Jan Jacob Knap sr. (1)
Zij die bleven (24)
29 maart 1865 is voor de hervormde gemeente Woudsend in Friesland een trieste dag geweest. Op die dag werd namelijk begraven de nog betrekkelijk jonge predikant van die gemeente: ds. J. J. Knap sr. (Ik noem hem Knap sr. om de grootvader te onderscheiden van de kleinzoon ds. J. J. Knap Czn, die jaren te Groningen stond, en eveneens heel wat bekende boeken gepubliceerd heeft.) Hoewel hij op 58-jarige leeftijd stierf, 'heeft hij niet minder dan twaalf gemeenten als dienaar des Woords gediend. Door heel het land was zijn naam bekend. Niet minder dan 117 beroepen heeft hij in zijn leven ontvangen. Overal waar hij voorgegaan was in de dienst, hadden de kerken tjokvol gezeten.
De grafsteen, die de gemeente op het graf van haar predikant laat plaatsen, spreekt in dit verband boekdelen. Het opschrift luidt: 'Hy wier in barnende en Ijochtsjende kearse (Joh. 5 : 35)' (Hij was een brandende en lichtende kaars). Met deze woorden heeft Christus zijn wegbereider Johannes de Doper gekarakteriseerd. De gemeente Woudsend houdt de gedachtenis van haar gestorven predikant in ere door hem te zien als een Johannes, die sprak: 'Zie het Lam Gods'. De prediking van ds. Knap is geen andere geweest; niets liever deed hij, in woord en geschrift, dan Christus groot maken.
Dat de Woudsendse gemeente op de grafsteen de Friese taal gebruikt is eveneens opmerkelijk. Ds. Knap heeft zich altijd van het Nederlands bediend. Door nu het Fries te gebruiken, geeft men aan dat deze predikant hunner één geweest was. Dat wilde hij ook zijn. De bekende dr. Wumkes, die later zelf één der eersten is die in het Fries zal preken, schrijft van hem: 'Al was hij dan Hollander van kom-af, hij hoort ook bij Friesland en de Friezen.' Dat hij voor dit volk veel betekend heeft, is ongetwijfeld waar. Uit het vervolg zal blijken dat ds. Knap van 'hen die bleven' degene is die, vooral in het noorden van het land, door zijn getrouwe prediking, velen van een breuk met de Hervormde kerk weerhouden heeft.
Leven
Over het leven van ds. J. J. Knap worden wij behoorlijk ingelicht. Niet dat hijzelf zijn handel en wandel zo belangrijk acht dat hij veel over zichzelf schrijft. Dat wij van deze predikant zoveel aan de weet kunnen komen, komt omdat zijn zoon, ds. Chr. Knap predikant te o.a. Oldebroek en Kampen, kort na het sterven van zijn vader enige van zijn laatste preken uitgeeft, met een uitvoerig voorwoord aangaande zijn leven en sterven. Bovendien heeft de genoemde dr. Wumkes in zijn boek It Fryske Reveil een uitvoerige schets over Knap geschreven. Zijn bron daarvoor is een aantal gesprekken geweest met twee van de dochters van ds. Knap. Deze getuigenissen lezend, kunnen wij ons een aardig beeld vormen van deze begaafde en ijverige predikant.
Jan Jacob Knap werd 27 juni 1806 in Amsterdam geboren. Vader, Gerrit Knap, had een bakkerij in de Noorderstraat. Als Knap later aan dat huis en gezin terugdenkt is dat met diep respect voor zijn ouders, die twee eenvoudige, godvrezende mensen geweest moeten zijn. De kinderen werden niet alleen bij de Schrift, ook bij de belijdenis opgevoed. De Catechismus, waar Knap later een gedegen verklaring van zal schrijven, heeft hij reeds in dit huis moeten leren en delen ervan uit het hoofd moeten opzeggen.
De peinzende Christen van P. Broes is een boek dat in dit bakkersgezin gelezen en herlezen wordt. Dat boek maakt op de ouderwordende Jan Jacob zo'n diepe indruk, dat als hij later trouwt hij het aan zijn vrouw cadeau doet. Kennelijk in de hoop dat het nieuwe gezin Knap zou leven in dezelfde geestelijke atmosfeer als in zijn ouderlijk huis.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat vader Knap zijn zoon ter catechisatie laat gaan bij ds. W. Broes, zoon van de schrijver van het door hem zo hoog gewaardeerde boek.
Reeds als jongen voelde Jan Jacob zich getrokken tot het ambt van predikant. Vader was met dat verlangen echter niet zo ingenomen en zag zijn zoon liever het leger ingaan. Net voor de veertiende verjaardag van zijn zoon is Gerrit gestorven met als laatste woorden op de lippen: 'Ik sterf niet op mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar op die, die door het geloof, in Christus is.' De voogd, die de verantwoording over de jongen op zich neemt, spoort hem echter juist aan om naar de Latijnse school te gaan ter voorbereiding op de studie in de theologie. Na het atheneum doorlopen te hebben, wordt hij najaar 1826 ingeschreven als theologisch student aan de universiteit te Leiden. Daar studeren in die jaren de latere voormannen van de Afscheiding: Gezelle Meerburg, Scholte, Brummelkamp, Van Velzen en Van Raalte. Aan hun samenkomsten doet hij niet mee. Hij vindt dat zij te negatief staan tegenover het onderwijs van de professoren Van der Palm, Hamaker, Clarisse, Kist en Van Hengel. Hij voelt zich in 'de Leydse school' zeer wel thuis.
