijn. Wanneer ik mijn partner geheel en al voor mij zelf wil bezitten, dan spreekt het vanzelf, dat er voor kinderen geen ruimte is. Maar in wat voor een wereld leven wij eigenlijk, waar dit soort meningen als ideaal verkondigd wordt? Ik kan het emotioneel niet goed begrijpen.

Ik kan hierin volledig met Rinzema meegaan. Ik denk alleen dat het niet maar een kwestie van emotionaliteit is, maar dat we vanuit de Schrift neen moeten zeggen tegeii een dergelijke geseculariseerde visie op verantwoordelijkheid.
De lezer begrijpe me goed: Natuurlijk is er tegenover God en de naaste inzake de gezinsvorming een geweldig stuk verantwoordelijkheid. Natuurlijk zullen we hierin met wijsheid, biddend en luisterend naar wat de Heere zegt, onze weg hebben te gaan. Het is triest wanneer een kind ongewenst is. Dat hier veel leed. heerst in de samenleving, is bekend. Daarom pleit Rinzema voor een weloverwogen handelen terwille van de geestelijke gezondheid van ons volk. Maar dat is niet het laatste. De laatste beslissingen vallen daar waar ik sta tegenover God, en zijn appèl op ons leven. Een schriftuurlijke visie op huwelijk en gezinsvorming zal rekenen met het dubbelgebod van de liefde. Dan komen de verhoudingen in een ander licht, te staan. Rinzema wijst op het feit dat ook hier het mensbeeld dat wij aanhangen, beslissend is:

Wanneer kerken zich bezighouden met relaties tussen partners, met relaties tussen ouders en kinderen, dan komt vooral de vraag naar voren: Welk mensbeeld staat mij voor ogen?
Tegenover het Sartriaanse ideaal van de zelfontplooiing heeft Karl Barth eens een ander ideaal ontwikkeld: mens zijn is medemens zijn.
Wanneer wij de woorden van het evangelie serieus nemen, dan moeten we tegen elkaar zeggen: Jij hebt mij misschien nodig. Maar ik weet zeker, dat ik jou nodig heb. Als mens zonder medemens ben ik nergens: Laten wij er voor elkaar zijn.
Dit geldt ook voor de verhouding tussen ouders en kinderen. Veel ouders lopen stuk, omdat zij kinderen als hun bezit beschouwen. En als deze kinderen zich dan niet ontwikkelen naar het beeld en de gelijkenis van deze ouders, dan voelen deze ouders zich teleurgesteld.
Hoe wij niet elkaar dienen om te gaan wordt dus in grote mate bepaald door de woorden van het evangelie.
Dat geldt ook van het vertrouwen, dat wij in de toekomst mogen hebben.
Wij weten niet, wat de toekomst brengt. Maar wij hebben wel gehoord van de Ene, die gezegd heeft: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ik hoop en verwacht, dat er ook in deze tijd christenouders zullen zijn, die biddend en weloverwogen, bereid zijn hun kinderen te ontvangen uit de hand van de Heer en die ook – al zullen zij wel eens zorg om de toekomst hebben – het lot van hun kinderen durven te leggen in Gods handen.

Met dit pastorale woord sluit dr. Rinzema zijn artikel af. Het zal u duidelijk zijn dat we met hem de in de nieuwsbrief ontwikkelde visie afwijzen. Niet alleen omdat ze ijnlijk is voor hen die gedwongen kinderloos zijn, dat ook, maar vooral omdat ze ontspruit aan een volstrekt humanistische visie op het mens-zijn. Het lijkt me goed dit te signaleren. Ook in hulpverlening en welzijnswerk kunnen we met dergelijke zaken te maken krijgen. Maar al te dikwijls overheerst ook daar een humanistisch zelfontplooiingsideaal. De christen weet van een andere verantwoordelijkheid. Een verantwoordelijkheid bepaald door de vraag: Wat wil God dat wij doen zullen tegenover Hem en de medemensen, de naaste die op onze weg geplaatst is.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1979

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's