Na drie jaar studie wordt hij nog net voor zijn 23ste verjaardag door het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland geëxamineerd en toegelaten tot de Evangeliebediening.
Predikant
Van de twee beroepen die hij ontvangt, neemt hij die naar Valkenburg (ZH) aan. 6 september 1829 wordt hij er bevestigd met de tekst uit 1 Tim. 3 : 1 'Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.' De intredetekst is uit Romeinen 1 : 16 'Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.' Als Knap later terugziet op die eerste twee jaren van ambstbediening in Valkenburg zegt hij er zelf van: 'In de eerste jaren mijner Evangeliebediening volgde ik den geest des tijds. Ik keurde ze goed.'
De verandering van zijn leven zal plaats vinden in zijn tweede gemeente Heerde. Toch heeft hij al direkt vanaf zijn begin in die gemeente veel, vertrouwen genoten. In die plaats zijn er, in die jaren, velen die zich van de kerk distantiëren, maar in het gezelschap hartelijk bidden om herstel en wederkeer. Doordat enkele brieven van deze 'gezelschapsmensen' bewaard gebleven zijn, weten wij iets meer over Knap's komst te Heerde. In een brief uit het laatst van 1831 staat het volgende: 'Hier is dan voorleden week wederom beroepen ds. Knap, predikant te Valkenburg bij Leiden, een jong mensch, daar men volstrekt niets van weet dan dat L. van Gervink en A. Keizer hem eenmaal hoorden preeken. Nu heb ik gisteren een brief ontvangen van een man uit die plaats, dog die ik niet anders dan bij name kenne. Deze geeft redelijke getuigenis van die predikant, dog wat het is of zal zijn: De Heere weet het…'
Ook als ds. Knap het beroep aanvaard heeft blijft er in die kring onzekerheid bestaan. 3 januari 1832 schrijft iemand: 'Domenie Knap heeft het beroep aangenomen, maar wat of de man is, weten wij hier niet. B.neef of geen menschen, die kennis van de waarheid hebben, die hebben hem niet gesproken.' Het blad keert echter om als ds. Knap 11 maart 1832 met de tekst 2 Cor. 12 : 9 zijn intrede in zijn tweede gemeente gedaan heeft. De onzekerheid maakt plaats voor de zekerheid dat dit de man is die de Heere gezonden heeft. Beschaamd schrijft dezelfde briefschrijfster: 'Hadden wij, verkeerde blinde schepsels, het in onze hand gehad, het was mogelijk nooit gebeurd of hadden wij hem zoo wel gekend als wij hem nu, kennen, dan zouden wij gewerkt hebben al wat wij konden, en als het ons dan gelukt was om hem te krijgen, dan hadden wij gerookt aan ons eigen garen en netten, dat wij die menschen waren, die zulk een predikant beroepen hadden, en nu kunnen wij niet anders dan met verbaasdheid uitroepen, dit is van den Heere, en het is wonderlijk in ons ogen.'
De volgende zondag begint ds. Knap in de avonddienst direkt aan de behandeling van de Catechismus. Genoemde 'B.neef' verlaat met betraande ogen het kerkgebouw, diep geroerd door de eenvoudige uitleg die de jonge ds. Knap van het oude leerboek geeft. Die week is de briefschrijfster nog opgewekter van toon: 'Gij kunt niet gelooven welk een ontzag die man nu al in de gemeente heeft. Hij is een jong mensch van uw jaaren, hij leest niet van zijn preek, veel minder dat hij die schandelijke gewoonte heeft om het gebed te leezen. Hij is zeer ernstig in zijn bidden; ik kan niet zeggen die liefde en hoogachting die ik voor die man gevoelde, toen ik hem op de preedikstoel hoorde. En dat is wonderlijk, het is in het algemeen zoo: rijk en arm, vroom en onvroom, niemand spreekt den geheelen dag anders, als van de domenie.'
Hoe enthousiast men ook reageert op Knap's eerste preken, voor zijn eigen gevoel horen de eerste maanden in Heerde nog bij de tijd dat hij arbeidde naar 'de geest des tijds'. Er zal echter verandering in komen. Hij zegt ervan: 'Had ik jaren achtereen schier niet anders gelezen dan hetgeen onze kerkleer of verduisterde of verzweeg, ik zette mij tot het naarstig onderzoek ook van hetgeen ten haren voordeele was gezegd en geschreven. Ik begon dit biddende en zette het ook alzoo voort en God schonk mij niet alleen hartelijke gehechtheid aan de leer der Herv. Kerk, maar ook Hij gaf mij te zoeken. Hem te vinden. Hem te aanschouwen in het aangezigt van Christus Jezus, den Heer, Wiens ik ben, Welke ik ook diene.'
H. Harkema, Brakel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1979
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's